De opgestane Heer
1987-04-24
"Jezus zeide tot Maria: Houd MÜ niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader,' maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God". (Joh. 20:17) - Jaargang 31
- nummer 16
Op het eerste gezicht lijkt het wel, alsof Jezus na zijn opstanding uit de doden veel minder vriendelijk voor zijn discipelen was dan voor die tijd. Neem nu de tekst die hierboven staat. Als Maria van Magdala uiteindelijk de Here Jezus herkend heeft, valt ze voor Hem op de grond, grijpt zijn voeten en roept: .Rabboenil Meester!". Dat is toch zuiver uit eerbied en liefde voor haar Heiland. Maar Jezus zegt: "Houd Mij niet vast". " Er zijn meer voorbeelden. Thomas roept uit, wanneer ,hij Jezus' wonden getast heeft: "Mijn Here en mijn God". Maar het antwoord klinkt haast als een verwijt: "Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij,.die niet gezien hebben en toch geloven". En nog een voorbeeld: als de Emmaüsgangers Jezus herkend hebben, staat er onmiddellijk bij: "En Hij verdween uit hun midden". Vanwaar is dat?
Leven uit het geloof
We zijn helemaal op de verkeerde weg, wanneer we hier onvriendelijkheid van Jezus in zien. Het tegendeel is juist het geval. In de woorden tot Maria die boven aangehaald zijn, vinden we de sleutel om te begrijpen waarom Jezus nog veertig 'dagen (tussen Pasen en Hemelvaart) op aarde geweest is. Wat Jezus nog te doen had op aarde, toen het hoogtepunt - zijn opstanding - al achter de rug was.
In die veertig dagen heeft Jezus namelijk zijn leerlingen voorbereid op de tijd, dat, ze zonder zijn lijfelijke aanwezigheid toch verder. zouden moeten. Op de tijd, dat ze als gemeente uit het geloof in Hem moesten leven. Dat deed Jezus op drie manieren:
a. door hen persoonlijk te sterken in het rotsvaste geloof, dat Hij waarlijk opgestaan was uit de doden,
b. door hen te leren, dat ze deze boodschap verder moesten dragen, denk bijvoorbeeld aan het zendingsbevel, en
c. door hen ervan te overtuigen, dat ze ook ná de Hemelvaart voluit gemeenschap met Hem zouden hebben.
Denk aan de woorden: "Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God".
Zo is het woord tegen Maria: "Houd Mij niet vast" door Jezus gesproken als een liefdevolle hulp in het geloof. Om Maria te helpen op weg naar een nieuwe vorm van geloven. Van geloven in de opgestane Heer, die in de hemel zit aan Gods rechterhand. En daarmee is het bovenal hulp voor ons als gemeente, om vandaag vast en zeker te geloven in Hem, die op de troon zit. Is het niet zo, dat wij dat verlangen van Maria ook kennen? Als we Hem nu maar eens in ons midden hadden, Hem vast konden houden. Het is die bekende jaloezie op de mensen van Jezus' tijd: zij zagen Hem tenminste! Bij zijn verschijning aan Maria maakt Jezus nu haar en de discipelen duidelijk, dat ze daar van af moeten. Met de vriendelijke heenwijzing erbij, dat het nog veel rijker zal zijn, als Christus bij de Vader is. "Mijn Vader en uw Vader", zegt Hij. Dat is toch een enorme rijkdom? Christus zit aan de rechterhand van uw Vader, zo mag u het zeggen!
Unaniem getuigenis
Als we lezen over de verschijningen van Jezus in de veertig dagen tot aan zijn Hemelvaart, mogen we daar wel eens aan denken. Hij was maar niet bezig met het privégeloof van zijn vrienden, maar Hij heeft er zorg voor gedragen, dat de apostelen een unaniem getuigenis zouden geven: ja, Hij leeft". En zo heeft Hij in de veertig dagen het fundament gelegd voor dat unieke feit, dat zijn eenmalige opstanding nog steeds zo krachtig werken kan in het leven van miljoenen christenen.
U kunt daarbij denken aan 1 Petrus 1:3 en 8. Petrus looft eerst de barmhartigheid van God de Vader, die "ons door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop". Als je je afvraagt, wat hij daarmee bedoelt, dan kom je bij dat geweldige moment, toen Petrus met Johannes bij het lege graf stond. Met in zijn hart een hoop, die gestorven was. Maar de opgerolde doeken en de windselen, stille getuigen van het wonder dat gebeurt was,' werkten in hem de wedergeboorte tot een levende hoop. De oude Petrus stierf, een nieuwe stond op: Als je dat leest, zeg je: ja, Petrus is wedergeboren. Maar hij zei toch, dat Gpd "ons" heeft doen wedergeboren worden? Maar doordat Petrus en de andere apostelen hun ervaringen niet als een kostbaar geheim voor zich gehouden hebben, maar als unaniem getuigenis doorgegeven, daarom kan hij zeggen: "Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te Zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke vreugde". Zo mag het zijn, dankzij de verschijningen van de opgestane Heer; de apostelen zijn onze ogen en oren, en zo werkt God in ons, die door hun woord geloven!