Er waart een aaklig spook door school
1989-11-10
Er waart een aaklig spook door school- Jaargang 33
- nummer 23
Het is het spook van de frustratie
Ziehier de beginregels van wat een mooi gedicht had moeten worden.
Helaas ben ik nog niet verder gekomen, maar u zult moeten toegeven: dit begin was veelbelovend, het zijn fraaie regels. Let eens op de geslaagde assonantie van de aa en de oo: daar gaat iets van uit, iets van somberheid en beklemming. Nog maar twaalf van zulke regels en de vaderlandse letterkunde was weer verrijkt met een sonnet dat ongetwijfeld in talloze bloemlezingen zou worden overgenomen. Het probleem is alleen dat die twaalf regels maar steeds niet willen lukken.
Kennelijk is de inspiratie op. Dat komt in school wel meer voor. Zie die brugklassertjes vol verwachtingen aan het grote avontuur beginnen, hun mooie nieuwe tassen volgepropt met alles wat ze misschien nodig kunnen hebben, ze lopen helemaal scheef door het gewicht van alles wat ze meesjouwen. Maar naarmate ze langer op school zijn, wordt de omvang van de tassen kleiner. De lessen blijken niet allemaal zo boeiend te zijn, sommige vakken zijn moeilijk en al dat huiswerk maken is na een paar weken ook al niet leuk meer. En let eens op de jonge leraar die voor het eerst les gaat geven: vol plannen, enthousiasme en vooral: idealen. Na een paar weken kunnen zich de eerste symptomen van teleurstelling al voordoen; hij moppert over gebrek aan interesse en werklust; hij merkt dat de leerlingen niet met reikhalzend verlangen op zijn lessen zitten te wachten en o wee, als hij nu niet kan relativeren! Dan gaat het mis.
"Meneer", vroegen wij, "wanneer gaat u nu die proef doen met dat poeder?" In de derde klas van de h.b.s. hadden wij scheikunde van een al wat oudere leraar. Zijn geheugen was niet zo best en daar maakten wij soms een schandalig misbruik van. Hij had een of ander poeder dat hij op een schoteltje strooide en waar hij vervolgens een brandende lucifer bij hield. Er waren dan opeens allerlei kronkelende
slangetjes te zien die over elkaar kropen en zich in alle mogelijke bochten wrongen. Een vermakelijk schouwspel. De natuurkundige of scheikundige verklaring van dit verschijnsel interesseerde ons niet zo erg, maar we vonden die kronkelende slangetjes machtig leuk. De vorige week had meneer de proef al gedaan en dat zei hij dan ook: "Die proef hebben we al gehad." Maar één van de aardigste meisjes verzekerde hem: "Nee meneer, u was het van plan en toen ging de bel." De leraar geloofde haar: "O, dan heb ik die proef zeker in de parallelklas gedaan." En wij kregen het gewenste schouwspel nog eens te zien. Een week later vroeg een jongen: "Krijgen we nu die proef met dat brandende poeder, meneer?" De leraar: “Zeg, kom nou, we doen niet elke week hetzelfde!" Maar een ander meisje zei: "In de parallelklas hebt u die proef wél gedaan." De leraar raakte in de war; hij zei: "Dan hebben ze me dáár die proef twee keer laten doen." En een leerling antwoordde met uitgestreken gezicht: "Ja meneer, dat hebben ze ons verteld. We vinden dat helemaal niet leuk van ze; ze houden u voor de gek!" Daarna kregen wij de slangetjes voor de derde keer.
Toch eigenlijk wel gemeen. In ons hart vonden wij dat toen ook al. Met sinterklaas kreeg de leraar een mooie doos sigaren. Waarom vertel ik dat verhaal? Je moet als leraar beseffen dat je niet alleen maar een vak geeft. Je hebt met jonge mensen te maken en elke leraar moet iets doen aan opvoeding. Je maakt geweldig veel fouten. Als je na jaren terugkijkt en al die fouten ziet, durf je nauwelijks nog verder te gaan!
Maar iederéén maakt fouten, je hebt zelfs het recht ze te maken. Mits je de fouten durft te erkennen en bereid bent ze zo goed mogelijk te herstellen. De leraar die openlijk in de klas durft te erkennen dat hij iets niet goed heeft gedaan, zal merken dat de jeugd dit waardeert.
De leraar is niet onfeilbaar. De leerling evenmin. De leerling is daar in het algemeen heel wat meer van doordrongen dan de gemiddelde leraar en dat biedt grote mogelijkheden bij de 'opvoeding'. Als nu eens een collega van onze scheikundeleraar met ons gepraat had, als die ons nu eens uitgelegd had dat we toch wel gemeen bezig waren geweest, wezouden daar zeker wat van hebben geleerd.
En nu zit daar die jonge collega in de docentenkamer wat somber voor zich uit te kijken. Het gaat niet goed.
En we wéten het. Vertel me niet dat collega's er niets van merken als het bij iemand niet gaat zoals het moet.
Gelukkig wordt er tegenwoordig iets meer gedaan aan begeleiding van beginnende leraren dan enkele jaren geleden. Toch blijft het probleem hetzelfde: elke leraar moet het in de klas zelf zien te rooien. Ik ben één keer heel boos geweest op een vader bij wie ik geklaagd had over het gedrag van zijn zoon. Hij zei: "Denk eens aan uw eigen jeugd." Die reactie was van weinig nut om zijn zoon tot een meer aangepast gedrag te brengen, maar toen ik er wat meer over na had gedacht, ging ik de zaken toch wel wat betrekkelijker zien.
Zijn wij zelf zulke lieverdjes 'geweest? Hebben de leerlingen er niet recht op dat wij proberen hun aan het verstand te brengen waar6m bepaalde dingen toch echt niet door de beugel kunnen? Ook die jonge collega die erover inzit of hij de zaak wel aankan, moet beseffen dat het niet aan hém hoeft te liggen. Hij moet alleen niet verwachten alleen maar aardige leerlingen aan te treffen.
En man, kijk nou zo'n klas eens goed·aan, de meeste leerlingen zijn toch heel aardig? Laat je plezier niet bederven door die paar die vervelend doen. Neem ze eens onder handen, maak duidelijk wat je wel en wat je niet accepteert. En je rnag best weten: de meeste leerlingen mogen je!
Natuurlijk maak je fouten. Je praat te veel, de leerlingen worden er doodmoe van. Je staat te veel met de rug naar de klas. Ga ook niet voor het raam staan als je les geeft zodat de leerlingen tegen het licht in moeten kijken. En dames, ga nóóit schreeuwen, want dat wordt al gauw gillen.
Bereid je lessen goed voor, zorg dat je het uur goed kunt vullen, maar laat de leerlingen ook iets doen.
Niemand kan vijfenveertig minuten aandachtig luisteren. En spieken?
Daar kunnen we uren over praten.
Maar als er gespiekt wordt, is het jouw schuld! Je moet opletten en niet gaan zitten lezen of corrigeren.
Geef de moed niet op. Als je voor het onderwijs kiest, doe je dat niet omdat je veel geld wilt verdienen.
Houd je van kinderen? Dat is de vraag waar het op aankomt. Echt waar, de meeste leerlingen op de scholen waar ik gewerkt heb, waren aardig!
"Er waart een aaklig spook door school." Inderdaad is er veel frustratie.
Ook op mijn eigen school. Maar die frustratie wordt voor een heel belangrijk deel veroorzaakt door het ministerie. Wat dáár niet allemaal wordt uitgedacht! Het onderwijs kent geen rust, de ene verandering volgt op de andere. Wat is er van de mammoetwet van Cals terecht gekomen?
Betrekkelijk kleine, overzichtelijke.
scholen zijn er haast niet meer. Kijk eens bij de leswisseling welke massa's zich door de gebouwen wringen.
Niet alleen leerlingen gaan zich daar een nummer voelen, ook de docenten raken er ontheemd. En de veranderingen blijven maar komen.
Straks moet iedereen les gaan geven op twee niveaus. Basisvorming, aanstaande gymnasiasten en handwerkslieden in één klas'. Jonge leraren moeten hard werken voor een mager salaris en steeds dreigt ontslag als het aantal leerlingen afneemt.
Oudere leraren moeten ... o Nederland, let op uw zaak!
“Er waart een aaklig spook door school,” o ja? Dan had u ons vorige week bij de reünie moeten zien. 'We hebben genoten. Niet omdat er een paar zeer bekende Nederlanders rondliepen, ja, die waren er ook, maar we hebben genoten van de gesprekken met oud-leerlingen, we hebben herinneringen opgehaald, we hebben gezien en gehoord wat er van die oud-leerlingen terecht is gekomen.
In ons hart waren we er een beetje trots op dat wij daaraan een steentje hadden bijgedragen.
En wat zei die vrouwelijke collega?
"Ik ben blij dat ik weer aan het werk ben. Die brugklassertjes, ik zou ze wel willen knuffelen!"
Zo kan het dus ook.