Harde heelmeesters

2007-11-23
  • Jaargang 51
  • nummer 23
In Opbouw van 28 september citeerde ik in deze rubriek een artikel van dr. Wilschut, waarin hij de oude Vrijgemaakte visie op de scheuring in de zestiger jaren onverkort verdedigde. Ditmaal een ander geluid, afkomstig uit het (Vrijgemaakte) Gereformeerd Kerkblad van 22 september, en geschreven door redactielid Heerco Walinga.

De uitdrukking ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’ heeft in de tijd van haar bestaan bestaansrecht verkregen.
In het kerkelijk leven is ze echter vaak gebruikt om maatregelen en standpunten te rechtvaardigen die - zo blijkt dan later uit het resultaaterger waren dan de kwaal. En zo zijn er mensen uit de kerk weggegaan die zich daartoe gedwongen voelden, maar dat niet wilden. Het waren dan harde heelmeesters die dreigende kwalen aanwezen en meer aanstuurden op amputatie dan op genezing.
Op die manier vermijd je het risico van een mogelijk stinkende wond, dat is wel zeker, maar als dat betekent dat je hinkend verder moet en nog jaren aan fantoompijn blijft lijden, dan moet je je afvragen of zo’n gezondheidspreventie wel heilzaam is voor het lichaam van Christus. Daarbij is het de vraag of de kwaal wel zo dreigend was.
Neem nu wat in de tijd van de zestiger jaren ook is voorgekomen, maar wat feitelijk niet in de beschrijving van de kerkelijke historie is terug te vinden: velen van de mensen die ‘buiten verband’ zijn komen te staan, hadden helemaal niet de intentie om de belijdenis te ontkrachten. Het was in een bepaald opzicht maar een relatief kleine ‘bovenlaag’ die dat suggereerde.
Maar de meeste ‘gewone’ gemeenteleden hadden die belijdenis gewoon van harte lief en er ook publiekelijk mee ingestemd. (Wat dat betreft is er een parallel te trekken met wat het boek ‘Vrijgemaakte Vreemdelingen’ voorzichtig noteert, namelijk dat er maar een ‘bovenlaag’ van leidende mensen was die zich - in theorie? - druk maakte over bijvoorbeeld de antithese. Zeker, ook veel ‘gewone’ kerkmensen stemden daarmee in, maar in de praktijk van het dagelijks leven, was het onderwerp antithese veel minder merkbaar dan in de kerkelijke pers.) Waarom gingen die ‘gewone kerkleden’ dan toch mee met de mensen die ‘buiten verband’ raakten? Omdat ze geraakt waren door de waarschuwing dat we in de kerk meer dreigden te gaan vertrouwen op de eigen organisatie en de zelf opgebouwde zekerheden van het kerkelijk leven en denken.
Zo zou je kunnen zeggen dat er aan beide zijden harde heelmeesters waren. Er klonken geluiden om de belijdenis maar rigoureus af te schaffen (ook een vorm van amputatie), en er klonken geluiden die zeiden: ‘Als je dan niet voluit vrijgemaakt wilt zijn, dan ga je maar.’ Zachte heelmeesters, nee, niet altijd goed.
Harde heelmeesters, ook niet altijd even gezond.
Zorgvuldige, liefhebbende heelmeesters, met oog voor het welzijn van het hele lichaam, en met het bewustzijn dat er helaas geen 100 procent gezonde lichaamsdelen zijn (inclusief zij-zelf), die kunnen met het medicijn dat Gods Woord biedt, genezend werken.

Een boeiende poging om kritisch te kijken naar het eigen aandeel in de totstandkoming van de scheuring in de zestiger jaren. Deze benadering biedt veel meer mogelijkheden om elkaar voor Gods aangezicht te ontmoeten, dan de geharnaste visie van dr. Wilschut. En ‘fantoom-pijn’, wat een mooi woord in dit verband. Laten we daar, over kerkgrenzen heen, vooral maar veel last van hebben. Toch een kritische opmerking. De redenering van Walinga is van een type dat ik de laatste tijd vaker tegenkom in Vrijgemaakte kring; die zondermeer sympathiek is, maar mij niet helemaal kan overtuigen. De redenering is simpel: waar twee kijven hebben twee schuld, en dus zijn aan beide kanten fouten gemaakt. Zo wordt een evenwicht geconstrueerd in verantwoordelijkheid en schuld. Nu is dat een hele stap vooruit, vergeleken met vroeger, toen er slechts in zwart en wit werd getekend. Maar wordt het zo niet een beetje grijs? Ik zou bijvoorbeeld wel willen weten wie er behoorden tot die ‘relatief kleine bovenlaag’, van wie Walinga suggereert dat ze in de zestiger jaren de belijdenis rigoureus wilden afschaffen (‘ook een amputatie’). Ik kan me geen pleidooi in die richting herinneren.

Ik sluit af met een citaat uit een brief van de jong overleden ds. W. Borgdorff, degene die na ds. B.J.F. Schoep het meest betrokken is geweest bij de uiteindelijke redactie van de Open Brief (1966). Een jaar na het verschijnen van die brief schreef hij:

1) Mensen, wij staan met beide benen en met heel ons hart in de vrijgemaakte kerken.
2) Maar in deze kerken willen wij gewone Christenen zijn, die leven van de barmhartigheid Gods; die alleen het Evangelie van de Here Jezus willen verkondigen; en die ieder willen aanvaarden die met ons buigt onder het Evangelie van Christus. Daarom weigeren wij broeders en zusters in de Here Jezus, wáár ze ook staan, los te laten.

Amen!

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK in Enschede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief