Tussen kerk en keuken

1989-12-08
  • Jaargang 33
  • nummer 25
De toga

In deze maand, waarin rode mantels en mijters tot het straatbeeld behoren, heb ik lang nagedacht over het antwoord dat ik Ds. Kranenburg uit Rolde nog schuldig ben.
Als reactie op een stukje, waarin ik me afvroeg waarom in onze kerken het verschijnsel 'toga' een zeldzaamheid is stelde hij mij de vraag of ik het nu echt jeuk zou vinden als in het kerkje in Oudorp-Alkmaar de predikant in een (liefst kleurige) toga de kerk in zou komen.
Toen ik me, na die vraag gelezen te hebben, voorstelde hoe onze zeer jeugdige pastor in rode toga met' witte bef, over het middenpad naar de kansel zou schrijden, was mijn eerste reactie: "Lieve Dominee Kranenburg, ik zou het enig vinden".
Ik schrijf onbekommerd 'lieve ds. Kranenburg' omdat ik denk dat hij dat is. We hebben elkaar wel nooit ontmoet, maar je kunt iemand toch wel redelijk leren kennen door de manier waarop hij schrijft. De genegenheid is zeer onschuldig, bijna dochterlijk zou je kunnen zeggen, want ds. Kranenburg was al pastoraal actief, toen mijn voornaamste bezigheid nog uit het bakken van taartjes in de zandbak bestond.
Na de heldere uitleg, die ds. Kranenburg gaf over dragen van kleding in de eredienst was ik haast gedwongen me serieus bezig te houden met kanselkleding.
De opmerking dat je in tijden van afstand doen je beperkt tot het wezenlijke van gemeente-zijn sprak me zeer aan. Ik ben er van overtuigd, dat die noodzakelijke soberheid in sommige gemeenten nog bestaat. Maar ook is het een feit, dat een beetje zwierigheid het wezenlijke van het gemeente-zijn niet aantast.
Deze gedachtenwisseling doet me denken aan mijn trouwdag. Wij hielden in die tijd, zoals zoveel gemeenten, kerkdiensten in het gymnastieklokaal van een school. Als er geen andere mogelijkheden zijn voldoet dat best. Maar stijlvol is anders.
Toen wij zouden gaan trouwen; trok het idee van tussen de ringen 'ringen te wisselen' me totaal niet aan.
Bovendien zag ik ons al met een bruidsstoet door de gangen van de school drentelen. Op een steenworp afstand van mijn ouderlijk huis stond een mooie en gezellige synodaalgereformeerde kerk, waar ik regelmatig met familie, die tot die kerk behoorde, kwam. Ik stelde voor.idat wij daar onze trouwdienst zouden houden. Onze predikant keek mij aan met een blik van 'Dat heb ik je zo niet geleerd', roerde met een pijpekrabber in zijn pijpekop en zei: "Je weet toch wel dat een lokaliteit er voor de Here niet toe doet. Als we nu eens het zaaltje in Buiksloot probeerden te krijgen".
Dat zaaltje was nog naargeestiger dan een gymlokaal. Ik rilde en zei, toen royaal: "Ik weet dat de Here niet naar gebouwen kijkt. Daarom kan het net zo goed een mooie kerk zijn als een gymlokaal". (Voor mij maakte het nl. wel uit). Die logica sprak hem aan en we zijn inderdaad in de mooie kerk getrouwd.
Ik pleit dan ook niet voor de gedwongen terugkeer naar een zwart pak: Ik pleit voor een beetje sjeuïgheid.
Voor de predikant die over een ribbroek en trui een toga aan wil trekken.
Gewoon omdat hij dat gemakkelijk en mooi vindt.
Overigens, als een predikant zich prettig voelt in een zwart pak, moet hij het vooral niet in de kast laten hangen, want er zijn predikanten die het gewoon stáát.
Ik haast me nu om te zeggen dat ik grijs ook prima vind ... en bruin ... en geruit! Enfin u ziet maar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief