Nogmaals: zich ondenverpen
1989-12-08
- Jaargang 33
- nummer 25
Elastiek
Discussies in een blad kunnen gauw te lang doorgaan. Om dat te voorkomen wil ik hier al vast aankondigen, dat ik na dit artikel in Opbouw niet nog eens terug zal komen op het onderwerp waarover prof. Holwerda en ik van gedachten wisselen, zelfs niet als mijn vingers jeuken om het toch te doen.
Om te beginnen wil ik graag even een mogelijk misverstand uit de weg ruimen. Prof. Holwerda vreest dat ik door wat ik schreef over de onjuiste interpretatie van Gen. 3:16, bij de lezers de indruk wek dat hij van deze verkeerde visie zou uitgaan.
Uit onze contacten en uit zijn publicaties was mij uiteraard bekend dat daarvan bij hem geen sprake is.
Mijn opmerkingen daarover waren dan ook niet tegen hem gericht, maar waren alleen bedoeld om mijn eigen verklaring van Ef. 5:21 v.v. in een breder kader te plaatsen. Als ik hem daardoor onbedoeld in een verkeerd daglicht geplaatst heb, betreur ik dat en wil ik die indruk graag wegnemen.
Prof. Holwerda en ik zijn het goed met elkaar eens, dat er gezagsverhoudingen zijn. Sommige mensen zijn ondergeschikt aan. anderen en dat is niet omkeerbaar. Ik mag de gezagsstructuur in de samenleving graag vergelijken met het elastiek in een onderbroek. Als dat elastiek eruit gehaald wordt, begint de broek af te zakken en wordt het lopen bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt.
Ook het huwelijk kent de structuur van de onderschikking. In dat verband heb ik wel eens het beeld gebruikt van autorijden. Het is funest als twee mensen daarbij het stuur willen vasthouden. Een autorit waarbij dat gebeurt, loopt fataal af.
Daarover gaat ons verschil van mening niet.
Andere dimensie
Ik ben het ook wel met hem eens, dat de gezagsverhoudingen in het maatschappelijke leven omgekeerd worden als een generaal zich onderwerpt aan een soldaat. Generaals moeten in het leger dan ook nooit handelen volgens het adagium: generaals, onderwerpt u aan de soldaten.
Als ze het wel deden, werd het een puinhoop. In juridische zin is een zich onderwerpend hoofd inderdaad een contradictio in terminis.
Maar in de gemeente van Christus komt er een andere dimensie in het spel. Daar moet een generaal zich wel onderwerpen aan een soldaat.
Want ze zijn beiden broeders en hebben als zodanig de opdracht de een de ander uitnemender te achten dan zichzelf (Fil. 2:3), zonder dat daardoor de gezagsverhouding in juridische zin ongedaan gemaakt wordt. Paulus gebruikt in Fil. 2:3 een woord waarmee in Rom. 13:1 en 1 Petr. 2:13 overheden aangeduid worden, aan wie je je moet onderwerpen. Je zou Fil. 2:3 als volgt kunnen omschrijven: laat de een de ander in nederigheid beschouwen als iemand die boven hem staat; Dat hier van wederkerigheid sprake is, is m.i., onmiskenbaar.
Het feit dat dit woord in Rom. 13:1 en 1 Petr. 2:13 gerelateerd is aan 'zich onderwerpen', maakt het meer dan aannemelijk dat Paulus' uitspraken in Ef. 5:21 en Fil. 2:3 hetzelfde bedoelen te zeggen. Delling noemt Fil. 2:3, Ef. 5:21 en ook 1 Petr. 5:5 dan ook uitspraken die zakelijk, inhoudelijk, met elkaar corresponderen (TWNT, VIII, 525). Zich onderwerpen omvat een scala van betekenissen, zegt hij, van het ondergeschikt zijn aan autoriteit tot een zich vrijwillig voegen toe (TWNT, VIII, 46). M.a.w.: zich onderwerpen wordt niet in alle gevallen door een gezagsverhouding bepaald.
Wederkerigheid
Dat Paulus in Ef. 5:21 wel degelijk wederkerigheid op het oog heeft, blijkt m.i. ook uit Ef. 6:9, waar hij de heren opwekt hetzelfde te doen als de slaven, Uiteraard bedoelt Paulus daarmee niet de gezagsverhoudingen om te keren. Wat hij van slaven én heren gelijkelijk vraagt; is een en dezelfde gezindheid die ook in' Christus Jezus was (Fil. 2:5). In Ef. 5:21 typeert Paulus die gezindheid als: elkaar onderdanig zijn.
lk heb de indruk dat prof. Holwerda en ik het zakelijk inhoudelijk gezien redelijk met elkaar eens zijn. Het komt me voor dat ons verschil voornamelijk hierop vastzit, dat 'zich onderwerpen' in 'het verband van Ef. 5:21 voor elk van ons een iets andere gevoelswaarde heeft. Hij vat het in strikte zin op en kan daarom niet van wederkerigheid spreken. Ik proef er, mede in verband met plaatsen als Fil. 2:3 en 1 Petr. 5:5, iets meer ruimte in en denk daarom wel aan wederkerigheid.
Op christelijke wijze
Bij nader inzien ben ik in het vorige artikel, en ook nu weer, eigenlijk impliciet al ingegaan op de vraag of er binnen het huwelijk sprake is van een gezagsverhouding. Dat de man het hoofd van zijn vrouw is, impliceert die verhouding inderdaad. De door prof. Holwerda gewraakte passage in mijn boekje over Efeze (p. 113: "Gehoorzamen veronderstelt.. enz. ") zou ik dan ook beter anders kunnen formuleren. Wel blijf ik van mening, dat de man zijn hoofd-zijn pas op christelijke wijze uitoefent als hij, naar de woorden van Fil. 2:3, zijn vrouw houdt voor iemand die boven hem staat.