De herberg van het laatste geluk (1)
1989-12-08
In een van zijn Narnia-sprookjes vertelt Lewis dat de kinderen aan het eind van de wereld komen.- Jaargang 33
- nummer 25
Maar tussen hen en de onderkant van de hemel in zagen ze iets in het groene gras dat zo wit was, dat zelfs zij, met- hun adelaarsogen, er bijna niet naar kijken konden. Ze kwamen dichterbij en zagen dat het een Lam was.
"Kom maar, jullie ontbijt staat klaar", zei het Lam met zijn lieve melkachtige stem.
Toen zagen ze pas dat er een vuurtje brandde op het gras, waar vis op stond te bakken. Ze gingen zitten en aten de vis - nu hadden ze voor het eerst in al die dagen honger, En het was het verrukkelijkste eten dat ze ooit geproefd hadden. "Zou je ons willen vertellen, Lam," zei Lucy, "is dit de weg naar het land van Aslan?" (Aslan is de Leeuw, J.H.V.) , "Voor jullie niet," zei het Lam.
“Jullie moeten de deur naar het land van Aslan doorgaan vanuit 'jullie eigen wereld."
"Wat?!", zei Edmund. "Kun je van uit onze wereld ook in het land van Aslan komen?"
"Je kunt vanuit elke wereld in mijn land komen," zei het Lam: maar terwijl het sprak veranderde zijn sneeuwwitte vacht in warm goudgeel en het Lam werd groter en toen was het Aslan zelf, die daar stond: hij torende hoog boven hen uit en er straalde licht uit zijn manen.”
Het Lam is de Leeuw, en de Leeuw is een Lam, en nu moet elke lezer van het sprookje zelf maar uitmaken wie Aslan eigenlijk is: de zoon van de Grote Keizer over de Zee…
Eerder in het verhaal heeft Eustaas met hem te maken gekregen.
Eustaas was een mispunt en een pestkop, Voor straf is hij dan pok veranderd in een draak. Per slot van rekening wàs hij dat al: een draak.
De leeuw maakte aan draak Eustaas duidelijk dat hij zich moest uitkleden.
“Ik wou juist zeggen dat ik me niet uit kon kleden omdat ik geen kieren aan had, toen ik opeens bedacht dat een draak wel wat op een slang lijkten dat slangen hun huid kunnen verliezen. O, natuurlijk, dacht ik, dat bedoelt die leeuw. Dus begon ik aan mezelf te krabben en aan alle kanten begonnen mijn schubben los te laten.
Toen krabde ik nog wat dieper en in plaats dat er alleen hier en daar schubben loslieten, begon mijn hele huid nu keurig af te stropen, zoals wanneer je ziek geweest bent, of zoals bij een banaan. In een paar minuten kon ik er zo uitstappen. Ik zag hem daar naast me liggen en hij zag er niet erg leuk uit. Het was een heerlijk gevoel.
Dus begon ik de treden af te lopen, de bron in, om mijn bad te nemen.”
Toen hij zichzelf in het water zag, ontdekte Eustaas dat hij nog een drakepak aan had. En toen hij dat had uitgekrabd nog een. En toen nog een.
“Toen zei de Leeuw - maar of hij praatte weet ik niet: Je zult het mij moeten laten doen. Laat mij je maar uitkleden. Ik was doodsbang voor die klauwen van hem, dat kan ik je wel vertellen, maar ik was er intussen bijna wanhopig van, dus ging ik maar gewoon plat op mijn rug liggen om het hem te laten doen. De allereerste haal van zijn klauw ging zo diep dat ik dacht dat hij dwars door mijn hart heenging.
En toen hij mijn huid eraf begon te trekken deed dat meer pijn dan alle andere dingen die ik ooit heb gevoeld. Het enige waardoor ik het kon verdragen was, dat het echt een fijn gevoel was als dat spul losliet. Je weet wel... net als wanneer je een korstje van een wond afkrabt. Het doet hartstikke zeer maar het is zo leuk om te zien hoe het eraf komt."
Toen Eustaas uit de huid stapte pakte hij me beet - dat vond ik niet zo leuk want mijn buitenkant was heel gevoelig nu ik geen huid meer aan had - en gooide me in het water. Het deed ontzettend pijn, maar dat was maar heel eventjes. Daarna was het gewoon verrukkelijk en zodra ik begon te zwemmen en te ploeteren merkte ik dat de pijn in mijn arm helemaal weg was. En toen pas zag ik waarom. Ik was weer een jongen geworden. Als ik je zou vertellen wat ik op dat moment van mijn eigen armen vond zou je me vast een aansteller vinden. Ik weet wel dat ik geen spierballen heb en dat mijn armen vergeleken bij die van Caspian niets voorstellen, maar ik was zo ontzettend blij dat ik ze weer zag. Na een poosje haalde de leeuw me er weer uit en kleedde me aan ... "
"Kleedde je aan? Met zijn poten?"
"Nou ja, dat gedeelte kan ik me niet meer zo goed herinneren.
Maar op de een of andere manier kleedde hij me aan: hij trok me nieuwe kleren aan - de kleren die ik nu aan heb, om precies te zijn.
Lewis eindigt dit gedeelte van zijn sprookje met: Het zou leuk zijn - en niet eens zo ver van de waarheid - om nu te zeggen dat sinds die tijd Eustaas een heel andere jongen was'. Om heel precies te zijn begon hij een heel andere jongen te worden. Af en toe viel hij nog wel eens terug in zijn oude gewoonten. Er waren nog steeds heel wat dagen dat hij ontzettend vervelend kon zijn.
Maar aan de meeste daarvan zal ik geen aandacht besteden. Zijn genezing was begonnen.
Waarom ik zo uitgebreid uit dit Narnia-sprookje citeer?
In de eerste plaats, omdat we deze maand de verjaardag van het Lam dat de Leeuw is, vieren. De dag waarop de Zoon van de Grote Keizer over de Zee voor het eerst op aarde kwam.
In de tweede plaats, omdat het verhaal van Eustaas zo prachtig de bekering van de mens illustreert.
Hoe je van een beest weer een mens wordt. Je kunt jezelf niet redden.
Daar heb je een Redder voor nodig: 'Je zult het mij moeten laten doen'.
Dat doet wel heel erg zeer, maar je 'wordt er ook heel erg gelukkig door.' En daarover gaat het toch juist op het Kerstfeest: hoe doodongelukkige mensen weer zielsgelukkig worden.
Als er één woord centraal staat in het Kerstevangelie; dan wel het woord 'blijdschap, vreugde'.
Na de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper zegt de engel tot Zacharias: "Ik ben Gabriël,
die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen". Hiervoor had Gabriël al gezegd: “En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden".
En Elisabet zegt tot Maria: "Waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot mij 'komt? Want zie, toen het geluid van uw groet in mijn oren klonk, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot" ..
En Maria zelf zingt: "Mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat van zijn dienstmaagd".
Als buren en familie horen dat Elisabet een kind heeft gekregen, staat er: "en zij verheugden zich met haar".
De engel in de Kerstnacht zegt tot de herders: "Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap,
die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren".
En dat de Here God in de eerste hoofdstukken van Lucas geloofd en geprezen wordt, is overbekend: door Maria, door Zacharias, door de herder, door Simeon en door Anna.
De een na de ander wordt gelukkig gemaakt door de geboorte van onze Heer, Jezus Christus.
De citaten zijn uit C.S.Lewis, De zeereis van De Dageraad, Westfriesland Hoorn1985 blz.166,168,80-83.
Bekering-1
Hoe kom ik ertoe
mij te bekeren
een
ik schrik van
het voorbeeld van een ander
twee
ik denk aan
de pijn die ik mijn naaste aandoe
drie
ik lijd onder
de onrust in mijn binnenste
vier
ik ontdek dat
God met me bezig is
vijf
ik vlucht naar
de Here Jezus
dat is het geheim
van mijn bekering
(Bij Psalm 119:59)
Bekering-2
De keerzijde van de bekering is
dat je niet moet terugkeren
tot voor het keerpunt
je kent de geur
de opwinding van het kwade
maar je moet er af blijven
je ontdekt dat het fijn is
om er af te blijven
het bevrijdt en vernieuwt je
maar het gaat niet vanzelf
het kost je moeite
en het is de moeite waard
het is een beste weg
en het is prettig om er op te lopen
je bent een vrij mens
vrij van het kwade
vrij voor het goede
de zon schijnt
het gras geurt
het is zomer
je blijft in de waarheid
je verstaat de waarheld
en de waarheid maakt je vrij.
(Bij Johannes 8:31-32)