Dominees en hun voornamen

1987-05-15
  • Jaargang 31
  • nummer 19
De dominee van mijn jeugd was een deftig man en een zeer correcte verschijning. Nimmer zag ik hem met ongepoetste schoenen, met haren in de war of zonder das. Het gerucht ging dat zelfs zijn pyjamabroek dagelijks van een verse,vouw werd voorzien. Het was voor mij lange tijd verborgen dat hij evenals gewone mensen ook een voornaam had. Ik had er moeite mee, aan' te nemen dat hij door bepaalde mensen gewoon met Leen werd aangesproken.

Dat is nu allemaal anders geworden. Was het in mijn jeugd nauwelijks bekend dat dominees voornamen hadden, nu schijnt men in sommige gemeenten nauwelijks te weten dat de predikant ook een achternaam heeft. Men meent dat dominees, evenals pausen alleen met een voornaam door het leven moeten, desgelijks trouwens ouderlingen, al maakt men voor deze broeders nog wel eens een uitzondering vanwege hun leeftijd. Is dat niet gezellig?
Of is er iets op tegen? Na ernstig overleg moet ik zeggen dat er weinig op tegen' is. Weinig,zeg ik, dat geeft mij enige speling.
Wel moeten wij er ons van bewust zijn en dat ook ronduit erkennen dat de eer van de invoering van dit gebruik niet de kerk toekomt maar om zo te zeggen de wereld die de consequentie trok uit de nivelleringswoede van de zestiger jaren.

Maar wij moeten niet proberen, het gebruik van voornamen in de kerk bijbels te funderen. Zo hoor ik wel eens beweren dat dit gebruik eenvoudig hoort bij het feit dat wij in de kerk broeders en zusters van elkaar zijn. Me gaat er dan vanuit dat omgang tussen broers en zussen naar het vlees model behoort te staan voor de omgang tussen broeders en zusters in de kerk. Dit nu is een dwaling. E(!n mooie dwaling, maar een dwaling en zij dient ook als zodanig aan de kaak gesteld te worden. Ik heb twee zusters naar het vlees en bij onze schaarse ontmoetingen pleeg ik hen hartelijk te omhelzen en hen, geheel naar de trend van deze tijd, op beide wangen te kussen. Maar laat nu niemand mij wijs maken dat ik over een paar weken, als ik, terugkeer van vakantie, geroepen ben om bij de uitgang van de kerk mijn zusters in het geloof op te wachten ten einde hen te omhelzen en op beide wangen te kussen. Ik weet haast zeker dat zij het voorrecht dat hen dim te beurt viel niet op de juiste waarde zouden weten te schatten èn daarom weiger ik, zover te gaan in mijn betoon van liefde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief