Wie is Christus?

1987-04-03
  • Jaargang 31
  • nummer 13
Er wordt tegenwoordig veel geschreven over de verhouding van joden en christenen. Velen proberen een brug te slaan, een geloofsbrug wel te verstaan. Het is aan één kant allemaal wel begrijpelijk. Wat in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, houdt veel mensen bezig. Er zijn christenen, die zich zelf beschuldigen mee verantwoordelijk te zijn voor de dood van miljoenen joden. Maar hoe kan men verantwoordelijk zijn voor iets; waaraan men niet heeft meegewerkt?
Steeds meer gaat de discussie zich toespitsen op de vraag wie Jezus is.
Zelfs wordt de vraag gesteld of het wel juist is wat staat in de belijdenis van Nicea, n.l. dat Jezus van hetzelfde wezen is als de Vader. In Elsevier van 28 december 1986 worden in een artikel een aantal meningen op een rijtje gezet. Christenen en joden moeten 'niet alleen oppervlakkig, maar ook , inhoudelijk, dus theologisch, tot een nieuwe verhouding komen'.
Duidelijk is, dat in deze benadering eigenlijk geen plaats is voor Jezus . als zoon van God. En dus moet de belijdenis op de helling. Die echter niet alleen. Ook de bijbel zelf is in het geding. Voor zover men nog erkennen wil, dat Jezus Gods zoon is, stelt men nadrukkelijk, dat dat niet betekent, dat het 'Zoon-zijn' gelijkgesteld is met 'ware Godheid'. De stellingen van Nicea moeten worden verlaten, omdat de formuleringen tot stand gekomen op deze concilies...dor, steriel en voor de hedendaagse mens onbegrijpelijk (zijn). Dit is duidelijke taal. De persoon van Jezus moet worden geneutraliseerd.
Van de Mensenzoon, die tevens Godzoon is, blijft weinig over. Jezus wordt tot een 'fenomeen', een belangrijke profeet, waarmee ook joden en moslims mee overweg kunnen.

Als Jezus op weg is naar Jeruzalem (Markus 10:32 e.v.), zijn veel mensen verbaasd en bevreesd. Ook voor de discipelen was Jezus vaak een vage figuur. Ze konden hem vaak moeilijk plaatsen,begrepen Hem niet. De verwachting klopte niet met de werkelijkheid. Wat de discipelen zagen was zo geheel , anders dan wat ze hoopten. Jezus is de vragen niet uit de weg gegaan. Hij heeft de moeiten van de discipelen gemerkt èn bespreekbaar gemaakt. 'Wie zeggen de mensen dat Ik ben?' (Markus 8:27).' Dat was en is de kernvraag. Hoe dachten en denken de mensen over de Christus. Maar Jezus beeft het bij die vraag niet gelaten. Heel concreet vervolgde Hij met de vraag: 'Maar wie zeggen jullie, dat Ik ben?' Het antwoord op die vraag is belangrijker dan het antwoord op de eerste vraag. Petrus. antwoordt meteen met 'Gij zijt de Christus'. Hij twijfelt niet, Jezus is de Beloofde!

De discussies omtrent de verhouding tussen joden en christenen zullen zich ten diepste rond de vraag van Jezus 'wie ben' Ik' moeten afspelen. Voor Paulus is Jezus 'de gekruisigde'. Het is opvallend, dat christenen zich met de gestelde vraag meer bezighouden dan joden. Als je in Jeruzalem bent, merk je dat meteen. In de oude stad is een christelijke wijk en 'een joodse wijk.
En er zijn joden, die in hun wijk beslist liever geen christenen zien. En als je vlakbij. de kerkhoven op de Olijfberg met een jood praat, dan vertelt hij je, dat ook hij graag op de Olijfberg begraven wil worden, want daar zal de Messias zich straks laten zien. Bij zijn komst of bij zijn wederkomst? Daar moet je niet te diep op ingaan. Maar je merkt: het gaat die man om de in het oude testament beloofde, die nog komen moet. Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? Wie zeggen jullie, dat Ik ben?
Op die vraag zullen we een christelijk antwoord moeten blijven geven. Niet alleen terwille van onszelf, maar vooral ook terwille van de joden. Zij zijn niet meer en niet minder dan christenen. Maar de weg tot behoud is voor allen dezelfde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief