Theologie en de twee naturen van de Bijbel
1989-12-22
1. Is theologie eigenlijk ongeoorloofd?- Jaargang 33
- nummer 26
De vorige keer eindigde ik met een karakteristiek van de theoretische denkhouding waarin mensen bezig kunnen zijn met de Bijbel. Hierover wordt wel eens de vraag gesteld of een dergelijke omgang met de Schrift geoorloofd is. Als we geloven en belijden dat de Schrift, zij het in de gestalte van een boekmatig vastgestelde tekst, toch primair het actueel ons aansprekende Woord van God zelf is, is dan niet de enige geoorloofde en geboden reactie onzerzijds die van het qeloven, van de geloofsóvergave: spreek Heer, Uw knecht hoort, open mijn hart opdat ik Uw Woorden kan verstaan en doen? Men hoort dit in onze kring nog wel eens zeggen. Bij doorpraten blijkt dat er dan toch soms sprake is van een enigszins anti-theologische stemming. Een afstandelijke, kritisch-vragende denk- en kennishouding tegenover de Bijbel wordt dan beschouwd als ongepast, oneerbiedig.
We zijn dan immers, zo luidt het bezwaar, niet meer geheel en al, en apriori, ingesteld op de actualisering van onze geloofs-houding. Het gaat ons dan niet primair om vertrouwelijke overgave en geloofsgehoorzaamheid aan het Woord, om daardoor getroost, onderwezen, vermaand en verblijd te worden.
Nee, in de wetenschappelijke denkhouding gaat het ons primair om wat anders. Nl. om al of niet interessante kennis, om weten, om al dan niet nieuwsgierig ondervragen, om structuur en systeem, om historische achtergronden, om detailkennis, enz. Toegegeven - het uiteindelijke doel is meestal met die aldus verworven theologische kennis de primaire geloofsactiviteit te ondersteunen en te helpen. Maar gezien vanuit het theologisch onderzoek zelf blijft dat een wel legitiem, maar toch uitwendig doel. Structureel gezien blijft theologische kennisverwerving een analytisch gekwalificeerde bezigheid, geen geloofsactiviteit.
De vraag blijft dus nog even: kan dat, mag dat, een dergelijke afstandelijke theoretische houding tegenover de Schrift, tegenover de ons aan- en toesprekende Heer?
Men lette er wel op: het gaat hier dus niet om de erkenning, zo u wilt: de open deur, dat de theoloog zijn wetenschappelijke arbeid gepaard moet doen gaan met persoonlijke vroomheid, en omgekeerd! Sinds de beroemde inaugurele oratie van Voetius in 1636 hierover ('De pietate cum scientia conjugenda') is dat ontelbare malen beklemtoond.
Nee, de vraag is dus anders, nl. of het 'zuiver-wetenschappelijk' onderzoek van de Bijbel als zodanig wel christelijk kàn zijn, of het zelfs wel geoorloofd is, of de afstandelijke, nieuwsgierige, kritische of minstens gereserveerde, om niet te zeggen: beroepsmatig wantrouwende onderzoekshouding als zodanig niet
oneerbiedig tegenover de Schrift is.
Kàn zulk een houding gepaard gaan met de geestelijke honger, met de hartelijke overgave en met de apriorische geloofs-beaming van het gelezene?
Staat deze kennis-houding als zodanig niet de vertrouwelijke omgang met onze God 'in de weg?
Zoals ook de liefde en de omgang tussen echtgenoten beschadigd en zelfs uitgeblust kan worden wanneer men elkaars gedrag, woorden en andere levensuitingen voortdurend, al of niet stilzwijgend: met een kritisch-psychologische blik analyseert en beoordeelt Is wetenschap, ook theologie, niet de dood voor de spontanttett en de hartelijkheid van het ware geloof en de liefde in de omgang (via het Woord) met God?
2. Gevaar èn legitimiteit van de theologie
Inderdaad moet n.l. die vraag vaker gesteld en zowel praktisch als theoretisch overdacht worden. Mijn antwoord is in eerste instantie: ja. De theoretische denkhouding betekent vaak, en zelfs krachtens haar aard, een geweldpleging op het leven. Zij is vaak de dood voor de spontaniteit, het gevoel en de hartelijkheid. Dat geldt ook voor de theologische wetenschap in haar relatie met het geloof van de onderzoeker. Ik ken heel wat voorbeelden, reeds uit de jaren dertig en uit de jaren zestig, dat deze mogelijkheid ook werkelijkheid is geworden. Het hartelijk geloof en vertrouwen jegens de Here werd dan ongewild en sluipend toch ondermijnd, omdat de 'hogere kennis', de 'betere waarheid' van de wetenschappelijke theologie méér beslag op het hart legde dan de 'primitieve' geloofskennis van de gemeente. Dit is een reëel gevaar, juist voor hen die met groot enthousiasme de theologie beoefenen. Ze worden er ook door gesterkt in hun superioriteitsgevoel en eventuele kerkelijke machtsaanspraken. In grote delen der christenheid werd zo het geloof gereduceerd tot kennis, en onder de heerschappij gesteld van de theoretisch verdiepte geloofs-kennis, de theologie.
Toch is hiermee nog niet de helft gezegd. Want deze mogelijke bijwerking, die de theologie wel altijd tot een riskant bedrijf maakt, heft haar legitimiteit en haar noodzakelijkheid niet op. Wel moeten we n.l. begrip opbrengen voor een antitheologische stemming, hoezeer die ook af te wijzen is. De gerechtvaardigde afkeer van de bijbelkritiek in de theologische opleidingen in de vorige eeuw heeft mensen als Hoedemaker en Kuyper tot het oprichten van een alternatieve theologische opleiding genoodzaakt, een 'echt gereformeerde' theologie, in de geest van Calvijn. Een eeuw later hebben we gezien en meegemaakt dat deze geen gegarandeerde bescherming heeft kunnen bieden tegen een omvangrijke afglijding naar de vrijzinnigheid. Apeldoorn (chr. ger.) Kampen (art. 31) en Amersfoort (E.H.) zullen naar mijn overtuiging dezelfde ervaring opdoen, nu al of t.z.t. Dat betekent o.a. dat we nog lang niet af zijn van de schorsingen en scheuringen binnen de gereformeerde gezindte. Dat zit nl. 'ingebakken', niet in de theologie als zodanig, maar in de hantering, gewichtsbepaling en existentiële waardering en functionering van de wetenschappelijke theologie. Met name' ook in de ongeoefendheid van de predikanten (en van de kerkeraden) om haar te onderscheiden van de geloofs-kennis.
Dat is ook niet eenvoudig. althans om dat deskundig en wetenschappelijk verantwoord te doen. Op zichzelf is dat niet zo erg, maar mede door de eeuwenoude scholastieke traditie van 'de orthodoxie, is ook het praktische en intuïtieve weten dat er verschil is tussen geloof en theologische kennis, permanent onderdrukt, niet beklemtoond en zo ook niet tot een levende ontwikkeling gekomen.
Niet eenvoudig, zei ik. Want ook al in de oecumenische en gereformeerde confessies. is, tegen hun eigen bedoeling en functie ingaande, hier en daar al heel wat theoretische afstandelijkheid, filosofisch taalgebruik en theoretische argumentatie ingeslopen.
Maar dat hoeft beslist niet tot ongelukken te leiden, zolang er maar echt kerkelijk mee omgegaan wordt, en niet wetenschappelijktheologisch of historicaal.
Een voorbeeld van dat niet geloofsmatig maar puur theoretisch omgaan met de confessie vond bijv.
plaats in de jaren dertig, toen kerkelijke en theologische 'leiders' de reformatorische wijsbegeerte beschuldigden van afwijking van de belijdenis in Zondag 1 van de Catechismus, omdat die al in de eerste regel zou' leren dat een mens bestaat uit lichaam .en ziel. Nota bene: in antwoord op de vraag 'Wat is uw enige troost?' Zelfs de H. Schrift zou dit antropologisch dualisme leren, als zij deze termen uit de toenmalige, ook door mythologie en filosofie beïnvloede, omgangstaal gebruikt, bijv. in Mt. 10:28.
3. De 'twee naturen' van de Bijbel
We zijn nog steeds niet klaar met ons antwoord op de vraag of wetenschappelijke theologie wel kàn, wel mag. Na de erkenning van de geschetste gevaarlijke bijwerking die aan elke wetenschap, maar vooral ook aan de theologie eigen is, blijf ik vasthouden aan de legitimiteit, ja zelfs aan de noodzakelijkheid van theologie. Dat passen we nu toe op de bijbeltheorie, de 'locus de sacra scriptura'.
We nemen dus ons geloof en ons belijden van wàt we geloven aangaande de Bijbel ten volle serieus en zeggen: inderdaad - tegenover de tot ons sprekende God past ons geen gedistantieerde, nieuwsgierige, wantrouwige, vergelijkende en toetsende kénnis- en denkhouding.
Tegenover de levende God past ons, in de ontmoeting met Hem via zijn Woord, slechts geloof, met alles wat dááraan inherent is: liefde, lof, aanbidding, apriorisch vertrouwen.
Waarom dan toch nog wetenschappelijke theologie, die in heel haar karakter en structuur iets anders dan dàt is?
In antwoord op deze vraag wordt nogal eens vaak gewezen op het historisch karakter van Gods Woord en alleen dàt al maakt historisch bijbelonderzoek noodzakelijk. Met heel veel dogmatische en ethische consequenties daaraan verbonden.
En soms vraagt men (m.i. terecht) zich af: doen wij wel voldoende recht aan die concrete historiciteit van de Bijbel?
Toch vraagt dit antwoord enige bezinning en plaatsing in een groter kader. Want hoewel die verwijzing naar het historisch karakter van de Schrift, mede als argument voor de noodzaak van theologie, op zichzelf niet onjuist is, kun je er nog verschillende kanten mee uit: ook verkeerde kanten. Het kan ons bij voorbeeld dwingen tot de m.i. verwerpelijke onderscheiding tussen 'de boodschap' (het kèruqrna) en 'de historische verpakking' - een idealistische gedachte· waarin ook nog weer een ·goede bedoeling en een kern van waarheid kàn zitten. We zitten hier nl. tussen twee gevaren: historisering en idealisering (d.w.z. rationalistische vereeuwiging) van Gods Woord. Het zou nu veel te ver voeren dit uit te werken, het zou een flink hoofdstuk in een dogmatische bijbeltheorie worden. Gevolgd door een flink hoofdstuk over het gevaar van de overheersing van het geloof door een· hlstoricale, d.w.z. geschiedeniswetenschappelijke interpretatie van de bijbelse geschiedenissen. Het
laatstgenoemde leidt onherroepelijk – tenzij men z'n wetenschappelijke integriteit prijs geeft - tot de erkenning van tal van zogenaamde 'tegenstrijdigheden"
in de Bijbel. Want we hebben in onze traditie niet voldoende geleerde onderscheiden tussen werkelijke geschiedenis en (abstracte) geschiedeniswetenschappelijke resultaten, tussen theoretisch en praktisch, d.w.z. tussen gefilterd, aspectueel, theoretisch gereduceerd 'omgaan met het verleden én met het politiek, esthetisch, moreel of geloofsmatig bezig zijn met het verleden'.
We moeten dus volstaan met een korte positieve aanduiding van wat ons voor ogen staat als het begin van een theologische oplossing die ons boven meerdere gangbare maar foute dilemma’s tilt. Wellicht kan daartoe de titel van deze paragraaf dienen: de 'twee naturen van de Bijbel', dus: een goddelijke en een menselijke natuur. Deze theoretische onderscheiding herinnert elke theoloog natuurlijk aan de christologie, waarin we ook spreken over de twee 'naturen' van Christus. Het is inderdaad te vergelijken, niet te identificeren. Een vergelijking die alleen opgaat wanneer men alle accent legt op het ondoorgrondelijk geheimenis van de eenheid en verbondenheid van deze 'twee naturen' - zowel in de christologie als in de bibliologie.
Het Woord Gods is één met en ongescheiden van het historisch en menselijk karakter van de Schrift. Het valt er, theologisch gezien, echter niet mee samen, is er niet identiek mee. Ik kom daarop in het volgende punt nog terug. Maar voorlopig kunnen we het goddelijk geheim, het goddelijk karakter, de goddelijke natuur van het boek dat wij Bijbel noemen, goed vergelijken met het God zijn van het vlees-geworden Woord: Christus. Dat geheim heeft de kerk al vroeg moeten verdedigen en belijden tegenover allerlei rationalistische afdwalingen. Dat geloof werd geformuleerd in de belijdenis dat Christus waarachtig God én waarachtig mens is. Theologisch en confessioneel geformuleerd: 'twee naturen in enigheid des Persoons' en deze 'naturen; dan 'ónvermengd en ónveranderd, óngedeeld en ónqescheiden' (Nicea 325, Constantinopel 381 en Chalcedon 451). Let wel: vier ontkenningen tegenover de ketters, D.w.z. men kon niet zeggen hoe het wel was, maar wel hoe het niet was.
Het geheim werd geëerbiedigd. En daarmee had het eigenlijk afgelopen moeten zijn in de theologiegeschiedenis met alle pogingen om uit het leven van Christus op aarde het ene woord of werk toe te schrijven aan zijn goddelijke natuur en het andere aan zijn menselijke natuur. Maar ja, het sciëntisme zit nu eenmaal vanuit Griekenland ingebakken in onze westerse cultuur en theologie.
4. Praktische of theoretische identificatie van Bijbel en Gods
'Woord De Bijbel is Gods Woord.' Dit Woord Gods kwam tot ons in de gestalte van een boek vol met getuigenissen van de bekende profeten en apostelen en van een flink aantal onbekende auteurs en 'redacteurs'. Hoe de verhouding is tussen deze 'twee naturen' is een vraag die, althans in de wetenschappelijk-theologische benadering, niet simpel met een is-gelijk-teken beantwoord kan worden.
Dat de Bijbel Gods Woord is, ' kan niet wetenschappelijk vastgesteld worden, evenmin als de tijdgenoot van Jezus van Nazareth 'objectief' kon 'vast stellen' (sic) dat Jezus de Zoon van God was, ja God zelf.
Dit belijden is niets anders dan een geloofsdaad.
In theologische zin zeggen: "de Bijbel is Gods Woord" zou niet minder zijn dan vergoddelijking van de menselijke zijde, of een vermenselijking van de goddelijke zijde van de Schrift. Men vergelijke de uitdaging van de roomskatholieke transsubstantiatietheologie.
Het stáát er toch maar 'dit is mijn lichaam'. Ook Luther had het er al bar moeilijk mee: "es steht zu gewaltig dal". Alles komt er echter op aan in welke geest, in welke denk-houding het woordje 'is' wordt gebruikt: in een analyserende wetenschappelijke óf in een praktischgeloofsmatige, dat is per definitie: in een verwijzende zin.
Wanneer we nu het praktische geloofsweten dat de Bijbel, behalve Gods Woord, ook een historischmenselijk boek is, al is dat dan niet het voornaamste wat er van te zeggen is, dan verstaan we ook - als gewone schriftgelovigen, dat dit boek net als alle andere gegevenheden-onder-de-zon, voorwerp mag zijn van theoretisch, d.w.z. van de goddelijke natuur abstraherend (af-trekkend) onderzoek, en dat zelfs in diverse faculteiten van de wetenschap: Dat dit geen 'scheiding' van geloof en wetenschap kan, mag en behoeft te betekenen, komt later aan de orde.
(wordt vervolgd)