Marcus II, serie "Tekst en Toelichting"

1987-05-02
  • Jaargang 31
  • nummer 17
Ongetwijfeld hebben we hier in de eerste plaats te maken met een theologische interpretatie van het gebeuren in het verleden en in veel mindere mate met een nauwkeurige historische beschrijving.” Ondanks Den Heyers eerste woord “ongetwijfeld” is die uitleg voor mij niet op voorhand aanvaardbaar! Wil ik de schrijver geen onrecht doen, dan moet ik echter ook pagina 101 aanhalen. Na te hebben geconstateerd dat in de tekst van Marcus het word “geselen” of “geseling” herhaaldelijk voorkomt, merkt hij op: “merkwaardigerwijs is daarover niets te lezen in de vroeg-joodse literatuur. Dit zwijgen behoeft overigens nog niet te betekenen dat het Nieuwe Testament op dit terrein historisch onbetrouwbaar zou zijn. Het is ook mogelijk dat in het rabbijnse Jodendom het geselen niet meer voorkwam..” De gedachte dat je het “historisch al-of-niet-betrouwbaar-zijn” van het Nieuwe Testament moet staven met beroep op de rabbijnse literatuur doet bij mij wel de vraag rijzen hoe de schrijver de canoniciteit van de Schrift grondvest.
Dat dat niet gezocht is, vind ik ook te signaleren aan het einde van het boek. Na zijn constatering dat het evangelie van Marcus "geen triomfantelijk evangelie" is, maar vooral spreekt over Christus' lijden en dood, vervolgt Den Heyer: "N a de ruime aandacht voor het lijdensverhaal valt het op dat Marcus het gebeuren van de opstanding opnieuw in een paar zinnen vertelt. Hij eindigt zijn evangelie heel vreemd: 'En zij gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf, want zij beefden en waren buiten zichzelf van ontzetting, en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.' (Mar. "16:8) Hoeveel moeite men van oudsher met dit slot heeft gehad; blijkt" overduidelijk (cursivering van mij, PJvK) uit het feit dat iemand al heel spoedig een ander slotverhaal heeft toegevoegd. (Mar. 16:9-20) Men kan het evangelie niet' eindigen met zulke woorden vol schrik en ontzetting!" (167, 168). Ik ben ook van de juistheid van deze uitleg niet overtuigd. Vragen heb ik ook bij uitspraken als de volgende: "Het behoeft nauwelijks betoog dat Marcus 9: 1 de exegese altijd weer voor grote moeilijkheden heeft geplaatst. In de context van het evangelie is dit woord vol toekomstverlangen met vreemd, maar wat moeten wij die bijna tweeduizend jaar later leven met. teksten die, uitdrukkelijk spreken over de spoedige komst van het Koninkrijk van God of van de Zoon des Mensen ... De oude wereld draait nog steeds en het· Koninkrijk blijft nog uit. Heeft Jezus zich vergist? Mensen die hopen op de komst van het rijk van gerechtigheid en vrede leven altijd. weer in een gespannen verwachting. Zij kunnen niet lijdzaam afwachten en hebben moeite hun ongeduld te bedwingen. Zo leefde ook Jezus en wat dat. betreft was Hij mens, zoals wij. En roept Hij ons op zijn volgeling te worden. Ondanks alles te blijven hopen op de komst van het Koninkrijk van God." (17) , Al zegt bij het commentaar op Marcus 13 (p. 114) de schrijver ook heel duidelijk dat: "De Vader blijft de enige God ... Hij alleen weet wanneer het einde van de wereld realiteit zal worden.
De geschiedenis blijft in zijn handen", toch heeft zijn Schriftvisie trekken die mij niet voldoen en ik ook niet ech tgereforméérd acht, in de zin die ik aan dat woord geef. De invloed van de, Joodse traditie als appèlgrond vind ik ook te sterk. Dat alles neemt niet weg dat ik véél, zeer veel, interessants heb gevonden in het boek. Als voorzichtig recensent waag ik me niet aan de uitspraak datje de meeste dingen al of niet ook in andere commentaren kan aantreffen; dat heb ik niet proberen uit te zoeken. Het boek, dat f 25,50 kost, biedt in vele opzichten waar voor zijn geld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief