Over trouw- en rouwdiensten, persoonlijk geloof en de AOW
2007-11-23
In de vijftiger jaren van de vorige eeuw waren heel wat voorgangers principieel op een manier die wij niet meer kennen. Zo verschijnt in Opbouw van 1 november 1957 een artikel van ds. B. Telder uit Breda waarin hij zich uitspreekt tegen de kerkelijke huwelijksbevestiging. Hij ziet er namelijk ‘Rooms bijgeloof’ in.- Jaargang 51
- nummer 23
De kerk moet altijd zeer voorzichtig zijn om dingen aan zich te trekken waartoe ze niet van Christus’ wege geroepen wordt. Als een broeder en zuster der gemeente elkaar trouw hebben beloofd en hun trouwbeloften voor de ambtenaar der burgerlijke stand voor Gods aangezicht hebben uitgesproken – de overheid is immers dienares van God – dan is het huwelijk voltrokken. En dat is voldoende. Des zondags kan dan openlijke voorbede voor het bruidspaar geschieden. Heel de gemeente leeft mee. En de herder der gemeente kan op de trouwdag in de familiekring zijn pastoraal bezoek brengen en zijn meeleven betonen. En zo kan alles in goede orde en in de vreze des Heren geschieden zonder het decorum van een kerkelijke plechtigheid. In het meedoen met de ceremoniën van een bruidspaar (knielen, handoplegging, ringen verwisselen, zegenspreuken) werkt meer na van het Roomse bijgeloof van het ‘sacrament’ dan we erkennen willen.
Rouwdiensten
Uit een volgend artikel blijkt dat ook de rouwdienst principieel door ds. Telder afgewezen wordt. En daarbij heeft hij de toen geldende kerkenorde aan zijn kant.
Gelukkig, als regel hebben onze kerken zich daaraan wel gehouden, al wordt ook onder ons, helaas, soms nog het gebruik gevonden, bijvoorbeeld als een voorganger der gemeente gestorven is, om de lijkbaar voor de preekstoel te zetten en een soort rouwdienst in de kerk te houden met toespraken en gebeden.
Maar officieel zijn toch de rouwdiensten in de kerk veroordeeld.
Persoonlijk geloof
‘Jongeren spreken gemakkelijk over hun geloof, maar bij ouderen krijg je zelfs op huisbezoek vaak de tongen niet los als je naar hun persoonlijk geloofsleven vraagt.’ ‘Ze hebben dat niet geleerd. Klacht van veel ouderlingen.’ Als – nog een keer dezelfde - ds. Telder de gangbare gedachtegang van die jaren weergeeft, is dat niet verwonderlijk.
Zulke vragen zijn niet wenselijk. Ze brengen hem of haar die rechtstreeks ondervraagd wordt, altijd in een zekere verlegenheid. Men moet dan opzettelijk over zichzelf gaan spreken. En dat doet niemand graag.
Iemand kan zich door woord en daad, in handel en wandel, een oprecht kind des Heren betonen en toch in verlegenheid geraken, als hem direct de vraag gesteld wordt: ‘moogt ge u een oprecht kind van de Here weten?’ Ge kunt beter met zulk een broeder of zuster over de dingen van Gods koninkrijk spreken en als ge dan de Here looft en prijst en van zijn Woord en werken spreekt, zal hij u van harte bijvallen. Dan kent ge de ware broeder en ge dankt samen de Here. En de vragen naar het persoonlijk geloofsleven blijven vanzelf achterwege.
AOW
Principieel was ook de afwijzing van de AOW voor predikanten.
De classis Warffum vraagt de eerst volgende Generale synode zich tot de bevoegde instanties van de overheid of rechtstreeks tot de kroon te wenden om aan deze de gewetensnood voor te leggen waarin de kerken en haar dienaren door de AOW worden gebracht en haar dringend te verzoeken een dusdanige regeling in het leven te roepen dat de predikanten vrijgesteld worden van alle premie en dan ook uiteraard geen recht kunnen laten gelden op enige uitkering krachtens de AOW.De overwegingen daarbij waren dat de Gereformeerde kerken het van ouds als haar roeping van Godswege gezien hebben om zelf te zorgen voor haar dienaren des Woords vanaf de dag van hun ambtsaanvaarding tot hun laatste levensdag toe, zie o.a. 1 Cor. 9:13,14. En dat van ouds door deze kerken het gevaar gezien is van overheidsinmenging.
Jan Lakerveld is neerlandicus, lid van de NGK te Emmeloord en redacteur van Opbouw.