Aan diggelen

2007-11-23
  • Jaargang 51
  • nummer 23
‘Die moeten gehecht worden’, zegt de verpleegkundige. Ze heeft het verband weggeknipt dat door de ambulancemedewerkster was aangebracht en de twee wonden bekeken. Vol berusting laat mijn zoon de boodschap tot zich doordringen. Hij ligt in een kamertje op de spoedeisende hulp. Ik zit op een stoeltje naast zijn bed. We zeggen niet veel tegen elkaar. De schrik zit er goed in. De verpleegkundige legt de spullen klaar die straks nodig zijn voor het hechten. Het leek wel of er een wolkbreuk van glasscherven losbarstte. Mijn zoon kreeg de volle laag.

De dienstdoende arts arriveert. Hij kijkt hoe diep de snijwond aan de pols is. De pezen zijn bewaard gebleven.
Het gezicht van mijn zoon vertrekt van de pijn wanneer de dokter met een injectienaald een verdoving aanbrengt. Ik zie hoe vaardige handen de wond met drie draadjes dichtmaken. De gebeurtenissen van deze ochtend tollen door mijn gedachten. Het kabaal waarmee de ruit aan gruzelementen ging en op de houten vloer stortte, klinkt na in mijn hoofd. Van het ene op het andere moment was het chaos in huis. ‘Dit gebeurt niet echt’, ging door me heen, terwijl ik geschrokken naar de plotselinge berg gebroken glas keek.

De arts richt zijn aandacht op de beenwond. Weer een injectienaald, weer hechtdraadjes. Mijn zoon houdt zich goed. Ik zoek troost bij de gedachte dat het allemaal veel erger had kunnen zijn. ‘Spuit het bloed eruit?’, had de man van 112 aan de telefoon gevraagd. ‘Nee’, had ik gelukkig kunnen antwoorden. De hechtingen zitten erin en de arts draagt het stokje over aan de verpleegkundige.
We stonden op het punt om naar de kerk te gaan. Het leek een zondagochtend te worden als alle andere. Half tien aanvang van de dienst. Eerst de ouderling op de preekstoel. Mededelingen. Dan de predikant. Gebed, lofprijzing, verkondiging. Allemaal heel vanzelfsprekend. Totdat mijn zoon ineens door die ruit kwam zetten! Toen werd het met de ambulance naar het ziekenhuis in plaats van met de auto naar de kerk. Alle vanzelfsprekendheden van de zondagochtend vielen met het glas uit de binnendeur aan diggelen.

De verpleegkundige verbindt de wonden aan pols en kuit. Ze geeft mijn zoon een draagband om de gewonde arm in te laten rusten. Op het onbetekenend kleine wondje dat ikzelf aan mijn arm heb, plakt ze een gaasje.
Het is meer symbolisch dan dat het echt nodig is. Dan mogen we gaan. We verlaten de spoedeisende hulp met een slakkengang: het been van mijn zoon doet pijn bij het lopen. Ik bel Coby om te vragen of ze ons wil komen ophalen.

We wachten op het parkeerterrein van het ziekenhuis. De zon schijnt uitbundig. Af en toe wisselen we een woordje. Ik voel de schok van deze ochtend nog natrillen. Hoe onverwachts, hoe plotseling kan er iets gebeuren waardoor alles op z'n grondvesten staat te schudden. Op zondagochtend met z'n allen naar de kerk kunnen gaan is geen vanzelfsprekendheid. Het is genade, een Godsgeschenk.

Coby rijdt ons naar huis. De glaslawine heeft een groot gapend gat achtergelaten in de binnendeur. De glasscherven zijn opgeruimd. Vanzelfsprekendheden bestaan niet meer.

Jan Smit

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief