Het liedboek
1987-04-17
Lied 403- Jaargang 31
- nummer 15
Op grond van verschillende gegevens kan worden aangenomen, dat de oorspronkelijke dichter van dit Lied (Albrecht, de hertog van Pruisen, in 1523 overgegaan tot de Reformatie) hier een stuk proza van Luther heeft berijmd. Dit lied is eigenlijk Luthers 'uitleg bij de derde bede van het Onze Vader. "De laatste strofe is niet van de hertog, maar een toevoeging, zij het uit dezelfde tijd". (Comp. p. 913).
Ook van dit lied geldt dat het weliswaar een persoonlijk karakter draagt, maar toch goed in het gemeenschappelijk geloven en belijden past. Enig bezwaar zou kunnen zijn de. nogal vlakke uitdrukking in strofe 1, 2e regel "Zijn wil is steeds de beste". De prachtige melodie is algemeen bekend uit de Matthäus-Passion van Bach. Bij het zingen moet de ritmiek wel goed de aandacht hebben.
Tekst: 3; melodie:3.
Lied 404
"Het boeiende aspect van dit Lied is dat het zo sterk de nadruk legt op het leven met de naaste, De inzet is wat vreemd, het woord klagen suggereert dat er een boetelied volgt, maar dat is niet het geval. Wat de dichter vraagt is een recht geloof dat bevestigd wordt in een rechte levenswandel en leidt tot de zaligheid. Wij moeten, zo schreef de dichter Agricola, de evangeliën in de vorm van gezangen "net als het Onze Vader" 'uit het hoofd leren, er in geloven, ernaar handelen en zo tenslotte zalig worden". (Comp, p. 915). De melodie is mooi, niet moeilijk, maar vooraf oefenen lijkt wel gewenst.
Tekst: 3; melodie 3.
Lied 405.
Zowel naar inhoud als t.a.v. taal en stijl is dit Lied o.i. niet bruikbaar. Wat de inhoud betreft ,draagt het een te subjectief, te persoonlijk karakter, hetgeen overigens niet te verwonderen valt wanneer we bedenken dat het ontstaan is in een tijd dat de Doopsgezinden in de situatie van het martelaarschap verkeerden: "er komt onwillekeurig een zwaar accent te liggen op de eigen daad en het ethisch motief, (inzet van strofe 3),. zoals de Mennonieten dan ook zeggen konden, dat zij zich lieten dopen; waar dat niet bewust gebeurd was, had het geen geldigheid". (Comp. p. 918). Taal en stijl zijn te oud: ,,O Heer, laat mij Uw Geest ontvaän", (strofe 1); "mijn leven was afgrijselijk, de duivel diende ik zeer vliiteliik". (strofe 2): Hij ontvangt Zijn kinderen blijdelijk" (strofe 4); "door dood ten leven ingegaan zal u geen leed meer komen aan (strofe 7 ). De melodie is goed, een der zeer geliefde uit de doperse liederenschat. Tekst: 1; melodie. 3.
Lied 406
De' inhoud van dit Lied wordt gekenmerkt door een zeer eenzijdige benadering van de liefde, waarbij het uitgangspunt een enigszins mystieke inslag heeft: "U heb ik lief, mijn God en Heer" . Voorts wordt sterk benadrukt dat "de liefde tot God de liefde is tot Jezus, de gekruisigde, gewekt door de liefde van de Gekruisigde. Deze liefde zonder vrees of hoop laat zich niet opleggen of prediken, alleen maar uiten op een zeer persoonlijke manie! (wat de gezamenlijkheid niet uitsluit), De consequentie van' het verlost zijn van. vrees voor "hellesmart'" zouden wij kunnen vinden bij Paulus, die (Rom. 9:2) de godverlatenheid zou willen trotseren, terwille van zijn volk. Bij Paulus vinden wij trouwens wel meer uitingen diè ondertoon zouden kunnen zijn van dit lied, te denken valt bijvoorbeeld aan Fil. 3: 10", aldus de dichter-vertaler. (Comp, p. 924). ' De melodie is eenvoudig en goed.
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 407
Taal en stijl van dit Lied zijn helaas niet zodanig dat het gemakkelijk ingang zal vinden inde kerkzang. Sommige uitdrukkingen zijn nogal vlak: Wat is de wereld ongewis" (strofe 1) ,,O Gij die nooit een mens bedroog'; (strofe 3). Een enkele maal loopt de zin niet vanwege een voorgeschreven rust in de melodie: "Buiten immers is er geen –(rust)- grond waar ik op kan bouwen. (strofe 1). Vergelijking met het orgmeel toont duidelijk aan dat de tekst van deze laatste directer aanspreekt en meer inhoud heeft, dus belangrijk beter IS; Door de te vrije bewerking blijft dit lied beneden de maat van een goed kerklied. Daarbij kan dan de opmerking van de bewerker met buiten beschouwing blijven, waar deze opmerkt: "Of het in onze tijd, waarin. het 'persoonlijk' geloof zozeer in diskrediet is geraakt, veel toekomst heeft, waag Ik te betwijfelen". (Comp. p. 926). "De melodie, die tot de meest grootse van het Liedboek behoort, treedt (bijna buiten de oevers van het kerklied en is op weg kerkmuziek te worden" (Cornp. p. '927). De mooie melodie is in 't bijzonder wat het ritme betreft niet gemakkelijk en daardoor lijkt instuderen met behulp vaneen koor wel gewenst.
Tekst: 1; melodie: 2 (vanwege de moeilijkheid)
Lied 408
Beoordeling van inhoud, tekst 'en stijl van dit Lied levert in vergelijking met het vorige een beter resultaat op. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat er een nauwere band bestaat met het origineel, al geeft de oorspronkelijke tekst nog. wel enkele aanwijzingen voor verbeteringen. Zo luidt b.v. de tekst van strofe 1: "dankzeggen... want goed zijn alle dingen die wij van Hem ontvingen", waar het origineel luidt; "danksagen für alle Seine gaben, die Wir empfangen haben". Het is niet in te zien waarom de Nederlandse tekst ook niet zou kunnen luiden: "dankzeggen ... voor alle goede dingen die wij van Hem ontvingen". Voorts kan een vraagteken geplaatst worden bij het woordje "want" als begin van strofe 2. Niet mooi is het slot van strofe 4: "Bij U, 0 God bezitten wij schatten ongeweten".
De melodie is prachtig en is zowel door Buxtehude als door Bach in cantates verwerkt. Tekst:2; melodie 3.
Lied 409
Dit in Duitsland en in de Nederlands Lutherse kerk veel gezongen. Lied is in de kringen van de Boheemse Broeders, van waaruit het oorspronkelijk stamt, aangeduid als "ein Lied von der Christlichen Kirchen". Het is een lied vol vast vertrouwen tot troost en bemoediging.
De jubelende melodie is zeer goed passend bij de tekst.
Tekst: 3; melodie:3.
Lied 410
Het oorspronkelijke Duitse gezang waarvan dit Lied is afgeleid was "een tafelzang, bedoeld als dankgebed na de maaltijd": Als zodanig is het wel bruikbaar, maar in de eredienst zal het geen bijzondere plaats innemen daar het geen speciale gedachte~ daar!lan toe voegt. Taal en stijl laten wel iets te wensen over: "zingen wij van harte zeer", (strofe 1); "Bidden wij de Geest om licht, om het innerlijk gezicht, dat wij het toch recht verstaan en Gods woorden nemen aan" (strofe 2). Daarbij rijst dan nog de vraag wat de betekenis is van de zin: "dat wij het toch, recht verstaan". De melodie heeft een bijzonder opgewekt karakter.
Tekst: 2; melodie 3.