Het evangelie van Jezus Christus: Niet voor de Jood, alleen voor de Griek? (1)
1987-04-03
Dezer dagen is een gespreksboekje vanwege de Deputaten 'Kerk en Israël' in de Gereformeerde Kerken verschenen. Het is getiteld 'Joodse vragen!, Christelijke antwoorden?' De opvallendste stelling daaruit, welke ook onmiddellijk de pers gehaald heeft, luidt dat de kerk zal moeten erkennen, dat Tora én traditie voor joden een volledige boodschap van genade en waarheid omvatten (pag. 15). .De toespeling op Johannes' evangelie, hoofdstuk 1:17: “want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden", is onmiskenbaar en laat het verstrekkende van deze uitspraak zien. De Deputaten spreken in het voorwoord de wens uit, dat deze brochure in de gemeenten intensief besproken zal worden en zeggen dat zij reacties erop bijzonder op prijs stellen. Zonder precies te weten of deze laatste' uitnodiging ook aan ons gericht is, wagen we het er maar op, aan het gesprek over deze 'poging tot gesprek' deel te nemeri. Helaas zal dat niet anders dan op fundamenteel kritische wijze kunnen gebeuren.- Jaargang 31
- nummer 13
Drie voortekens
Het gesprek in dit geschrift wordt onder drie voortekens gevoerd, die in hoge mate bepalend zijn voor de uitkomst ervan. In de eerste plaats dienen wij de situatie te erkennen waarin wij leven:joden en christenen, samen met talloze anderen, op weg naar een betere samenleving (pag. 12). Hier wordt, naar modernistische trant, de geseculariseerde algemeen menselijke heilsverwachting beleden. In de tweede plaats staat het gesprek onder de geweldige druk van 'Auschwitz': "De antwoorden van de kerk zullen nooit meer dezelfde kunnen zijn. Die 'onschuld' is na hetgeen in onze eeuw in Europa gebeurde voorbij" (pag.
13) 'Auschwitz' is in deze visie goed te vergelijken met 'Golgotha'. Zoals Golgotha het Nieuwe Testament inluidde, zo zorgt Auschwitz voor een nog nieuwer testament dat de heilsboodschap althans naar de joden toe drastisch herformuleert. Een derde druk wordt op het gesprek tussen kerk en synagoge gelegd door de leer dat de uitverkiezing van Israël eeuwig en onherroepelijk is (pag. 20/21). Het is eigenaardig: bijna overal in de christelijke kerk is de Dordtse leer van de uitverkiezing, uitgelegd als samenvallend met de voorbeschikking, verlaten, terwijl die leer naar Israël nog wordt volgehouden. Maar juist naar de joden toe is de uitverkiezing voorwaardelijk en aflopend, omdat zij alleen in Christus met de predestinatie samenvalt. Juist de joden (maar ook wij!) moeten daarom onze roeping en verkiezing vast maken in de Christus, wil zij standhouden. Het is wel duidelijk dat ik de voortekens waaronder het gesprek met Israël hier gevoerd wordt in hoge mate ongunstig, vind. Het staat op deze wijze bij voorbaat al vast dat joods geloof en christelijk geloof een volkomen gelijkwaardige plaats naast elkaar krijgen. Dat is in strijd met alle godsdienstgesprekken die er in de geschiedenis tussen Kerk en Synagoge gevoerd zijn. Steeds zat daar van christelijke zijde een overtuigend en wervend element in. Een besef ook van 'extra ecclesiam nulla salus', buiten de kerk geen zaligheid. Maar van dat besef is niets meer over. Ik vind dat schokkend. Spreekt hier nog wel een christelijke kerk?
Jezus Christus en het Koninkrijk Gods
Ik wil nu om te beginnen een 'intens gesprek' aangaan met de schrijver van het eerste paragraafje van de brochure; drs D. Pruiksma, Wij zullen zijn uiteenzettingen op pagina 14,en 15 (vanaf 'Het Nieuwe Testament') op de voet volgen. "De evangeliën vertellen ons 'van Jezus, een jood ...' Deze formulering doet al vrezen dat op de betekenis van onze Zaligmaker zal' worden afgedongen. Dat gebeurt dan ook: "Naast de centrale plaats die de opgestane Christus inneemt in de verkondiging van de gemeente, moet dit vastgehouden worden: De verkondiging van Jezus in woord en daad is de verkondiging van het nabijgekomen Koninkrijk Gods". Ondanks de nevenschikkende woordkeus ('naast') wordt de Heiland hier uit het centrum van het Koninkrijk Gods weggedrongen, precies zoals de Joden dat in hun messiasverwachting ook altijd hebben gedaan. Christus krijgt hier een plaats aan de rand van het Koninkrijk Gods, Dat wordt aannemelijk gemaakt met wat in Lukas 11:20 staat: "Maar indien Ik (zegt Jezus) door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf.. dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen", een argument waarmee de Heiland de kwaadaardige joodse leiding van zijn dagen wil helpen een verband te leggen tussen het Koninkrijk Gods en zijn eigen daadwerkelijke optreden. Verderop in het evangelie worden Jezus" uitspraken veel sterker en zegt Hij bijvoorbeeld: "En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk" (Luk. 22: 29, 30). Hier staat de Here Jezus volop in het centrum van het. Koninkrijk Gods, dat Hij nu zelfs het zijne noemt. Hij bezet die plaats krachtens zijn zelf, overgave voor ons in de dood. Hij is, Hij belichaamt aldus, het Koninkrijk Gods. Het is heel kenmerkend voor. De onderhavige studie dat daarin vis Luk. 11:20 slechts een zwak verband tussen Jezus en het Koninkrijk God wordt aangewezen. Want geesten uitdrijven, nu ja, dat deden andere Joden ook (Luk. 11:19). Aan het unieke van de Heiland wordt afbreuk gedaan. Dat zal het vervolg van de redenering nog duidelijke maken.
De Opstanding
In dat vervolg namelijk gaat het over Jezus' opstanding en zijn we dus in het midden van het evangelie aangeland. Maar merk nu op hoe ook hier aan het unieke van dit heilsfeit wordt geknabbeld (waarvoor in het voorgaande de basis al was gelegd.) "DeI ervaring dat God bij machte is om doden tot leven te roepen, hetgeen Hij daadwerkelijk met Jezus had gedaan, bracht de eerste (ioodse!) messiaanse gemeenschap langzaam tot de overtuiging, dat dan nu ook de volkeren buiten Israël deel mochten krijgen aan Gods belofte aan Israël geschonken."
Er zou veel over deze zin te zeggen zijn, omdat hij vol staat met dogmatische beslissingen, maar ik beperk me nu tot één punt: hoe nivellerend wordt hier over de opstanding des Heren gesproken!' God is bij machte doden tot leven te roepen en in die rij past Jezus. Wie herinnert zich hier niet het pleidooi dat Pinchas Lapide als religieuze Jood voor het geloof in de opstanding van Jezus gevoerd heeft? Sympathiek genoeg, maar dat betrof dan toch een opwekking uit de doden zoals de joodse traditie daar enkele voorbeelden meer van weet te noemen. Geen sprake van dat de Heiland in deze optiek de eersteling zou zijn van degenen die ontslapen zijn (1 Kor. 15:20). Eersteling degenen die ontslapen zijn, eerstgeborene uit de doden, dat wil zeggen dat God in de verrijzenis van Jezus nee, niet de voltooiing der schepping beslissend in gang heeft gezet' (zoals een eindje verderop gezegd wordt), want zo'n voorstelling laat ruimte voor een begin van verlossing dat door anderen voortgezet moet worden, (nog afgezien van het in dit verband onbijbelse woord 'schepping') - nee, de verrijzenis van Jezus Christus betekent de overwinning van zonde en dood in de wereld. En wie nu in deze levende Heiland gelooft, die is in principe aan deze twee geweldige machten ontheven. Dat is metterdaad het Koninkrijk Gods op aarde, in een 'reeds' en 'nog niet' tegelijk.
In de verdediging
In de brochure functioneert het bericht van' de opstanding echter heel anders. Juist omdat die opstanding niet in hef midden maar aan de rand van het Koninkrijk Gods plaats vindt, kan zij niet meer dan de verklaring (om niet te zeggen: het excuus) leveren voor het feit 'dat de gemeente daaruit. de conclusie getrokken heeft dat het Koninkrijk Gods reeds aanwezig is in deze wereld. Zij mocht dat zeggen, zo wordt verdedigend betoogd, zij had daar reden toe. Al zal het vervolg ons laten zien dat ook deze bestaansreden die aan de christelijke kerk gegund wordt, aan een strenge voorwaarde gebonden is. Want: "Christenen zullen zich (... ) moeten laten welgevallen dat door Joden hun tot aan dedag van God één vraag steeds weer wordt gesteld: wanneer jullie christenen zeggen dat het Koninkrijk van God al onder de mensen aanwezig is, waar dan? Want eerlijk is eerlijk, de directe verwachting van evangeliën en brieven is niet uitgekomen. "Wij hebben ons dus als christenen vergist. Tenzij,ja tenzij wij door een waarlijk messiaans leven het (gedeeltelijk) gekomen zijn van het Koninkrijk Gods toch kunnen bewijzen. Merkt u dat?! Christus is hier niet langer het kostbare pand van het Koninkrijk Gods, maar de bewijslast van de aanwezigheid van dat Koninkrijk is op de kerk komen te rusten. Geen geringe taak, na Auschwitz!