Pastorale Notities
1988-06-17
Vriendelijkheid in het ik-tijdperk- Jaargang 32
- nummer 24
Het zonnige stukje aardbodem waar mijn vrouwen ik al jaren lang een paar voorjaarsweken doorbrengen, wordt ook veelvuldig bezocht door invalide landgenoten.
Voor het merendeel zwaar gehandicapten, die zich in een invalidewagentje voortbewegen, of zich door hun partner in een rolstoel moeten laten duwen.
Het is een lust om te zien hoe zij vaak door andere gasten met vriendelijkheid worden omgeven.
Dat is voor mij ook een zaak van verwondering.
Verbeeld ik mij dat nu, dat dit soort vriendelijkheid de laatste jaren sterk is toegenomen? Ik heb mij ook vele malen en op vele wijzen laten zeggen dat wij nu in het grote ik-tijdperk leven en eerlijk gezegd houd ik er niet van om een tijdperk zo 'n etiket op te plakken.
Ik heb het gevoel dat het allemaal veel gecompliceerder is en dat een tijd nooit alleen maar boos is.
Ik vermoed dat al het afschuwwekkende dat mensen. elkaar in deze tijd aandoen bij weer andere mensen een weerslag oproept. Uit pure afkeer van wat zij in hun wereld zien en horen mobiliseren ze alles wat zij nog in zich hebben aan vriendelijkheid en meeleven, om er hun hulpbehoevende medemens mee te omringen.
Dusdoende namen zij afstand van het kwaad van hun tijd.
Zij willen daar part noch deel aan hebben.
Dat is dan wel geen vriendelijkheid die een christelijke wortel heeft, maar daarom zal onze Vader in de hemel er Zich toch wel om verblijden, denk ik.
Nu heeft deze vriendelijkheid van de buitenstaander een merkwaardig gevolg voor onze christelijke vriendelijkheid, die naar het apostolisch bevel aan alle mensen bekend moet zijn.
Gedachtig aan dit woord nemen mijn vrouwen ik ons ook wel eens voor, aan een invalide wat aandacht te schenken.
Dat is toch al een moeilijke zaak want onze aandacht kan zo opzichtig zijn dat het alleen maar pijnlijk is voor de ander.
Maar daar komt nu een moeilijkheid bij.
Als u maar niet denkt dat het zomaar gaat!
Het kan je overkomen dat je met iemand in een rolstoel een praatje wilt maken en dat hij al omstuwd wordt door mensen met eenzelfde voornemen. Je wilt wat vriendelijkheid betonen, maar er is een lange rij wachtenden voorje.
Ik wil dat apostolisch bevel niet naast mij neerleggen, maar ik wil er wel op wijzen dat wij geen al te hoge verwachtingen moeten hebben van het effect van onze vriendelijkheid. Het christelijk geloof laat er zich niet mee legitimeren omdat de niet-christenen ons in veel gevallen al voor zijn geweest.