Het geheim van de levensmoed
1988-06-03
"Daarom verliezen wij de moed niet... " (2 Cor. 4: 16-18) - Jaargang 32
- nummer 22
Tegen de moedeloosheid
In één adem met "de aardse tent, die afgebroken wordt" spreekt Paulus in 2 Cor. 4 : 16-5 : 10 over het geheim van de onsterfelijke levensmoed. Juist daar, waar doodsschaduwen vallen, straalt het licht naar alle kanten en klinkt het lied van een onverwoestbaar optimisme! En hier antwoord op de vraag naar het waarom van die vreemd aandoende blijdschap is samen te vatten in één naam: Christus!
Hij is het levend Geheim van de levensmoed. Hij is het Licht, dat met goddelijke kracht gekomen is. Hij is sterker dan de macht van de moedeloosheid, die zo gemakkelijk gepaard kan gaan met doffe berusting!
Moedeloosheid is iets anders dan een stemming van een moment, iets anders dan een sombere bui, waar iedereen wel eens in kan vervallen. Maar de moedeloosheid is veeleer te omschrijven als een macht, een ijzeren noodzakelijkheid, "die een mens in zijn leven kan ervaren, waarbij die mens zich bewust wordt van zijn plaats onder de mensen, als mens, die eenmaal sterven moet, in een wereld, die .voorbij gaat".
Om die moedeloosheid te ontlopen kan een mens natuurlijk zichzelf steeds weer opkrikken, door b.v. alles te zetten op de kaart van de materiële vooruitgang. Maar Paulus wijst op Iemand anders: Wie in Christus leeft, in de kracht van Zijn opstanding, die laat de moed niet zinken, als Christus met Zijn Woord en Geest in zijn leven komt. Dat is dan ook het thema van Paulus' levenslied, dat als een thema met variaties in drie onderdelen wordt uitgewerkt. ..
De uiterlijke t.o. de innerlijke mens
De eerste variatie op het thema lijkt op het eerste gezicht te gaan in de richting van de tegenstelling tussen lichaam en ziel van de mens. Toch bedoelt Paulus in de zin "maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd" met de uiterlijke en innerlijke mens niet alleen ons stoffelijk-lichamelijk en ons geestelijk bestaan.
Zo'n op grieks-verstandelijk-filosofisch denken gebaseerde onderscheiding gebruikt Paulus niet. Het gaat hem om iets anders: Onder uiterlijke mens zullen we moeten verstaan: heel de mens, zoals hij in zijn uiterlijke verschijning op aarde bestaat, naar lichaam en ziel. Heel dat aardse bestaan, dat aan de wet van zonde en dood is onderworpen. Die uiterlijke mens gaat lichamelijk èn geestelijk te gronde, vervalt, wordt verdorven. We kunnen daarbij denken aan de woorden van het oude Doopsformulier, dat spreekt over dit leven, hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood. En in de praktijk van het leven zien we het soms heel aangrijpend in het tragische van het aftakelen van mensen, die altijd goed bij hun verstand geweest zijn; Maar boven dat alles uit is er de troost, dat God ons in Christus overzet in een nieuw bestaan: 'Wie in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan; zie, het nieuwe is gekomen", zo schrijft Paulus even verder.
Dit is de innerlijke mens, die uiteindelijk ook het lichaam omvat. Die '"wordt vernieuwd" van dag tot dag: ook al takelt het lichaam af. Anders is oud-worden alleen maar zielig, nu is het heengroeien naar de volmaaktheid.
Er is een afsterven van de oude mens en een opstanding van de nieuwe, waarin, naar Zondag 33 van de Catechismus, de doorgaande bekering bestaat.
Verdrukking t.o, heerlijkheid
De tweede variatie verwoordt Paulus in vs. 17: "Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid". De nauwe samenhang tussen verdrukking en heerlijkheid is een belangrijk bijbels thema. Het heeft ten diepste te maken met het geheimenis van het kruis en het behoort tot de wegen en gedachten Gods, die anders en hoger zijn dan die der mensen, zoals Jes. 55 zegt. In het Evangelie van Johannes wordt, in de afscheidswoorden van Jezus (Joh. 14- 17) herhaaldelijk op die samenhang gezinspeeld. En de inhoud daarvan is toch steeds weer deze: Verdrukking bewerkt voor wie in Christus is, niet meer uitsluitend narigheid, maar veeleer zaligheid. Want nu gelden andere maatstaven. Anders brengt lijden, verdrukking alleen maar ellende met zich mee, maar nu bewerkt die "lichte last van verdrukking" alleen maar heerlijkheid. Die verdrukking kan weliswaar zwaar genoeg zijn, maar met Christus wordt het een lichte last, want Zijn last is altijd licht!
En dat zegt dan Paulus, die blijkens hfdst. 11 : 23-29 toch echt niet door het leven verwend is! Maar als christen beleeft hij het lijden anders en dat komt door Christus! (verg. ook: Rom. 5: 3 en 8: 18). Men zou de waarde en de noodzaak van het lijden in het leven van een mens kunnen omschrijven als een zwaar gewicht. Maar het zware gewicht dient wel om de klok op gang te houden!
Het zichtbare t.o. het onzichtbare
De derde variatie lezen we in vs. 18 : "Daar wij niet zien op het zichtbare maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig". Het zien en het zichtbare spelen een grote rol in ons leven. Het feit, dat God de mens een paar ogen gegeven heeft, betekent dat we het zichtbare niet mogen verachten, maar het ook niet moeten overwaarderen.
Slechts door Christus kunnen we het zichtbare weer naar z'n juiste waarde beoordelen, en zien we met "verlichte ogen" d.i. in geloof de dingen van Gods Koninkrijk, die de uiterlijke mens niet ziet. Niet zien en toch geloven. Heel die nu nog onzichtbare wereld bestaat en is heel wezenlijk voor "de-mens-in-Christus".
Ze is eeuwig. Nu leven we nog in geloof. Maar straks gaat het geloven over in aanschouwen! "Zalig de reinen van hart, want zij zullen God ZIEN" (Matth. 5: 8).