Bethel - poort des hemels

1987-05-15
  • Jaargang 31
  • nummer 19
Ontluikend besef
Als Jacob uit zijn slaap ontwaakt, uit hij zijn verbazing: waarlijk, de HERE is aan deze plaats, en ik - ik heb het niet geweten (ik besefte het niet). Dat de HERE God Zich openbaarde - waar dan ook - dat wist hij van grootvader Abraham en vader Izaäk. De God van Abraham en Izaäk was niet lokaal, aan een bepaald gebied, gebonden, zoals bijv. de Kanaänieten van hun goden dachten. Wonderlijk dat mensen (opnieuw) moeten .leren dat God present is!

Dat God zich openbaarde, wist Jacob. Maar dat Hij zich ook hier - en nuopenbaarde, dàt was voor hem duidelijk een verrassing. Het was immers zo, "dat er nog geen vaste openbaringstijden (en- plaatsen, P.) waren: J ahwè verschijnt op ongeregelde tijden" (B. Holwerda). Het besef is voor J acob overweldigend: en hij vreesde niet: hij werd bang en liep hard weg. Nee, diep ontzag vervult hem. En dat drukt hij zó uit: hoe ontzag wekkend is deze plaats; dit is niet anders dan een huis Gods (Beth-el) en een poort des hemels. Een poort: er is een opening -de hernel is niet gesloten, staat open. J acob mag slapen, de hemel waakt. Ook deze plaats wordt gemarkeerd in de heilsgeschiedenis. Namen als Bethel . worden straks veelbetekenend:Luz (amandelboom) wordt al omgedoopt in Huis Gods. Het heidense Kanaän krijgt nu al de eerste markeringen. Ook al is het nog niet meer hier, dan een opgerichte, met zalf gewijde steen. Maar toch: de naam spreekt voor zichzelf.

Zo de Here wil en ik leef,
Jacob, voegt het woord bij de daad. Hij legt een plechtige gelofte af: indien God met mij zal zijn ... dan zal de Here mij tot'een God zijn. Dat 'indien' houdt geen voorwaarde in van Jacobs kant. Althans geen andere dan dat' een mens in leven moet zijn, wil hij God eer bewijzen. Als in Ps. 30: kan het stof U loven, kan dat uw trouw vermelden? Jacob noemt dan ook de levensbehoeften: indien God ... mij behoeden zal op deze weg, die ik ga, mij zal brood geven om te eten en klederen om aan te trekken, en ik behouden tot mijns vaders huis wederkeer ... Zijn gelofte, zijn eed is: Jacob zal, zolang hij leeft, de levende God dienen en geen ander. "De Here zal mij tot een God zijn en hij rekent er op in 't huis(gezin) van zijn vader terug te keren. Hij gelóóft God. En: deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen. Bethel, voorlopig niet meer dan een rechtop gezette steen, en toch een blijvend teken, een veelzeggende markering in het beloofde land en mijlpaal in de heilsgeschiedenis. Een cultusplaats waar de naam des Heren wordt aangeroepen. En zoals vader Abraham in Melchizedek, priester des allerhoogsten Gods, zijn meerdere erkende en hem de tienden gaf (Gen.: 14:20), zo betuigt Jacob rechtstreeks aan de Here zijn onderworpenheid en toewijding: en van alles wat Gij mij schenken zult (dat is pas uitgaan van de belofte!), zal ik U stipt de tienden geven.

Horen en zien in dimensies
Rechtstreeks: want hij' heeft God daar gezien. Huis Gods, poort des hemels - is het niet om jaloers te worden? Niet dat dat helpt - en daarom gaat men er wel de vergeestelijkende toer mee op: elk mens moet zijn Bethel hebben. Maar Bethel was nu eenmaal 'einmalig': dat komt nooit weer. Calvijn echter (waarnaar prof. B. Holwerda verwijst) wijst de weg. Niet naar Bethel, maar naar iets dat daar ver boven uitgaat. We herinneren ons Holwerda's opmerking: er waren geen vaste openbaringstijden toen, en Jahwè verscheen op ongeregelde tijden. Calvijn wijst nu op het Woord, de verkondiging van het Woord: dáárin openbaart God zich regelmatig en op vaste tijden, daarin horen wij Hem spreken.
Ook wijst hij op de sacramenten, die hij bij wijze van spreken, de poorten des hemels noemt "omdat zij ons de toegang openen tot het aanschouwen van God". Hoeveel meer heeft God ons bekend gemaakt dan J acob te horen en te zien kreeg. En wat berokkent een mens zichzelf een schade wanneer hij de verkondiging van het Woord en het gebruiken der sacramenten verwaarloost en (te) licht acht. Het evangelie zegt zelf dat het geloof is uit het gehoor. D.w.z. door de boodschap die in Woord en sacrament ons wordt aangereikt. Een boodschap die heel de heilsgeschiedenis door, ook in Jacobs dagen, de troost biedt dat de zaligheid niet verkregen wordt door eigen prestaties of verworvenheden. De zaligheid is uit genade en door het geloof in Hem, die ook nu nog zegt: Ik ben met u.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief