Opbouw, vijftig jaar missionair
2007-11-23
De verschijning van Opbouw in 1957 moet voor velen in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) een verademing zijn geweest. Tot dat moment was de Reformatie hét toonaangevende blad. Maar dat hield zich vrijwel uitsluitend bezig met de kerk, de kerk en nog eens de kerk. Opbouw deed de ramen open, stond midden in de wereld en had oog voor de missionaire roeping van de kerk. Zo was het en zo is het gebleven. - Jaargang 51
- nummer 23
Vanaf het allereerste nummer heeft Opbouw welbewust iets missionairs gehad. Iets missionairs, níet in die zin dat elke week zending en evangelisatie werden gepromoot, wél in die zin, dat het blad er de lezer voortdurend van bewust maakte dat déze wereld de context is waarin we kerk zijn. Wekelijks kwamen in Opbouw niet alleen kerk en theologie aan bod, maar ook kunst, politiek, filosofie, literatuur en sociale, economische en pedagogische vraagstukken. Dat laatste bleef het geval, zelfs toen in de jaren zestig de verzengende hitte van de kerkelijke strijd heel het kerkelijke leven leek te verteren.
Tot opbouw
Deze aandacht voor ‘wereldse’ thema’s was geen toevalstreffer, maar redactioneel beleid. Lag in de Reformatie het accent vooral op de tegenstelling tussen kerk en wereld, Opbouw benadrukte dat God de kerk in deze wereld heeft geplaatst om er voor deze wereld te zijn. Zo schrijft J. Stellingwerf ergens in de eerste jaargang: ‘Paulus zegt niet alleen: zet u schrap tegen de tijdgeest, hij verlangt positieve opbouw (…) Het schrapzetten tegen de tijdgeest hebben we wel veel gedaan in onze kerken, maar van opbouw is weinig sprake.’ 1 En zo, door bewust allerlei ‘wereldse’ thema’s aan de orde te stellen, betrok Opbouw de kerk voortdurend op de wereld.
Een missionaire kerk
Opbouw was en is in dit opzicht echt een exponent van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Als onze kerken al iets eigens hebben, dan is het dat wij een orthodoxe, gereformeerde kerk willen zijn, die in deze wereld functioneert en er voor deze wereld is. Heel duidelijk verwoordde professor C. Veenhof dat in het eerste Informatieboekje van onze kerken. ‘Een eerste opdracht van de kerk is de prediking van het evangelie van Jezus Christus aan allen die het niet kennen. Kortweg, de kerk moet, zal zij echt kerk zijn, vóór alles een evangeliserende, missionaire kerk zijn.’ 2 Een statement, dat wat mij betreft nog steeds staat als een huis!
In de context van de tijd
Opbouw was overigens niet alleen een missionair blad doordat het plaats inruimde voor ‘wereldse’ thema’s.
Ook wanneer over kerk en theologie werd geschreven, zat – en zit –dat missionaire er op de een of andere manier in. En met missionair bedoel ik ook nu niet dat zo nu en dan een oproep tot evangelisatie wordt gedaan, maar dat je aan alles merkt dat de bezinning op kerk en theologie in de context van deze wereld past. Het is er niet om te doen een reservaat voor gereformeerden in stand te houden, maar om te laten horen dat Gods Woord deze wereld wat te zeggen heeft! Ik hoef maar de namen van een Henk de Jong en een Wim Rietkerk te noemen en het is denk ik wel helder wat ik bedoel. Het missionaire moment is in hun werk geen krent in de pap, maar een draad die met heel het denken verweven is.
Niet opzettelijk!
Boeiend is het ook om te lezen hoe in Opbouw over evangelisatie is geschreven. Dat heeft namelijk best iets aparts. Aan de ene kant kan Opbouw als een voluit missionair blad worden getypeerd, aan de andere kant is het blad door de jaren heen bepaald geen pleitbezorger van opzettelijke evangelisatie geweest! Met name de eerste decennia voerde menig scribent zelfs een pleit tégen opzettelijke, georganiseerde evangelisatie.
Evangelisatie diende ‘onopzettelijk’ en ‘ongezocht’ te zijn, dus een natuurlijke plek te hebben in de alledaagse contacten op het werk, op school, in de buurt en waar dan ook. Zo schrijft B. Telder: ‘Wij moeten daarmee (met de opzettelijke, gezochte manier van evangeliseren - jmm) breken. We moeten door onze Godzalige wandel, onze getrouwe arbeid, door ons Christelijk spreken en handelen onze naaste voor Christus zoeken te winnen. We moeten in allerlei sectoren van het leven, door wetenschapsbeoefening, door barmhartigheidsbetoon, door maatschappelijke gerechtigheid, de naam van Christus uitdragen.’ 3 Die laatste opmerking lijkt me ook buitengewoon actueel met het oog op de manier waarop wij als kerken inspelen op de Wet maatschappelijke ondersteuning! En H.R. Rookmaker schrijft: ‘Ik moet eerlijk zeggen, dat ook ik helemaal niet geloof in opzettelijke evangelisatie, bij de mensen de huizen binnendringen, hen met reclamemethoden zoeken te trekken, iedereen en alleman pogen te bereiken – maar al te vaak vergetende de buurman in de straat of op de kantoorstoel.’ 4
L’Abri
Overigens stonden juist prof. Rookmaker en zijn vrouw aan de wieg van een vorm van (volgens mij georganiséérd) evangelisatiewerk, die iets echt Nederlands Gereformeerds heeft! Ik denk aan het werk van L’Abri, dat Francis Schaeffer en zijn vrouw in Zwitserland opzetten en dat uitgerekend in onze kerken zo’n breed draagvlak heeft gekregen. Dat laatste is niet zo wonderlijk. Kenmerkend voor het werk van L’ Abri is altijd geweest, dat het met het evangelie toegang poogde te vinden tot de modern denkende mens. Francis Schaeffer schreef in Opbouw: ‘Wij staan voor de opgave in onze twintigste eeuw het evangelie te prediken aan mensen met een modern levensgevoel. Wij kunnen niet zeggen: geloof nu maar en stel geen vragen. Wij zullen op eerlijke vragen eerlijke antwoorden moeten geven.’ 5 Nu, al kon Opbouw zichzelf niet hetzelfde doel als Schaeffer stellen, grote affiniteit met deze doelstelling heeft Opbouw vanaf haar oprichting gehad!
Opzettelijk-onopzettelijk
Maar laat ik nog even terugkomen op de tegenstelling tussen opzettelijk en onopzettelijk evangelisatiewerk. Ik vind in die nadruk op het gebruik van de alledaagse mogelijkheden iets heel moois en verstandigs zitten. Immers, juist in een context waarin geloof en levenspraktijk, woord en daad, helemaal op elkaar betrokken zijn kan het evangelie geloofwaardig ter sprake worden gebracht. En ook denk ik wel eens: als we allemaal echt die alledaagse momenten zouden benutten, dan zou er nauwelijks nog tijd zijn voor georganiseerd evangelisatiewerk.
En toch is die tegenstelling tussen opzettelijk en onopzettelijk voor mij een theoretische constructie en heb je er in de praktijk niet zoveel aan. In die praktijk kan het zogenaamd onopzettelijke evangelisatiewerk een heel gezochte en geforceerde toon hebben en kan – omgekeerd – juist het georganiseerde evangelisatiewerk een heel natuurlijke setting opleveren om over het evangelie te spreken. Tevens heeft menig Nederlands Gereformeerde juist dankzij zijn of haar betrokkenheid bij georganiseerd evangelisatiewerk geleerd in het alledaagse leven passend over het evangelie te spreken. En bovendien zijn de meeste vormen van georganiseerd evangelisatiewerk die ik ken zozeer gericht op ontmoeting, dat we heel ver weg zijn bij het lukraak droppen van het evangelie! Kortom, het tegen elkaar uitspelen van georganiseerde en spontane evangelisatie is een reeds lang gepasseerd station.
De evangelisatie voorbij?
Een gepasseerd station is volgens mij ook een nog veel fundamentelere kritiek, die in Opbouw wel tegen evangelisatiewerk werd ingebracht. In 1982 deed Projekt ’82 6 het nodige stof opwaaien. A.J. Moggré schreef hierover: ‘In de wijze waarop de broeders uit Doorn het zendingsbevel hanteren bespeur ik een a-historische opstelling tegenover de eigentijdse samenleving en een tijdloos lezen van de Schriften (…) Men doet net of er niets gebeurd is en ons volk nog gekerstend moet worden in de zin van Mat. 28:19.’ 7 Enige jaren later voert H. de Jong ditzelfde punt aan. Na enkele grootscheepse evangelisatieacties, ook in Amsterdam, vraagt hij zich af: ‘Hebben wij in onze steden de tijd voor het evangelie niet gehad? (…) Zou dat kunnen, dat de HERE zijn aangezicht verborgen heeft voor Nederland? En dat de gemeente van Christus bij ons dus meer met een naar binnen gekeerd dan met een naar buiten gekeerd bestaan moet rekenen?’ 8 Ook achter deze fundamentele vragen zit weer toch dat tijdbetrokkene, dat samenlevingsgerichte van Opbouw. Er zijn bij de HERE kansen, herkansingen en … momenten dat een volk zijn kans heeft gehad. En bij Henk de Jong ging het ook om de vraag: wie willen we nu eigenlijk bereiken? Span je in, niet om de onverschilligen te bereiken, maar degenen die nog echt op het evangelie zitten te wachten, hier en elders in de wereld.
Gepasseerd station
Toch is ook dit fundamentele vraagteken bij evangelisatiewerk in ons land een gepasseerd station. Ja, er zijn tussen 1965 en 1990 enkele decennia geweest, dat onze samenleving een uiterst vijandige houding innam tegenover het evangelie. En eerlijk gezegd had de kerk het daar soms ook naar gemaakt. En ook hadden de kerken tijd nodig om tegenover de vloedgolf van ontkerkelijking een passende houding te vinden. De reactionaire opstelling van de EO in die jaren was daarvoor symptomatisch. Met als gevolg, dat die generatie kerkverlaters een felle antipathie koesterde tegen alles wat met geloof en kerk te maken had. De oprispingen hiervan proef je soms nog, met name bij D66. Maar die tijd ligt toch echt achter ons. Wie stemt nog op D66?
Nieuwe kansen
Het bijzondere van het afgelopen decennium is de nieuwe openheid voor geloof en voor – ja, zelfs dat – het evangelie. Die openheid is niet zo massaal dat de kerken weer vollopen, maar toch valt er echt weer te praten over God, de zin van het leven en de betekenis van Jezus. Ten aanzien van fundamentele levensvragen zijn velen in onze samenleving de onverschilligheid voorbij. De opvallendste markering van deze ontwikkeling is de Alpha-cursus. Een vorm van evangelisatie, die haar tienduizenden – onder wie vele rand- en buitenkerkelijken – inmiddels heeft verslagen. Maar ook kan menige voorganger en gemeente erover meepraten hoe iemand zich soms zomaar uit het niets aanmeldt om meer van de Bijbel te horen. Hieruit mogen we opmaken, de HERE zij dank, dat het nog niet over en uit is met het evangelie en de kerk in onze samenleving! De nieuwste ontwikkeling is, dat de locale overheden de kerken betrekken bij projecten in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Opnieuw een signaal dat het nog niet over en uit is.
Blad en kerken met een missie
Opbouw is ruim vijftig jaar oud. Vijf decennia lang was het een missionair gericht blad. De keus van de redactie om juist in dit jubileumnummer aandacht te geven aan de - ook missionaire - mogelijkheden van de WMO, bevestigt dit. Een Opbouw met dit profiel past kerken, die vanaf hun ontstaan sterk verlangen om een kerk te zijn ín de samenleving en vóór de samenleving. En al komt daarvan in de Nederlands Gereformeerde Kerken soms minder terecht dan we zouden willen, mijn indruk is dat dit verlangen alleen maar sterker is geworden. Ik hoop en denk dat er ook van Opbouw nog vele impulsen mogen blijven uitgaan, die dit missionaire verlangen voeden en helpen een concrete invulling te geven.
Jan Mudde is voorganger van de NGK in Haarlem.
1. Opbouw 1e jrg., p. 44.
2. Zie Informatieboekje van Nederlands Gereformeerde kerken (veelal aangeduid als Vrijgemaakt Geref. Kerken – buiten verband), Amsterdam 1974, p.
113.
3. Opbouw 2e jrg. p. 230.
4. Opbouw 4e jrg. p.111vv. In Opbouw 26e jrg. (1982) p. 287-290 en 295-297 haalt A.J. Moggré dit artikel van Rookmaker uitvoerig en met grote instemming aan.
Met name van elke vorm van ‘ongeestelijk activisme’ moet Moggré niets hebben.
5. Opbouw 14e jrg. p. 216vv.
6. Projekt ’82 was een grootscheepse, interkerkelijke evangelisatiecampagne, aangestuurd door het Instituut voor Evangelisatie in Doorn (momenteel Agape).
7. Dit schreef hij overigens niet in Opbouw, maar in de Kerkbode voor Noord en Zuid-Holland, 37ste jrg. no. 3 – 6.
8. Opbouw 29ste jrg. p. 34-35.