De violist op het dak

1987-05-08
  • Jaargang 31
  • nummer 18
Tijdens de kerstweek werd te Glasgow de - in 1979 voor het .eerst gehoorde - musical "Fiddler on the roof' opnieuw opgevoerd en door de BBC uitgezonden. Hoofdpersonen waren Bill MacCue en Una MèLean, schotser kan het niet. Toch een gebeurtenis om diep over na te denken.

De tijd schijnt dan drie uren stil te staan. We leven in het Rusland van 1905, maar ook vier duizend jaar geleden in Beërsjeba. We zien de Joodse riten als door Mozes ingesteld - en tegelijk de Joodse diaspora, welke op de vernietigingskampen is uitgelopen: We beleven nog eens de oude normen voor samenleving, gezin en huwelijk - maar ervaren evenzeer de moderne ontwrichting van alle traditionele waarden. En in deze dingen leven we mee met de hoogtepunten van geluk, muziek, dans en zang in een kleine Joodse ghetto - maar treuren evenzeer mee met de teleurstellingen, beproevingen en rampen, die dit uitverkoren' volk ondergaat. En in deze kleine chaos ven menselijke belevingen is het leidende thema: onze liefde tot God de Heere en tot de naaste.

Wat is eigenlijk een musical? Het is een modem spel: een spelen met de werkelijkheid van ons leven. In de Bijbel wordt al genoemd het spelen van bruiloftje en begrafenisje (1). Lang voor de middeleeuwen had Zuid-Frankrijk zijn mysteriespelen: men herhaalde de heilige geschiedenis tijdens de kerkelijke feestdagen. Uit de middeleeuwen zijn de straatpantomimes bekend, waarvan het poppenspel een uitloper is: In latere eeuwen werd dat de opera; nu werd de handeling begeleid door muziek en zang. In onze eeuw kwam de operette; kon bij de opera het thema nog diepzinnig zijn, nu werd dat luchtiger, werd vaak een schets, zo geen scherts. En eindelijk kwam de musical: een handeling waarbij muziek en zang (ook dans, maar dat is zichtbare muziek) de hoofdaccenten leggen op een handeling, die volstrekt niet diepzinnig hoeft te zijn.

Toch is De Violist op het Dak wèl een diepzinnig stuk. Onder een uiterlijk van kleurige belevingen, Joodse vrolijkheid en gein, armelijke omstandigheden en voornaam aanpassingsvermogen, klinkt de ondertoon van Gods eigen uitverkoren volk, dat schreeuwt om Gods ontferming in een wereld, die geen plaats biedt voor Gods kinderen; Het centrum van deze musical is de melkboer Tevye met zijn vrouwen vijf dochters. Een doodarm maar blij gezin. Hij is een vrolijke orthodoxe Jood, zij een stugge maar zorgzame en hartelijke vrouw. De dochters zijn... wel, zoals dochters zijn: ze willen graag trouwen, al zijn ze piepjong, maar de voornaamste factor is geld. En aangezien jonge meisjes daar geen verstand van hebben beslist vader over het huwelijk van zijn oudste dochter. Door bemiddeling van een oude vrouw, die vim professie huwelijksmakelaar is, komt een overeenkomst tot stand met de dorps slager; een niet zo jonge vrijgezel, maar welgesteld. Hoewel vader enkele bezwaren ziet (zijn dochter zal straks alleen over levers en niertjes kunnen spreken, en de a.s. schoonzoon is eigenlijk veel te oud voor zo'n lieve dochter) de komende welstand in Tevye's gezin verzoet alles, en de overeenkomst wordt in grote vreugde beklonken in de dorpskroeg, ten overstaan van allen die een drankje lusten. Pas daarna gaat vader, behoorlijk aangeschoten, zijn vrouwen dochter op de hoogte stellen...

Dan komt wat we allemaal verstaan. Moeder volgt haar man, althans gemakkelijker dan de dochter. Maar de laatste is helemaal niet gelukkig met de keus, Ofschoon ze wil gehoorzamen komt ze in tweestrijd. Vader ziet dat en gaat het begrijpen: liefde is meer dan welstand.
En als zijn dochter met hem alleen is vraagt ze hem dringend van dit huwelijk af te zien. Dat kan echter niet, want de zaak is beklonken en gevierd en je woord breken, dat mag niet. Maar wanneer dan de zoon van de rabbijn verschijnt - een jonge maar ijverige kleermaker - helpen de jongelui vader samen uit de narigheid. Ze willen namelijk niemand anders dan elkaar hebben! En Tevye lost zijn eerste probleem op: de liefde tot zijn dochter krijgt de overhand en hij beloofd de overeenkomst ongedaan te zullen maken. Vraag niet wat hem dat kost - maar de traditie is hier voor het eerst doorbroken.

En als we dit thema, de absolute zeggenschap van een vader volgens de Mozaïsche traditie, nog even volgen, komen de problemen op een rijtje te liggen. Want tijdens de bruiloftsvreugde (hebt u wel eens een Joodse bruiloft meegemaakt? Rembrandt wel) komt het bevel van het czarenregiem: het ghetto moet verdwijnen, de wandelende Jood wordt verjaagd, het dorp zal worden afgebroken.
En wanneer jonge Joden een ondergrondse weerstand gaan opbouwen, gaat de tweede dochter met haar geliefde onderduiken.

Van een tweede bruiloft is nog geen sprake. Wat moet dat worden? Een jong meisje, samen met haar vrienden een stel ondergrondse jongelui, de gevaarlijke wildernis in laten gaan? Maar ze houden van elkaar -zeggen ze - ze laten elkaar en het volk niet los, gaan de vrijheid voor het Joodse volk bevechten. Ze beloven straks hun bruiloft in vrijheid in het ouderlijk huis te komen vieren. Tevye staat het toe, kan het niet verbieden. Gedwongen door de omstandigheden verliest hij opnieuw het vaderlijk veto, zelfs wanneer de schijn van een voorechtelijk samenleven op de achtergrond komt te staan. "Ze houden van elkaar", zegt hij nadenkend en ziet een nieuw ding. Dat je van elkaar kunt houden, ook als je niet getrouwd bent: Zelfs Izaäk ging pas van Rebecca houden (2), nadat hij met haar gehuwd was - zo overweegt hij - en hij vraagt zijn vrouw: zeg, hou jij van mij? Die kinderen zeggen dat ze van elkaar houden!

Het antwoord van de vrouw is prachtig. "Ik ben je vrouw", zegt ze. - Maar houd je van mij? - Ik zorg voor je eten en je kleren, al vijf en twintig jaar lang. Maar houd je van mij? - Ik heb je vijf kinderen gegeven, zegt ze. - Maar houd je van mij? - Dat moet dan eigenlijk wel, zegt ze verlegen.

Bij de derde dochter gaat het vaderlijk gezag helemaal wankelen. Ze is benaderd door een jonge christen, die haar een nieuw testamentje gaf: dat zal je leven veranderen. Maar als ze van hem houdt en met hem wil trouwen is vader niet te vermurwen. Zo gaat ze het huis uit. Wanneer Tevye naderhand de predikant uit het naburige stadje bezoekt, hoort hij, dat diens zoon inderdaad met Tevye's derde dochter is gehuwd. Dat betekent voor de orthodoxe Jood, dat zijn dochter dood is. Hij beweent haar als gestorven, schrijft haar af uit zijn gezin en denken, en hoort haar naam niet meer noemen. Hij blijft wetsgetrouwzijn kind is afvallig, brak de traditie.

Maar zijn kind is een kind van deze tijd en volgt de stem van haar hart. Ze wordt christin en wordt gelukkig. Pas wanneer de familie Tevye moet vertrekken, komen de dochter en haar man afscheid nemen. Maar Tevye ziet en hoort haar niet, blijft zijn boeltje inpakken en opladen, Als de stoet weggaat en zijn dochter haar ouders blijft naroepen, komt hij tot bezinning en roept haar uit, de verte ... Gods zegen toe!

Wat doet die malle titel hier eigenlijk toe? Wel, er schijnt een oud Joods (of Russisch?) gebruik te zijn, dat de eigenaar van een huisje op het dak mag zitten zingen en spelen. Voor de buren? Misschien wel; maar zeker om een lofzang voor Jaweh weg te geven! En deze violist is het verbindingsthema tussen de onderdelen. Als door Marc Chagall herhaaldelijk weergegeven, (3) is hij de verpersoonlijking van de Jood die zich, verheugt, zo niet in het beloofde land dan wel in het stukje grond en het huisje dat zijn eigendom is. Vandaar ook dat, wanneer het ghetto moet verdwijnen, de violist van het dak komt en klagelijk op een afstand achter de landverhuizers aan komt dansen.

Marc Chagall leefde zelf in een dorpje als dit. Het is alsof we heel zijn jeugd herbeleven. Zijn levenswerk als kunstschilder is gebaseerd op de kleurige, vrolijke en toch treurige armoede van zijn jongensjaren. Ook de trouw waarmee hij, na veel Parijse jaren, zijn bruidje ging halen uit zijn geboortedorp, om met haar gelukkig te zijn.

De kleinste dochters gaan mee op de zwerftocht. Maar zal vader nog iets te beslissen hebben? Hijzelf is geslingerd tussen hoop en vrees, tussen geloof en ongeloof. Sprekend tot God, als een vriend tot zijn vriend, zegt hij: "als u toch van ons houdt, kunt u ons dan geen wat beter lot geven? U geeft ons wel veel narigheid - maar u hebt het ook niet gemakkelijk met ons. Ik weet dat u ons uitverkoren hebt - maar had u niet een ander volk kunnen verkiezen?" Hij gaat het zien: wie alles verlaat om Gods wil heeft wel prachtige beloften tegoed, maar krijgt er de verdrukking bij (4). Van liefde komt groot lijden, zong de middeleeuwse dichter. Pas wie zichzelf verliest zal zichzelf terug vinden. Wie dit leven loslaat om Godswil, die zal het behouden (5)

Loslaten is en vreselijk ding. Wij zijn zo behoudend als...een Jood. We willen wel graag onze vreugde uitjubelen, als alles goed gaat. We willen daarvoor wel op het dak zitten, hemelhoog juichend. Maar God liefhebben boven onze vader en moeder, boven onze vrouwen kinderen, onze gezondheid, onze aardse luxe, ons zo vergankelijk bezit - het is erg moeilijk.

Toch, you can't take it with you, je kunt niets meenemen. "Het doodshemd heeft geen zakken", zegt de volksmond.

Maar wie een schat in de hemelen heeft verzameld, die heeft de toekomst. (6)

Noten
1) Luc. 7:23
2) Gen. 24:67
3) Opbouw sept/okt. 1985
4) Marc, 10:29,30
5) Luc. 9:24
6) Luc. 18:22.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief