Van praktische Schriftbeschouwing naar een theologie over de Schrift
1989-12-08
- Jaargang 33
- nummer 25
1. Schriftbeschouwing en levensbeschouwing
We hebben dus in het voorafgaande willen betogen dat er een structuurverschil is tussen twee soorten van praktische schriftbeschouwing. Enerzijds is er het actueel geloven en belijden dat de Schrift het betrouwbare, goddelijke Woord is, een belijdenis in een direct en actueel beantwoorden met hart en mond van Gods spreken. Anderzijds, als vrucht daarvan onze eigen, nadere beschouwingen over de Schrift en over haar speciale onderdelen, boeken, hoofdstukken, enz.
Laatstgenoemde, onze praktische schriftbeschouwing, is resultaat van ons (al of niet gelovig) feitelijk omgaan met en nadenken over de Schrift én over ons leven in relatie en omgang met de Schrift. Dat laatstgenoemde moet er wel bij gezegd worden, want de Schrift 'op zichzelf', in abstracto, bestaat niet.
Evenmin als wij de Schrift mogen wegdenken uit het menselijk leven, evenmin mogen wij het omgekeerde doen: het menselijk leven wegdenken uit de werkingssfeer van de Schrift. Als levend Woord van God is zij immers gericht tot alle mensen en roept en dringt zij tot gelovige be-aming en daarmee ook tot het tegendeel. Zij bestaat niet geïsoleerd, evenmin als een mens bestaat zonder een (gelovige of ongelovige) relatie met God en Zijn Woord. Dat is een stukje christelijke Schrift- en levensbeschouwing, als vrucht van ons christelijk geloof. Het is een levensbeschouwelijke verwoording van onze kijk op de Bijbel en op het menselijk leven, en op de relatie tussen beiden. Onze praktische schriftbeschouwing is daarvan een onderdeel, dus een onderdeel van onze levensbeschouwing. Beide zijn wat hun structuur betreft, gekwalificeerd door ons geloof.
2. Levensbeschouwelijke schriftbeschouwing
In de bovengenoemde praktische levens- en schriftbeschouwing zijn we ons expliciet ervan bewust, dat we niet alleen gelovig luisteren naar en antwoorden op de Schrift, maar dat we ook, hierdoor geleid, over de Schrift praten en nadenken. Met onze eigen en eigentijdse woorden en gedachten. De uitdrukking 'de Schrift naspreken' heeft m.i. weinig zin, al is de bedoeling wel 'oed. Zij bergt echter het directe gevaar van identificatie inzien.
In onze levensbeschouwelijke schriftbeschouwing spreken we niet alleen over de grote plaats die Gods Woord in ons leven heeft en behoort te hebben - zo in het algemeen, maar we gaan dan ook meermalen in details. We hebben dikwijls ook onze' praktische beschouwing over bepaalde delen van de Schrift: boeken, hoofdstukken, verzen, passages, uitdrukkingen, gedachten. Op het intellectuele niveau van onze huidige Westerse cultuur is dat met heel veel 'gewone gelovigen' het geval, min of meer. Het schriftgeloof en het getuigenis daarvan in onze schriftbeschouwing, wordt een bewust element in onze levensbeschouwing.
De Bijbel is immers een feit, een 'gegeven' binnen het menselijk leven.
Wij ervaren en beleven, en in onze levensbeschouwing getuigen we ervan, dat wij in ons leven bouwen op Gods beloften, ons in Zijn Woord geopenbaard. We bedenken, en spreken er over, dat de Schrift voor ons een licht is op ons levenspad.
We proberen de concrete gebeurtenissen te bezien en te beoordelen in het licht van Gods Woord.
Kortom: we ontwikkelen gaandeweg een zgn. 'levens- en wereldbeschouwing' waarin de Schriften integraal hoofdmoment is, anders gezegd:een 'leidende functie' heeft. Deze aldus nader aangeduide schriftbeschouwing blijft echter nog zeer concreet en integraal ingeweven in ons dagelijks leven. Daarom sprak ik van 'levensbeschouwelijke schriftbeschouwing', in nadrukkelijke onderscheiding vaneen wetenschappelijke, theoretische, theologische schriftbeschouwing. Dit vergt nog enige toelichting.
3. Denken IN geloven
In elk geloven zit bij normale mensen een element van denken of kennen.
Dit vraagt nu even onze speciale aandacht. Bekend is dat zondag 7 van de catechismus dat element ook even voor het voetlicht haalt: "Een waar geloof is niet alleen een zeker (stellig) weten of kennis (certa notitia) waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen ...". De catechismus bedoelt dit natuurlijk niet als een wijsgerige analyse van de structuur der geloofsactiviteit.
Het is een praktische geloofsbelijdenis waarbij we zonder meer goed kunnen aanknopen. Duidelijk is immers dat in onze geloofsactiviteit ook onze kennisfuncties betrokken zijn. Hoe zouden we, ' structureel gezien, kunnen geloven, indien we niet onderschelden en weten wat of in wie wij geloven?
Kennisname gaat er aan vooraf, maar kennisnemen is nog niet geloven.
Geloven zelf is meer en iets ànders dan kennis-nemen, al zit dat er wel in opgesloten. In de structuuranalyses van de reformatorische wijsbegeerte spreken we dan van het geloven als een 'totaliteitsstructuur' waarbinnen een cognitieve sub-structuur is ingekapseld.
Een substructuur waarin nog allerlei nader geanalyseerd kan worden, zoals het onderscheiden, identificeren, verbinden, concluderen, e.d. wat thans buiten beschouwing kan blijven.
Deze cognitieve substructuur binnen de totaliteitsstructuur van de geloofsactiviteit treedt in de levensbeschouwing wat meer op de voorgrond. Ook in wat theologie is, maar daarover later meer. Als substructuur blijft zij een betrekkelijk (on-)zelfstandige deel-structuur van het geheel, een 'element' binnen het geloven, en door (de totaliteitsstructuur van) dit geloven 'gekwalificeerd'. Het is geloofs-denken. Een levensbeschouwing en een praktische schriftbeschouwing is niet door het denken als zodanig gekwalificeerd, zoals bv.
een wetenschap, maar door een concreet inhoudelijk geloven. Filosofisch uitgedrukt: de geloofsfunctie is de kwalificerende en leidende functie in het geheel van de levensbeschouwing.
Theologie daarentegen is, zoals we nog nader willen betogen, een wetenschap die een nadere analyse en verdieping kan bewerken van alleen dat cognitieve element in het geloofsleven.
Dlt onzelfstandige of betrekkelijk zelfstandige kenniselement binnen het geloven was aanleiding voor de 'vergissing van Thomas van Aquino toen hij eens (niet altijd, hij was op dit punt ook wel eens dichter bij de waarheid) het geloof definieerde als' "iets van de rede" (fides est aliquid rationis, actusintellectus, cogitare cum assensu, e.d. Summa th. 11-114, etc.). Geloof is z.i. een gift aan of een genade in het verstand.
Zulke beschouwingen liggen geheel in de lijn van de rationalistische mensbeschouwing van de Griekse filosofie, voor zover die door Thomas in zijn theologie was verwerkt.
Door de reformatoren is dit beslist onvoldoende herkend, en zo is veel daarvan in de orthodoxe protestantse theologieën blijven functioneren.
4. De practische schriftbeschouwing in functie
Naast het directe actuele belijden en getuigen dat de Schrift Gods Woord is, zagen we dus als een vervolg daarvan het gelovig na-denken, het re-flecteren over de Bijbel en daardoor het vormen van een opvatting of beschouwing over de H. Schrift.
Dat is een secundaire activiteit, geïnspireerd en geleid door de eerstgenoemde geloofsactiviteit.
Zoals het iemand op zijn woord geloven als daad primair is ten opzichte van onze latere mededeling dat die persoon betrouwbaar is.
In deze secundaire, meer beschouwende geloofsactiviteit generaliseren we ook wel ons belijden omtrent de Schrift tot een geloofsvisie op de Schrift als geheel, maar we beperken ons lang niet altijd daartoe.
We bedenken en beschouwen ook wel bepaalde gedeelten van de ' Schrift afzonderlijk. We hebben zo onze min of meer juiste gedachten over de toepassing van de tien geboden, over de betekenis van de bergrede voor onze tijd, over de waarde van een geheel bijbelboek als bv. de Spreuken, of het Hooglied. Maar ook hebben we in deze praktische gedachtenvorming over de Schrift rulrntevoor vragen en onzekerheden. We begrijpen lang niet alle delen en details. Daarbij denk ik dan niet alleen aan onmiskenbare 'oneffenheden' in bijv. historische berichten *1), maar vooral denk ik aan de moeite die men als schriftgelovige kan hebben, wanneer men gelovig wil luisteren naar wat Gods Woord ons in bepaalde schriftgedeelten te zeggen heeft. Wat moet ik bijv. aan met sommige geslachtsregisters of delen daarvan? Wat is de boodschap van God in enkele slothoofdstukken van Paulus' brieven waarin hij aan vele, ons verder onbekende personen; de groeten laat overbrengen? Wat is geestelijk gesproken de bedoeling van vele militaire details uit de geschiedenissen van oorlogen en veldslagen in de tijd der richters en koningen?
Het ligt voor de hand dat wij, zonder gewetensbezwaar, dergelijke schriftgedeelten gewoon overslaan en buiten de huiselijke schriftlezing laten. In onze praktische gelovige schriftbeschouwing doet dat niets af van onze liefde voor en belijdenis van de Schrift als Gods Woord. Ook al vinden we sommige gedeelten niet van geestelijk belang, of staan we er met allerlei onbeantwoorde vragen tegenover. Zo functioneert onze gelovige schriftbeschouwing in de praktijk. De Schrift heeft de liefde van ons hart, maar wij beschouwen haar niet alsof zij zonder meer God zelf is. Indien wij wat meer intellectuele ontwikkeling en scholing hebben ontvangen, raadplegen we bij genoemde moeilijkheden graag eens een (populair-)theologische bijbelverklaring.
Maar lang niet elke schriftgelovige kan dat of wil dat. De meeste kerkleden zullen daar ook geen sterke behoefte aan hebben, vermoed ik. Intuïtief voelt men aan dat lang niet alles in de Bijbel van het grootste belang is. In de vijf gemeenten die ik in het ambt gediend heb, heb ik verhoudingsgewijs, en ook in zéér meelevénde gezinnen, maar heel weinig 'Korte Verklaringen' of iets dergelijks aangetroffen.
Dat behoeft lang niet altijd negatief te worden beoordeeld.
5. Schriftbeschouwing en theorie over de Bijbel
Evenmin als een praktische levensbeschouwing hetzelfde is als wetenschappelijke filosofie, zo is ook in de praktische schriftbeschouwing nog niets, of niet veel te bespeuren van een abstracte: gedistantieerde, 'objectieve' en zoveel mogelijk emotieloze wetenschappelijke denkhouding tegenover de Bijbel. Toch is een dergelijke theoretische denkhouding, ook tegenover de Bijbel, geheel legitiem, en in onze moderne tijd m.i. zelfs onmisbaar binnen het geheel van de christelijke gemeente.
De besproken levensbeschouwelijke schriftbeschouwing, die praktisch van aard is, verandert echter van .aard en karakter wanneer de geïmpliceerde geloofshouding en geloofsbeschouwing een ogenblik (niet echt, maar alleen theoretisch) uitgeschakeld wordt. Kunstmatig dus. In feite wordt dan onze aandacht beperkt tot het kennisaspect. De vraag is niet meer: wat wil de Here ons hier zeggen, maar zij wordt anders gericht. Bijv. wat zou de bedoeling of het gevoelen van deze bijbelschrijver zijn geweest?
Wat is de betekenis van dit of dat begrip in de grondtekst en in de bultenbijbelse literatuur? Hoe was de historische situatie waaruit deze gelijkenis, die geschiedenis of een bepaalde gewoonte, verklaard kan worden? Is een bepaalde gedachte of gebeurtenis niet in strijd met een ander bijbelgedeelte en zo nee, hoe moeten deze gedeelten dan in hun verschil of overeenkomst verstaan worden? Wat heeft het ons te zeggen dat er geheel verschillende 'soorten' van literatuur in de Bijbel voorkomen: proza, gedichten, spreuken, visioenen, mythen, dromen, fabels, gelijkenissen, enz.? Hoe zat dat precies met de reisgenoten van Paulus die tijdens diens bekeringsgeschiedenis op de weg naar Damascus volgens Hand. 9:7 wel de stem hoorden, maar niemand zagen, en volgens Hand. 22:9 wel het licht zagen maar geen stem hoorden? En zo zijn er talloze vragen die met behulp van theologische exegese (inclusief de kennis van allerlei hulpwetenschappen) onderzocht en soms beantwoord kunnen worden.
Zulke vragen en probleemstellingen die voor de gemiddelde bijbellezer helemaal niet interessant zijn, zijn kenmerkend voor een structureel andere houding tegenover de Schrift dan de primaire en directe geloofshouding. Het is de typische theoretische houding die primair gericht is op kennis, op het juiste onderscheiden, identificeren, verbinden en concluderen. In die houding spreekt men dan ook, zoals in alle wetenschappen gebruikelijk is, van 'gegevens', in dit geval dus: bijbelse 'gegevens', waarmee men kan 'werken', die men kan 'behandelen', die men als 'bouwstenen' kan 'gebruiken' om een theorie op te bouwen.
Zonder dat we vanwege nood of vreugde, vanwege huiselijke of kerkelijke liturgie, betrokken zijn in de concrete actuele omgang met God en daarmee in de bewuste geloofsontmoeting met God, bekijken we, a.h.w. van enige afstand, het 'bijbelse gegeven'. De,primaire reactie is dan niet: spreek Heer, uw knecht hoort, maar we gaan vragen stellen, gegevens 'hanteren' en een 'probleem' formuleren. Dat kan t.a.v. een kleiner of groter bijbelfragment, maar ook t.a.v. de Bijbel als geheel.
We worden ook niet onrustig als we een bepaald bijbelgedeelte niet begrijpen, of ook wél begrijpen maar dan gewoon als 'informatie' tot ons nemen en vervolgens ter zijde leggen, omdat het ons op dat moment niet existentieel en actueel ter harte gaat, of hoeft te gaan. Aldus bezig zijnde staan we volop in de theoretische denkhouding, die o.a. gekenmerkt is door (een bepaald soort van) abstractie, d.w.z. losmaking van een onderdeel uit het concrete levensgehéél.
Het gaat ons dan om (verstands)kennis en wel om een bepaalde soort van kennis, nl. wetenschappelijke.
(wordt vervolgd)
*1) De in deze context rationalistische uitdrukking 'tegenstrijdigheden in de Bijbel' wordt meestal ten onrechte Onkritisch overgenomen en dan op even rationalistische wijze ontkend en bestreden. Soms met zeer ongeloofwaardige exegetische capriolen. Wie dan zijn wetenschappelijke integriteit wil behouden, loopt grote kans vroeg of laat voor 'de' moderne theologie en haar schriftkritiek door de knieën te gaan. Het is één voorbeeld van het verschijnsel dat de orthodoxie zelf de deur openzet voor modernisme, omdat men in eigen rationalisme een gemeenschappelijke trek heeft met het modernisme. Dit zou toegelicht moeten wordenin een hermeneutisch betoog,maat dat ligt buiten het plan voor deze serie artikelen.