Het evangelie van Jezus Christus: Niet voor de Jood, alleen voor de Griek? (3)
1987-04-17
Land en staat- Jaargang 31
- nummer 15
Het jongste gereformeerde geschrift over de verhouding tussen de Kerk en de Synagoge probeert ook leiding te geven aan het christelijk denken over het land en de staat Israël. Dat gebeurt in een afzonderlijk hoofdstukje, het zevende, dat getiteld' is 'Israël: volk, land en staat! De schrijver ervan is opnieuw dr S. Schoon. Hij signaleert op pag. 52 globaal vieropvattingen zoals die door. christenen met betrekking tot het land aangehangen worden, De eerste opvatting zegt dat het land vervangen is door Christus.
In Christus is de 'belofte van het land universeel geworden en vergeestelijkt.
De tweede opvatting wil ieder nadenken over het land en de staat Israël vrij houden van godsdienstige ideologieën. Dan in de derde plaats is er .het tegenovergestelde standpunt volgens hetwelk de terugkeer van de Joden naar Palestina een onderdeel is van Gods eindtijdplan. En tenslotte volgt de mening waartoe dr Schoon zich bekent dat het 'land en de staat tekenen zijn van Gods trouw aan zijn .volk, zonder dat daar op een openlijke of verborgen wijze de voorwaarde van bekering tot Christus aan verbonden zit. Het kan bekend zijn dat ik mij het meest door de eerste opvatting aangesproken voel. Net als dr Schoon zie ik echter ook waarheidelementen in model 2.
Scheiding van kerk en staat
Dr Schoon heeft wel gelijk als hij zegt dat er bijna geen heter hangijzer is aan te wijzen in de theologische discussies dan het thema van land en staat.
Waarom is dat eigenlijk zo? Volgens mij omdat het verschijnsel van de staat Israël volkomen in strijd is met het algemeen aanvaarde beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. De staat Israël is daardoor iets even moeilijks als Vaticaanstad: wat is het nu, kerk of staat? Vlees of vis? Het is, waar dat de scheiding tussen kerk en staat ook op het jodendom in de verstrooiing al vastloopt omdat dat immers ook tegelijk een natie en een godsdienst wil zijn,' maar sinds de stichting van de staat Israël in 1948 heeft deze moeilijkheid zich verhevigd. Natuurlijk, je kunt dat beginsel van scheiding tussen kerk en staat relativeren en zeggen dat het net als, de democratie een typisch westerse verworvenheid is; dat de wereld van de islam er weinig kaas van gegeten heeft zodat de staat Israël wat dat betreft in die wereld past; dat, tenslotte, de schriftuurlijke basis van dat beginsel volgens veel christenen die meer theocratisch denken, niet zo vast staat. Alles tot je dienst, maar je moet beginnen te analyseren waar de schoen precies wringt: dat als je op allerlei gebied' dat beginsel van die scheiding bedenkingsloos toepast, je natuurlijk niet waar het om de staat' Israël gaat, opeens een uitzondering kunt gaan maken.
De schaamte en haar grens
Ben ik dan tegén de staat Israël? Ik maak deel uit van een Europa waaruit de Joden na de grote verwoesting (de Sho'a) zijn weggevlucht naar Israël. Ik schaam mij er diep voor dat zij het onder ons .niet langer konden uithouden. Hoe kan ik mij dan tegen de staat Israël uitspreken? Toch is schaamte een slechte raadgeefster in dingen die echt problematisch zijn. Als ik die schaamte niet had, zou ik vrijuit zeggen dat ik de staat Israël niet zie zitten, evenmin als Vaticaanstad. Ik houd er dan ook rekening mee dat het experiment Israël even tijdelijk zal zijn als eertijds de Kruisvaarderstaten in die regio. En dat enkel en alleen omdat volgens mij de gedachte erachter in onze tijd geen levensvatbaarheid heeft. De scheiding tussen kerk en staat zie ik als een noodzakelijk voortvloeisel uit het evangelie zelf en daaraan tomen is m.i.
even onzinnig als het proberen terug draaien van de geschiedenis. , Evenwel, de staat Israël is er. En daarom moet hij een reële en een royale kans krijgen. Dat brengt mij tot, het tweede standpunt in de reeks van dr Schoon: de seculiere en strikt volkenrechtelijke benadering. Nu' Israël zich gevoegd heeft in de rij 'van volkeren en staten heeft het precies dezelfde rechten en precies dezelfde plichten als alle, anderen. Uitzonderingen daarop kunnen niet worden toegestaan. (Tenzij in bijkomstigheden zoals in Vaticaanstad, maar dan heeft men voor de Andorra-variant' gekozen die niemand serieus behoeft te nemen.) Aanspraken bijvoorbeeld op territorium kan Israël op geen enkele wijze hard maken met behulp van religieuze argumenten. Dat is volstrekt uit de tijd.
Toch de verstrooiing?
Is de staat Israël de oplossing voor het probleem van het galoet (de verstrooiing), dat is eigenlijk mijn vraag. Gesteld nu eens dat het experiment Israël toch mislukt, wat dan? Terwijl ik dit schrijf, besef ik dat ik bij sommige medechristenen welhaast blasfemisch moet over komen door alleen die mogelijkheid te opperen. Maar wat dan te denken van de vele Joden die Israël' weer verlaten omdat zij toch', toch de voorkeur aan de verstrooiing geven? Kennelijk trekken zij zich van christelijke ideologieën niets aan, en je kunt ze dat niét kwalijk nemen. Ik vind op z'n minst dat wij aan een geestelijk. klimaat moeten werken waarin zij willen terugkeren.
Wie overtuigd is van de juistheid van het. beginsel van de scheiding tussen, kerken staat, die móet rekenen met de mogelijkheid dat de staat Israël te eniger tijd weer verdwijnt en die moet zorgen dat 'alsdan de verstrooiing , voor de Joden een goed alternatief is. Daarbij zullen die periodes van de geschiedenis kunnen inspireren waarin de Joden het onder ons goed hadden, want het is niet alles vervolging en pogrom geweest zoals de tegenwoordige schaamte ons voorschrijft te denken.
De landbelofte
Maar de landbelofte dan? Zoals ik al zei ben ik een aanhanger van de gedachte dat de belofte van' het land in Christus universeel geworden en vergeestelijk is. Wordt in het Oude Testament aan Abraham de belofte van het land Kanaän gedaan (Gen. 12:7), in het Nieuwe Testament schrijft Paulus dat diezelfde Abraham de belofte had "dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn" (Rom. 4:13). En wordt in het Oude Testament aan het vijfde gebod de belofte toegevoegd: opdat de dagen verlengd worden in het land dat de HERE uw God u geven zal" (Ex. 20:12), in het Nieuwe Testament geeft Paulus deze belofte aldus weer: "...opdat het u welga en gij lang leeft op aarde" (Ef. 6:3). Het staat op grond van deze en andere plaatsen voor mij vast dat wij als christenen niet naar een bepaald land moeten kijken als naar een bijzonder gezegende of geheiligde plek. Door de herinnering geheiligd; dat kan nog. (In die zin zijn er ook voor mij heilige plaatsen, in en buiten Palestina). Maar daarmee moet 't ophouden, is mijn mening.
Het Nieuwe Testament' in het Oude
Toch nog graag een aanvullende opmerking hierbij. Wanneer ik namelijk Oude en Nieuwe Testament vergelijkenderwijs tegenover elkaar stel zoals ik zo even deed, kan ik daarmee wel de schijn wekken dat voor mij het Nieuwe Testament haaks op het Oude staat. Dat echter niet het geval.
Ik zie in het Oude Testament zelf al 'n tendens naar uitbreiding en vergeestelijking van de landbelofte, zodat het Nieuwe Testament de kroon zet op een reeds vroeg begonnen ontwikkeling.
Inhet algemeen is het goed op te merken dat de grote overgang van ' het Oude naar het Nieuwe Testament, in het Oude Testament zelf reeds op vele wijzen wordt voorbereid. In mijn vorig artikel gaf ik daar ook al een voorbeeld van toen ik duidelijk probeerde te maken dat de scheiding tussen kerk en synagoge een voorgestalte heeft gehad in het uiteengaan van Efraïm en Juda. Het Nieuwe Testament begint in zekere zin al in het Oude en juist dat maakt de overgang 'van Oud' naar Nieuw zo overtuigend.
Enkele teksten
Welnu, ook bij dit punt: uitbreiding en vergeestelijking van de landbelofte, wil ik weer een dubbele aanhaling uit het Oude Testament geven welke die tendens zichtbaar maakt. Het gaat om een woord uit Deuteronomium dat door Nehemia in zijn memoires wordt aangehaald. "Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Here uw God zal u vandaar bijeen brengen en vandaar halen, de Here uw God zal u brengen naar het land dat uw vaders bezeten hebben ... " (Deut. 30:4,5). Zoals men ziet, is dit één van de bekende profetieën die door de Israël-ideologen van vandaag met klem naar voren worden gehaald: Kijk aan, dit gebeurt vandaag! Maar let nu op hoe Nehemia dit woord aanhaalt: "al waren uw verdrevenen aap het einde des hemels, Ik zal hen vandaar vergaderen en hen brengen naar de plaats die Ik verkoren heb om daar mijn naam te doen wonen"(Neh. 1:8, 9). Het land is hier geworden tot de plaats, dat wil zeggen: de stad Jeruzalem, wat helemaal aansluit bij de situatie van na de ballingschap toen Israël slechts Jeruzalem en omstreken in herbezit kreeg.
Dit is geen uitbreiding maar inkrimping van de landbelofte, zegt iemand.
Precies, het land dat de Here God voor Israël had uitgezocht, concentreerde zich in Israëls geschiedenis gaande weg meer in de plaats, die Hij zich verkoren had ter woning van zijn naam. Met deze inwaartse beweging ging echter tegelijk een uitwaartse gepaard volgens welke het land zich verwijdde tot de wereld.
Ook daarvan nu een voorbeeld uit de tijd na de ballingschap en wel psalm 105.
Deze psalm houdt zich bezig met de belofte van het land en de trouw van de Here God in het nakomen ervan (vss 8-11). Typisch genoeg echter worden dan ten bewijze daarvan enkele situaties behandeld waarin Israël niet in het bezit van het land was maar integendeel de positie van vreemdeling innam. Toch ontbrak het Gods volk toen aan niets, terwijl de Egyptenaren, de landbezitters bij uitstek, geen enkel profijt van hun bodem hadden. De psalm gaat zover dat hij aan het eind zegt dat de Here God aan Israël de landen der volken gaf (vs 44). In die zin namelijk 'gaf dat 'zij de arbeid der naties beërfden, zoals verklarend wordt toegevoegd. Dat past uitstekend op de feitelijke situatie van de verstrooiing waarin de meeste Israëlieten ten tijde van deze psalm zich bevonden. Israël heeft geloofd dat de landbelofte tegen die verstrooiing ruimschoots was opgewassen. Geestelijk zagen zij die belofte ook toen in vervulling gaan. In het feit namelijk dat zij overal konden leven.
Het gereformeerde
standpunt Een kon centrering dus van de landbelofte in de stad Jeruzalem en een verwijding ervan tot de aarde, of met andere woorden: de landbelofte is, reeds in het Oude Testament een belofte 'urbi et orbi' geworden, een toezegging voor de stad' en voor de wereld.
De term 'urbi et orbi' komt uit het roomse gedachtengoed. De paus geeft van tijd tot tijd de zegen die deze naam draagt. Het is heel typerend voor de roomse kerk dat zij, wat de urbs, de stad, betreft in dit voorlaatste stadium van de landbelofte is blijven hangen. Het voorlaatste stadium inderdaad, want het Nieuwe Testament is gekomen en heeft gezegd: die urbs die stad, dat Jeruzalem, is boven, waar Christus is, en niet in Rome waar de 'paus is. Maar die orbis, die wereld, dat ziet Rome goed. Christus regeert vanuit de hemel zijn wereldwijde volk dat bestaat uit Joden en niet-Joden en in beginsel stelt Hij hen de gehele aarde ter beschikking, Zij bezitten die nog niet maar zij genieten er wel het vruchtgebruik van. Zie hier de gereformeerde opvatting van de landbelofte. Maar in het gereformeerde geschrift dat we nu bespreken is die opvatting niet te vinden.