Golgotha en Constantijn
1989-11-10
Hoewel dr. Martin zowel historicus als archeoloog is, zijn z'n vondsten (en na 1983 is er veel nieuw licht op Golgotha gekomen) niet slechts van oudheidkundige of geschiedkundige aard. Zeer terechtwijst de schrijver erop, dat de heilsgeschiedenis gediend wordt met een juiste kennis der feiten; feiten die de Bijbel en ooggetuigen ons leveren. Ierse en Schotse emigranten sparen vaak levenslang om de graven van hun voorouders te bezoeken. Zouden wij, die ons leven aan Christus' kruislijden te danken hebben, geen zekerheid wensen over de feiten en plaatsen en gebeurtenissen? Of laten deze zaken ons koud?- Jaargang 33
- nummer 23
Nog voornamer argument, om met dit boek door te gaan, is: dat Martin ons laat zien in welke mate Christus de wet van Mozes met Zijn zoenoffer heeft vervuld: hoe Hij de onvolkomenheid van de jaarlijkse verzoening ophief door zijn eenmalige en eeuwigdurende verzoening. Ook hoe heel de schaduwachtige bedeling de schijnwerper richtte op Zijn lijden en hoe de brief aan de Hebreeën achteraf ditzelfde eenmalige offer in historisch en geestelijk licht stelt.
Het gaat Martin niet om een archeologische of liturgische of symbolische hobby - maar hij leert uit de Schrift de hoogte, diepte en breedte van Christus' lijden verstaan, laat zien hoe God de wereld met Zichzelf verzoende.
Constantijns brutale ingreep
Laten we het goede van Constantijn voorop stellen. Hij was de keizer eerst van het westromeinse, later van het totale romeinse rijk - die voor het eerst de christenen terwille was. Hoewel hij pas op zijn sterfbed (337) zich liet dopen en christen werd (!) had hij de ondergrondse kerk de vrijheid gegeven, haar op een troon gezet en rijk beloond voor alle leed en vervolging, door zijn voorgangers de kerk van Christus aangedaan.
Maar hij deed meer. Samen met zijn moeder, Helena, heeft hij zich beijverd om de heilige plaatsen in het heilige land op te sporen, die zijn voorgangers met zorg hadden verduisterd.
Wellicht heeft hij hiermee de basis gelegd voor de latere kruistochten, die alle onder het motto 'Dieu le veut' het bezit en behoud van de heilige plaatsen ten doel hadden. De heiligste van alle heilige plaatsen was natuurlijk Golgotha!
Hier vonden lijden, dood en opstanding van onze Heiland plaats, wellicht op een enkele hectare grond.
En hoe heeft Constantijn deze hectare grond opgespoord?
Hij liet" weten dat hij deze en andere heilige plaatsen door Goddelijke ingeving - langs de weg van visioenen, dromen en tekenen, kreeg aangewezen.
Nu zijn dromen, visioenen en ingevingen niet om mee te spotten, zo leert ons de Schrift. Maar ook leert ons de Schrift, om mensen die dromen dromen en gezichten zien te beproeven, na te rekenen. Want er zijn ook veel valse profeten en dromers geweest.
En Constantijn liet zich bepaald niet controleren! Hij maakte korte metten met wie hem tegenspraken of ook maar vragen stelden.
Laten we ons even beperken tot 'Golgotha'; nader de Heilige Grafkerk, 500 meter westelijk van Moria.
Bij gebrek aan tijd vond Constantijn deze plaats niet zelf, maar stuurde zijn moeder Helena met de opdracht naar Jerusalem: Golgotha te vinden.
Ook zij had de gave van visioenen en gezichten en ze 'vond' Golgotha.
Ja, Constantijn was een wonderlijk man. Vlak voor de beslissende slag die hem wereldvorst zou maken 'zag' hij de X, beginletter van de griekse Christusnaam, in een lichtspeling in de lucht. Sindsdien won hij alle veldslagen en raakte volkomen overtuigd van zijn unieke roeping: het rijk van Christus te vestigen.
Hij zag Mozes op den duur als zijn collega, vertelde bisschoppen dat hijzelf ook bisschop was; ja, eigenlijk meer dan gewone bisschoppen, immers een apostel, door Jezus zelf aangewezen*). Vandaar dat hij het Concilie van Nicea in 325 voorzat, de bisschoppelijke besluiten van zijn goedkeuring voorzag, in 326 ongezien de heilige plaats 'Golgotha' vaststelde, er de Heilige Grafkerk op liet bouwen, en betrokken was bij de 'canon' der heilige boeken. Dit alles dus jaren voor hij zelf zich tot christen liet dopen!
Tegenspraak tegen Constantijn
Het vereiste religieuze en mannenmoed om tegen hem in te gaan.
Maar zijn tijdgenoot Eusebius, bisschop van Caesarea, schreef dat deze keus van de keizer hem sterk verwonderde **) "daar zij tegen elke bestaande verwachting inging".
Immers tot de 4e eeuw had geen theoloog of historicus aan deze plaats gedacht. Die hadden een heel andere plaats in het hoofd!
De door Constantijn aangewezen plaats was… een onzedelijke afgodstempel, de tempel van Venus. Terecht had de keizer zich hier niet door laten afschrikken, want zijn voorgangers hadden inderdaad alle heilige plaatsen ontheiligd om christenen te plagen. Daardoor hebben ze meermalen heilige plaatsen juist gemarkeerd.
Eusebius, overtuigd dat de keizer ten volle overtuigd was, maar tevens dat hij ongenaakbaar was, reisde in opdracht van zijn collega's van Jerusalem naar Rome, voor een vraaggesprek met Constantijn. Hij vroeg namens de anderen beleefd, waarom de keizer overtuigd was van zijn juiste keuze. De vraag van Eusebius (die ook graag zijn hoofd op zijn romp hield, zegt Martin) was zo voorzichtig gesteld, dat de keizer niet weersproken, zelfs in een vleiende rede vooraf geprezen werd - maar toch voor het blok gezet.
Deze liet zich echter niet uithoren.
De rede van Eusebius werd staande aangehoord, hetgeen de bisschop in een ellendige positie bracht van: gauw zeggen, dan kan ik gaan zitten en ben je kwijt. Toen hij klaar was kon hij veilig met huid en haar doch zonder antwoord vertrekken. In 336 werd de Heilige Grafkerk ingewijd; het was vlak nadat Constantijn zowel zijn zoon als zijn vrouw ter dood had gebracht; en dat was dat.
Maar Helena dan?
Als Constantijn zo zeker was van zijn zaak, moet hij op de dromen, visioenen en tekenen van zijn moeder zijn afgegaan. En we mogen toch hopen, dat Helena zo wijs was haar dromen en visioenen te verifiëren.
Zo wijs was Helena ook, in zekere zin. Toen zij bekend gemaakt had, waar de heilige plaats Golgotha moest zijn geweest; is er ijverig gewerkt om haar de 'bewijzen' in handen te geven die zij wenste.
De schrijver Paulinus van Nola zegt, dat de Joden deze plaats aan Helena hadden aangewezen; hun spreker was een zekere Judas (what's in a name). Die wees haar de plaats aan; waar ze maar eens moest laten graven.
En zie ja, tot verbazing der beschouwers kwamen daar uit de grond, drie complete kruisen, plus het door Pilatus geplaatste bordje, plus een rietstaf en een spons, alles na 300 jaar gaaf bewaard. Als dat geen overtuigende bewijzen waren zou Helena ziende blind zijn geweest.
Maar Martin toont aan, om welke reden de niet-christelijke Joden het onderzoek hebben misleid. In het twee maal verwoeste Jeruzalem, waar zelfs zij vrijwel niets konden terugvinden, wisten zij de Tempel van Venus met zekerheid te localiseren als een voor Joden minder interessante plaats!
Twee pseudo-Golgotha's
Maar de H. Grafkerk ligt, zoals u weet, 500 meter ten westen van Moria's top, dat is niet 'buiten de legerplaats' (immers 875 meter). Bovendien is vanaf de H. Grafkerk geen zicht op de tempelvoorhof mogelijk geweest: vanwege de hoge westelijke muur en omdat beide plaatsen op ongeveer gelijke hoogte lagen.
Het andere 'Golgotha', het zogenaamde Tuingraf, ligt zoals u weet 750 meter ten noordwesten van Moria's top, was daarvan bovendien gescheiden door de forse burcht Antonia. Ook hier was de afstand tot het heilige minder dan 875 meter, de critische afstand tussen zichtbare en onzichtbare poort. Hier was nog minder mogelijkheid van enig zicht op een scheurend voorhangsel.
Bovendien is het graf uit de ijzeren periode, zegt de archaeoloog Martin, en dus in het jaar 30 niet 'nieuwgehouwen', (Matt. 27:60).
Geen van beide pseudo-Golgotha's voldoet aan, Johannes' gegeven 'nabij de Topos', vlak bij de heilige plaats; in casu het tempelfiliaal waar de zondoffers en de Rode Koe werden verbrand. Blijft over de heuvel, die twee 'oogkassen' vertoont en daarom voor een grote schedel wordt aangezien. Maar Martin toont onbarmhartig een tekening van Jerusalem uit 1610, waaruit blijkt dat de 'oogkassen' toen nog niet aanwezig, waren.
(slot volgt)
*)Eusebius, Leven van Constantijn, IV, 24.
**) idem 111,28