Gods verticale oorlog

2007-11-23
  • Jaargang 51
  • nummer 23
Geweldsteksten in het Oude Testament. Je kunt er niet om heen, maar de verlegenheid is met de handen te tasten. Verlegenheid rond de vraag in hoeverre God te vinden is in gebeurtenissen, die we dertig eeuwen later als genocide typeren.

Hoogleraar dr. Eric Peels pleit in zijn boekje God en geweld in het Oude Testament voor een eerbiedig en geduldig lezen van de (gewelds)teksten. Maar zijn gesprekspartner dr. Sam Janse vindt dit te weinig en vraagt door op het punt of God Israël heeft aangezet tot heilige oorlogen, waarbij schuldigen en onschuldigen zonder uitzondering gedood worden. Zoals bij Amalek (1 Samuël 15:3), waar mens en dier, jong en oud de dood sterft. In opdracht van Samuël… en in opdracht van de God van Israël?

Aanpassing
Wat hiervan te zeggen? Ik zou het antwoord op het bevreemdende feit dat God zich soms zo vierkant achter menselijk geweld stelt in de aanpassing willen zoeken. Ook Peels gebruikt dit woord een keer (p.67), maar hij zou er m.i. meer mee kunnen doen. De Here God past zich in de bijbel soms verregaand aan bij wat toen en daar geaccepteerd was. Hij is de geschiedenis door met zijn volk opgelopen en heeft het in de jeugd andere dingen laten zien dan verderop in de volwassenheid. Nee, dat betekent niet dat ik in een voortschrijdende humanisering onder de mensen geloof, want met Peels heb ik daar geen hoge pet van op. Het gaat mij om een verandering van het geweld zelf.
Uiteindelijk voert de Here God zijn eigen oorlog tegen het kwaad en dat is, anders dan bij ons mensen, een verticale oorlog. Deze verticale oorlog heeft een tijdje, bijvoorbeeld in de tijd van Jozua, opgesloten gezeten in de horizontale oorlogen van ons mensen, maar gaandeweg hebben die twee lijnen zich van elkaar losgemaakt.

Uit de hemel
Twee psalmwoorden om dit te illustreren. In Psalm 46 lezen we dat de Here God de oorlogen doet ophouden tot het einde der aarde, dat Hij de boog verbreekt, de lans stukslaat en de strijdwagens met vuur verbrandt (vers 10). Dat zijn de horizontale oorlogen die God voor de verwerkelijking van zijn doel afwijst. En wat komt dan te voorschijn als dit decor weggeschoven wordt? ‘Komt en aanschouwt de werken des HEREN die verwoestingen op aarde aanricht’. Dat is het goddelijke geweld waar wij niet bij kunnen. En in Psalm 76 heet het: ’Voor uw dreigen, o God van Jakob, verzonken zo wagens als paarden in diepe slaap…Uit de hemel deed Gij het oordeel horen, de aarde vreesde en werd stil, toen God opstond ten gerichte om al de ootmoedigen op aarde te verlossen’ (vss 7 – 10). Uit de hemel – daar heb je de verticale oorlog.

Vergeestelijking
Als ik het goed zie is er in de Schrift een proces van vergeestelijking gaande, ook als het over de geweldvraag gaat. Ik denk aan wat Elia op Horeb te horen krijgt. De Here God heeft het tegenover hem over drie zwaarden die in serie worden gezet: dat van Hazaël, de koning van Aram-Damaskus, dat van Jehu, de koning van Israël, en dat van Elisa de profeet (1 Koningen 19:17). Het zwaard van Hazaël is een botte bijl waarmee deze heiden een grote slachting aanricht onder de aan afgoderij vervallen Israëlieten. Raak?
Ja, maar wat een overkill die ook de in vs 18 genoemde zevenduizend niet ongemoeid laat! Het zwaard van Jehu is een scherper wapen waarmee de halfvrome koning meer onderscheidenlijk de dienaren van de Baäls in Israël doodt. Maar ook hij ziet aan wat voor ogen is en onderscheidt niet tussen raddraaiers en meelopers. Het is bij Jehu een bruto-afrekening geworden waar God niet blij mee was (Hosea 1:4). En dan het zwaard van Elisa, dat is het Woord van God. Het is het tweesnijdend scherpe zwaard waarmee de profeet zo diep doordringt dat dit instrument bij de mensen vaneen scheidt ziel en lichaam, gewrichten en merg en de overleggingen en de gedachten des harten uitschift (Hebreeën 4:12).
Hier heb je de vergeestelijking van het geweld. Want vergeestelijken betekent niet vervluchtigen of verdampen, maar ultiem ter zake komen en doeltreffend worden. Niet door kracht of geweld maar door mijn Geest zal het geschieden, zegt de profeet (Zacharia 4:6).

Beeldspraak
Tegenover die Geest zijn al onze strijdmiddelen botte bijlen. Alle reden om het geweld (zoals Janse zegt) in Gods hand te laten. Met zijn geweld kan Hij mensen straffen maar ook tot bekering brengen. Het is waar dat dit goddelijke geweld zich in de termen van het geweld zoals wij mensen dat kennen blijft uitdrukken, maar dat is beeldspraak, of voorzichtiger: veel daarin is beeldspraak. Over de hel bijvoorbeeld, de plaats van het ultieme geweld. Het eeuwige vuur en de buitenste duisternis van de strafplaats sluiten elkaar letterlijk genomen immers uit. Letterlijk nemen kan dus niet eens. Paulus spreekt zonder beeldspraak over de plaats der godsverlating (2 Tessalonicenzen 1:9) en dat is een aanduiding die de vlammen en de donkerte ver achter zich laat. Beeldspraak dus en het beeldenboek Openbaring is daar het duidelijkste voorbeeld van.

Verschil in bedelingen
Ik stel deze benadering van aanpassing enerzijds en vergeestelijking anderzijds niet tegenover die van professor Peels, maar daarnaast. Hijzelf zoekt het in het verschil in bedelingen (zie boven) en ook dat is een goede greep. Mooi vond ik ook zijn opmerking dat Oud en Nieuw Testament ook in die zin van elkaar verschillen dat in het oude Israël Gods volk het zwaard van de overheid draagt wat van de tegenwoordige gemeente niet meer gezegd kan worden. Ik voeg daar nog aan toe dat onder dit gezichtspunt de tijd van de aartsvaders ook weer zo anders is dan die van het landbezit. De patriarchen gaan vergeleken met Jozua bepaald vredelievend met die verdorven Kanaänieten om – om niet te zeggen dat deze soms gunstig bij hen afsteken (Genesis 20:9; 34:30; 38:26). Ook in het Oude Testament is er al een zeker verschil in bedeling. Met Peels trouwens ben ook ik van mening dat we liever langer moeten willen luisteren naar de Schrift dan dat we voor het moeilijke probleem van de geweldteksten in de bijbel naar te snelle oplossingen grijpen.

De eerste broedermoord
Op het eind van zijn boek heeft dr. Peels nog voor een toegift gezorgd: een prachtige studie over de eerste broedermoord, in Genesis 4. Eerder al, op p.24, zegt hij dat het niet toevallig is dat deze geschiedenis vooraan in de bijbel staat, als een narratieve opmaat voor wat later in een psalm als volgt onder woorden is gebracht: ‘Niet op bruut geweld / hebt G’uw macht gesteld’ (Psalm 99:3, berijmd). Ik veroorloof mij een vraag bij een klein onderdeel van deze rijke bijbelstudie. Op p.100 schrijft Peels: ‘Het kwaad dat Kaïn dreigt te ondernemen is niet een noodlot, maar een zondemacht die hij moet – en blijkbaar ook kán – tegengaan’. Mijn vraag: is het waar dat Kaïn dit in de ogen van de verteller behalve moet ook kán? De Hebreeuwse woorden op het eind van vs 7 kunnen ook als vraag vertaald worden: ‘…en zult ge over hem (de zonde) kunnen heersen?’ Ik heb van de gebruikte zinsconstructie in de Hebreeuwse tekst vergelijkbare voorbeelden gevonden die dit waarschijnlijk maken: Numeri 32:6; Rechters 11:23; 2 Koningen 19:11; Jeremia 25:29; 45:5; 49:12; Ezechiël 20:31; 33:25, 26. Het lijkt mij in de waarschuwende context van het godswoord aan Kaïn en na de gebleken onmacht van de mens in de hof een acceptabele vertaling.

Dank!
Tot slot: ik denk dat we zowel dr. Peels als dr. Janse kunnen bedanken voor dit diepgaande gesprek dat het theologisch nadenken zozeer stimuleert. Ik heb er een hele kluif aan gehad. Niet verstandelijk, want het is een helder boek, maar geestelijk: wie is onze God? Moeilijk! En verschillende keren heb ik me bij het lezen als Frederik de Grote gevoeld die beide verdedigers van het omstreden standpunt gelijk gaf. Wat dus niet kan.

Ds. Henk de Jong is emeritus-predikant en woont in Zeist.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief