Zoon van de timmerman
1987-04-10
Enkele jaren geleden mocht ik aanzitten naast de spreker van de dag, een arts die zich speciaal voor bejaarden inzet en die ons iets van zijn werk kwam vertellen. Om elk misverstand te voorkomen: ons gezelschap bestond allerminst uit bejaarden. De naam van de arts was Macintyre en uiteraard was dat een gepast thema voor een tafelgesprek.- Jaargang 31
- nummer 14
De eerste vraag was: "waar moet het accent van uw naam eigenlijk liggen? Men legt het accent wel op drie verschillende lettergrepen - wat is juist?"
"Dat hangt af van de hoofdletter", zei hij. "Wordt de M met een hoofdletter geschreven dan valt de klemtoon op Mac. "Wordt de I met een hoofdletter geschreven (Mclntyre), dan krijgt INtyre het accent."
"En verder?" - "Verder niets", was het antwoord.
"Maar wat denkt u dan van de theorie, dat uw naam verband houdt met Kintyre? In dat geval komt de klemtoon immersop TYre te vallen?" (U kent natuurlijk Paul McCartey’s lied "Mull of Kintyre" en Kintyre is het uitgestrekte schiereiland, dat in Campbeltown eindigt, terwijl Muil landtong betekent.)
De dokter kende deze theorie uiteraard; iedere Schot is zich van zijn familieafkomst trots bewust. Maar hij voelde er weinig voor. Een van zijn naamgenoten, die zich aan de MacDonalds wilde opvijzelen, had beweerd dat ene MacDonald op Kintyre gronden had bezeten en sindsdien zijn naam hiermee had verrijkt. De dokter geloofde er niets van: want een zoon van die MacDonald had gronden in Degnish verworven en toen deze naam ook nog aan zijn reeks toegevoegd. Eenmaal op dreef ging de dokter verder en vertelde een amusant familieverhaal.
"Mijn vader had een vriend, die zich graag beroemde op de oudheid van zijn clan. Vooral wanneer hij wat gedronken had en niet meer wist wat mijn vader hem zou antwoorden. Dat antwoord van mijn vader luidde namelijk: jou clan is nooit zo oud als de mijne - want de mijne komt al in de bijbel voor!"
Nu ligt het voor de hand dat de vader van dr Macintyre ook Macintyre zal hebben geheten, diens' vader ook, en zo nog een heel eind. Maar dat deze naam in de bijbel zou beginnen leek wel wat dubieus. Dus vroeg ik, wat de oorspronkelijke gaelic naam mocht betekenen?
In de Schots-Keltische taal schrijft men de naam Macintyreals 1Mac an t-Saoir en spreekt dat uit als Mèkkentoir. Dat zou 6etekenen: timmerman, of zoon van de timmerman.
Verder wist hij het niet, zei hij; want erg bijbelvast was hij niet. Toch bracht hij me op een denkbeeld: dit zelf opzoeken in de bijbel!
Want het woord timmerman komt diverse malen voor: bij Hirams bouw van Davids paleis, bij de tempelbouw van Salomo, bij de wegvoering naar Babel en bij de tempelrestauratie. Wat de dokter naderhand over zijn bejaarde patiënten verhaalde is me ontgaan - want ik zat al lang met Trommius' Concordantie te puzzelen.
Thuisgekomen bleek me dat de oude Tromnius op 12 plaatsen in de bijbel het woord timmerman heeft gevonden. Het, loonde de moeite, ze alle op te zoeken en er de gaelic bijbel op na te pluizen. Een gaelic bijbel heb je hier in huis voor je 't weet, al is het maar uit de kerkelijke rommelkast in de toren: een B’iobull uit 1888.
Het begin stelde even teleur. Jeremia (24 en 29) gebruikte een ander 'Yoord dan saoir. Ook 2 Kon. 24 leverde niets op. Maar bij Hirams bouw (2 Sam. 5 en 1 Kron. 14) kwam inderdaad voor agus saoir: en timmerlieden". Bij 2 Kon. 12 en 22 zelfs saoraibh, waarschijnlijk een van de zes naamvallen van dit woord. En Jesaja, sprekende over afgodsbeelden (44), zegt an saor, de timmerman. Bij het onderhoud van de tempel (2 Kron. 24) staat weer saoir(Saoir is het meervoud van Saor).
Het bewijs was geleverd. De naam Macintyre (Mac an t-Saoir) komt in de bijbel herhaaldelijk voor. Het allermooist natuurlijk in het evangelie:
Matt. 13:55: Nach e so mac an t-saoirï.
Is hij niet zoon van de timmerman?
en
Marc. 6:3 Nach e so an saor, mac Mhuire?
Is hij niet de timmerman, zoon van Maria?
Voordat u denkt dat uw schrijver zich intussen het gaelic heeft aangeleerd moet ik u teleurstellen. Deze taal is voor buitenstaanders ontzaglijk moeilijk te leren. Eerst omdat ze zes naamvallen kent, als het latere Latijn voorts omdat de schrijfwijze sterk variabel is, afhankelijk van de oudste manuscripten, die zich fonetisch trachtten uit te drukken. Dan omdat op diverse eilanden en in verschillende districten het gaelic apart-dialectisch wordt gehanteerd; om maar te zwijgen van het Iers en Welsh. Maar als men hier 10-20 jaar komt en woon! kan men een paar honderd woorden toch niet ontlopen.
En een van de merkwaardige dingen moet u .zien: dat' "van Maria" wordt uitgedrukt in de letter h, die in Muire (spreek uit Maira) wordt ingevoegd. Deze letter beduidt namelijk de genetief, de tweede naamval. Maar als ergens een tweede naamvals-h wordt ingevoegd, betekent dit, dat de volgende letter toonloos wordt: de u vervalt dus.
Verder haalt uw schrijver veel uit de overvloedige Schotse litteratuur' onder meer de clanboeken. Die clanboeken vertellen meer dan de dokter deed. Bijvoorbeeld dat de Macintyres als wapen hebben: een opgeheven rechterhand, waarin een skean dhu met een sneeuwbal erop geprikt; een skea dhu is letterlijk zwart mes, het wapen dat elke kilt-dragende Schot in zijn rechter kouseband steekt. En het motto van de Macintyres luidt "Per ardua", blijkbaar een afkorting 'an per ardua ad terrent, door de moeilijkheden naar de sterren. De wapenspreuken herinneren hier aan de Romeinse overheersing in vroege eeuwen.
De clanboeken zeggen nog meer. Dat de Macintyres zo veelzijdig zijn, geweest. Er waren houtvesters; houthandelaars, timmerlieden, aannemers van die naam - maar evenzeer hofpijpers, barden en zelfs woonde vroeger in onze parochie een bekende Macintyre, die kousen en kousenbanden weefde. In ons kerkje hangt een marmeren plaat, die herinnert aan een predikant Joseph McIntyre, die hier van 1764 tot 1823 gestaan heeft. Jawel, 59 jaar op dezelfde plaats. Volgens onze timmerman (natuurlijk ook weer een Macintyre) zouden alle mensen van deze naam timmerlieden zijn - maar dat is waarschijnlijk een woordspeling. Zelf is hij, behalve timmerman-aannemer, ook de bagpiper van de streek, en heeft uw schrijver een tijd les gegeven.
Tenslotte nog iets over de barden - mag het even?
Er zijn twee beroemde Macintyres geweest, die barden waren: historiezangers. De eerste is in 1496 onder bescherming gekomen van William, de 13de chief-clan van MaèKintosh, een kleine vorst. Vorsten hadden altijd veel op met barden, want deze waren de sprekende historici van een volk, dat sterk verbonden leeft met zijn verleden. Dat leven met het verleden was ook in de bijbel bekend.
Jeremia had een schrijver. De farao's van Egypte hadden een schrijver, die naast zijn knie stond als de man gebeeldhouwd werd. Koning Ahasveros, die blijkbaar zelf niet kon lezen, liet zich in een slapeloze nacht uit 's landskronieken voorlezen.
En het kennen van de voorgeslachten was bij zulke volkeren ook een zaak van levensbelang. Denk aan koning Caradoe van Silurië, die zijn afstamming over 35 generaties (elf eeuwen!) kon aantonen door middel van zijn barden. Hetgeen vergeleken mag worden met de afstammingslijsten der Israëlieten: denk maar eens aan de Levieten die, uit Babel terugkomend, hun 'afstamming niet konden bewijzen; Ezra heeft hen uit de tempeldienst geweerd!
De tweede beroemde bard Macintyre was een man uit duizend. Een, waarover een reeks artikelen kon worden geschreven. Zijn voornaam was Duncan Ban, hij woonde 200 jaar geleden in Dalmally, leefde als schaapherder en hertenjager, liet 6000 regels Keltische poëzie van het allerschoonste soort na, en vanaf zijn bureau ziet uw schrijver uit naar 'n inspirerend monument op de heuvelkim aan de overkant. Ook deze man was, als zijn Heihind, een "zoon van de timmerman". U hoort meer van hem.