Ik mag er zijn

1988-07-15
  • Jaargang 32
  • nummer 27
Om te beginnen wil ik graag de titel van m'n verhaal toepassen op mijzelf.
Ik ervaar het als een voorrecht dat ik er zijn mag, hier op uw ontmoetingsdag. Geen predikant van uw kerken, maar wel sinds 1965, toen ik in Eindhoven kwam, en ook later in Groningen en nu in Rijswijk, van harte betrokken bij de verhouding tussen uw kerken en de mijne. Daarom ben ik vandaag erg dankbaar dat ik er zijn mag!

Intussen zitten we daarmee al ongemerkt bij het probleem dat in de titel ligt opgesloten.
Als ik namelijk mijn dankbaarheid uit dat ik er zijn mag, ben ik daarmee een vreemde eend in de bijt van de hedendaagse wereld! Want die vier woordjes "ik mag er zijn" geven kort en krachtig en stuk modern levensgevoel weer. Alleen: men bedoelt het dan niet als een voorrecht waarvoor je erkentelijk zou moeten zijn, maar als een recht waarop je aanspraak kunt maken.

Je kunt het beluisteren in allerlei toonaarden en uit allerlei richtingen. Van jongeren. Van vrouwen. Van groepen in bepaalde kerken. Van het kind dat z'n eigen weg gaat binnen of buiten het ouderlijk huis. Van het gemeentelid dat zich niets laat voorschrijven maar eigen keuzen wil maken.
"Ik mag er zijn": het is een roep van vélen, om ruimte voor zichzelf, om vrij en onafhankelijk te kunnen zijn. Om eigen wezen te kunnen ontplooien, en eigen mogelijkheden naar eigen inzicht te kunnen benutten. Een van de laatste voorbeelden daarvan is wat genoemd wordt de "ultra consumer". Zijn inkomen is boven modaal maar ambitie voor een top funktie heeft hij niet. Liever gebruikt hij het geld dat hij nu verdient om er goed van te leven en zichzelf door dure aankopen te bevestigen, onder het motto: Ik heb er hard voor gewerkt, dus het komt mij toe.

Nu, als mensen zó poneren dat ze "er zijn mogen", is dat dus beslist niet een zaak van dankbaarheid, of van het besef: wie ben ik, dat ik dit mag... Want tegen wie zouje dát moeten zeggen? Wie zou je ervoor moeten bedanken, alsof het een gunst en een voorrecht is datje er zijn mag? Ik heb toch het récht om er te zijn? Ik mag toch opkomen voor mijzelf, en mij verdedigen tegen ieder die de door mij geclaimde ruimte zou willen inperken? Wie anders dan ik zelf mag immers bepalen dát ik er mag zijn en hóe ik er mag zijn?

Geen bindingen
Daarom is de keerzijde van het "ik mag er zijn" ook de afweer van elke binding die deze ruimte in gevaar zou brengen.
Binding aan gezag. Aan ouders. Aan een vast patroon van normen. Aan kerk of gemeente. Aan een huwelijk voor het leven. Aan God - althans die God die Zelf zou willen bepalen hoe het tussen Hem en mij moet toegaan.
Allemaal bindingen die de echte zelfontplooiïng kunnen verhinderen! Begeef je daar dus niet te diep in, of ontworstel je eraan. Durf gewoon jezelf te zijn!

Het zal ons niet moeilijk vallen om in veel van dit alles een geestelijk motief te ontdekken dat het onze niet kan zijn. En we kunnen het spoor van dat motief terug volgen door de geschiedenis. Dan komen we bij de franse revolutie. En daarvóór bij de Verlichting van de 17el 18e eeuw. En nog verder terug bij renaissance en humanisme van de l Se/ 16e eeuw. Eigenlijk één grot-ebeweging waarin je ziet hoe het "ik" van de mens zich ontdoet van bindingen die het als ketenen van slavernij gaat ervaren, onder het motto: ik verkies de vrijheid!

En laten we dan ook maar radicaal teruggaan, naar hét begin. Naar het paradijs, waar Gods grote vijand ons gezet heeft op dit spoor: dat wij er ook mogen zijn. En dat we ons daarom niet door God moeten laten drukken in de hoek van het afhankelijk-zijn van Hem en wat Hij wil.
Zo komen we dan uit bij woorden als "hoogmoed" en "opstand tegen God".
Prof. Berkhof spreekt van "Godsverduistering": zoals de maan bij tijden zich tussen de zon en de aarde schuift en het zonlicht verduister, zo verduistert het dogma van de autonomie van de mondige mens het licht van God.
Bij die typering kunnen we ons goed aansluiten en we hebben dan een duidelijk oordeel geveld over de levenshouding van de moderne mens.
Alleen: hoe nu verder? Hoe gaan we dan óm met die mens van onze tijd, die we soms heel dicht bij ons waarnemen, misschien zelfs in eigen familie of gezin?
Zullen we hem veroordelen, afkeuren, en verder links laten liggen?
Hebben we hem niets méér te bieden dan dat?

Schapen zonder herder
Als Jezus goed kijkt naar de schare van zijn tijd, ziet Hij ze als "schapen zonder herder". Dat mogen we ook wel zeggen
van de mondige mens van onze tijd - en dat is dan niet alleen een kwestie van nood maar ook van schuld. Schuld van diegenen die geroepen waren hun herders te zijn - maar ook eigen schuld. Ze zijn niet alleen het slachtoffer van misleiding.
Ze zijn ook zelf afgedwaald van God, de enige góede Herder. Toch staat er dan in het evangelie niet dat Jezus die herderloze schapen veroordeelt, maar dat Hij met ontferming over hen bewogen is - want ze waren voortgejaagd en afgemat (Mattheüs 9: 36).

Zijn die woorden ook niet van toepassing op de mens van onze tijd? Want het is zeer vermoeiend om voortdurend jezelf te moeten waarmaken - terwijl je tegelijk geen antwoord hebt op de vraag "wie bén ik eigenlijk?".

Die vraag komt van buiten af, uit de samenleving, waar je steeds meer een nummer wordt in het grote geheel, een gegeven in de computer, speelbal (voor eigen gevoel) van ongrijpbare machten die je manipuleren en waar je geen verweer tegen hebt. Je hebt een goed diploma en bent een mens met capiciteiten maar zonder werk. Er is geen vraag naar je. Of je hebt wel werk vandaag nog. Maar wie weet hoe het over een half jaar is? Enje doet daar niets tegen.
Wie ben jij nog?

Die vraag komt ook van binnen uit. De mens van deze tijd is voor zichzelf zo vaak een probleem. Zonder band met het verleden, zonder hoop voor de toekomst, dwarrelt hij als een losse sneeuwvlok in het heden. Daarin weet hij zichzelf dan nog wel redelijk te vermaken.
Maar hij heeft dat ook nódig om de vraag naar de zin van z'n leven te kunnen onderdrukken! En het aantal mensen voor wie die vraag toch te machtig wordt neemt toe. Ieder die te maken heeft met hulpverleningswerk weet er van.

Daarom heeft de onwil om bindingen aan te gaan ook te maken met onmacht.

Onmacht om tot een echte relatie te komen én het daarin vol te houden.
Want als je niet wéét wie je zelf bent weet je ook niet wat je aan de ander te géven hebt. Is het dan een wonder dat zoveel verbintenissen op de klippen lopen?
Wat jongeren weer schuw maakt om er aan te beginnen. Ze hoeven vaak maar bij eigen kennissenkring te blijven om het op hun vingers te kunnen natellen: die zijn niet meer bij elkaar, en die niet, en die niet, en die ...ja, die nog wél.
Nóg wel- daar ligt een stukje wanhoop in. Laatst hoorde ik zo'n jongere zeggen: je kunt misschien nog beter alleen blijven. Getrouwd zijn is veel te gevaarlijk...

Eenzaamheid
Er is dus niet alleen de hoogmoed van de moderne mens, maar ook zijn onstellende eenzaamheid. Vindt u het niet kenmerkend: het beeld van de jongere of oudere die temidden van de menigte z'n weg gaat met de koptelefoon van de walkman op het hoofd? Opgesloten in eigen wereldje. Geïsoleerd van anderen.
Eenzaam. Ontoegankelijk. Met een uitstraling die zegt: Laat me met rust! Niet storen S.v.p. En worden ze toch gestoord, dan gedragen ze zich ook gestoord. Denk aan de agressie in de omgang met elkaar, vooral in het verkeer.
Daar zit die éne mens in het koninkrijkje van zijn auto - misschien het enige terrein waar hij nog wat macht heeft. Maar hij zit er ook alleen met de problemen en frustraties en onzekerheden, die dan juist de kop kunnen opsteken, en die zich niet laten overstemmen door het geluid uit de autoradio.
Hoe kunje die gevoelens dan anders afreageren dan door je rijgedrag - zodat ieder op de weg diejouw stukje macht te na komt er van langs krijgt? Schapen zonder herder, die elkaar naar het leven staan.
Zijn we er klaar mee, als we ze correct een plaats hebben gegeven in het vakje: mensen die verkeerd zitten - en het daarbij laten?
Moeten we er niet met heel ons hart over denken hóe we aan die mens van onze tijd duidelijk kunnen maken dat er een Herder is die jou zoekt, en bij wieje leven komt in het rechte spoor van rust en veiligheid en verkwikking, en bij wie je ook op de echte manier jezelf kunt zijn?
Want dat is het laatste dat ik vanmorgen wilde zeggen.

Je mag er zijn: belofte van het evangelie
"Ik mag er zijn" - het is niet alleen een stuk modem levensgevoel, of een influistering van de duivel. Het is ook een thema van het evangelie.
Want weet u dat de duivel vaak met dezelfde dingen bezig is als God? Wat hij aan de orde stelt is nooit origineel. Het is altijd de caricatuur, de verleugening van het góede dat God met de mens voor heeft!

En zo is het ook hier. Gods vijand heeft de mens willen wijs maken dat de Schepper het zijn kind, de mens, niet zou gunnen om er te zijn, om zichzelf te zijn. En dat je, om dát te bereiken, los van God moest komen. Maar het is een leugen. Aan het begin van onze mensengeschiedenis staat die God die gewild heeft dat wij er zouden zijn, en dan niet als zijn willoze slaaf maar als vrije bondgenoot. Verbonden aan Hem, luisteren naar zijn Woord - jazeker. Maar dat is geen knellende band. Dat is juist de enige ruimte om zich als mens te kunnen ontplooien. En toen wij mensen die woorden "Ik mag er zijn" gingen misbruiken door ze op het spandoek van onze revolutie te schrijven, heeft God daar niet op gereageerd met een vernietigend oordeel maar met het reddende evangelie.
Zodat de verloren zoon die tot zichzelf komt en terugkeert en zegt: ik heb gezondigd, tot zijn verrassing ervaart: ik mag er weer zijn! Wat ik als récht verspeeld had, krijg ik nu als een grote genade.
Ik word aanvaard als kind aan huis bij Vader. En nu weet hij hoe hij zich vergist heeft door te denken dat het Vaderhuis een gevangenis was. Juist de vrijheid die hij zelf gekozen had liep uit op slavernij, op eenzaamheid. Alleen binnen de muren van Vaders liefde kom je eindelijk écht tot je recht.
Als ik het zonder beeldspraak wil zeggen zoek ik de brief aan de Galaten op.
Die brandende brief van Paulus, over de rechtvaardiging door het geloof alleen.
God heeft ons er voorgoed van vrij gemaakt dat we onszelf zouden moeten waarmaken. Een mens mag er zijn -niet om wat hij zelf is en doet - maar alleen om wat Christus voor hem heeft gedaan.
In die brief zien we dan ook de verloren zoon die van de Vader het feestkleed heeft aangekregen, en dat kleed heet Christus. "Want gij allen die in Christus Jezus gedoopt zijt hebt u met Christus bekleed" (Gal. 3 : 27). En dan gaat Paulus zó verder: "Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus" (v. 28).
Let op die drie groepen: Griek, d.w.z. niet-jood, slaaf en vrouw. Ze komen ook voor in het ochtendgebed waarin de joodse man God dankt dat Deze hem niet gemaakt heeft als niet-jood, niet als slaaf en niet als vrouw. Want door de bepalingen van de wet konden deze drie groepen er in de dienst .van God niet echt bij horen. Waar de wét het laatste woord heeft. daar is de éne mens méér dan de andere en de ander minder dan de één op grond van wat de één wel is en heeft en de ander niet.
Maar waar de genade heerschappij krijgt valt dat weg - want daar is Christus alles. En niets van wat jij zelfhebtof bent kanjou dan nog een plus of een min geven ten opzichte van anderen. Want in de gemeente die het lichaam van Christus is geldt nu: dat iedereen er zijn mag, zonder onderscheid - en tegelijk in een grote verscheidenheid, ieder naar eigen gave. Want de Geest drukt het eigene van ieder mens niet weg, maar brengt het juist tot bloei. Als de voet zou zeggen: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, vergist hij zich. En als het oog zou zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, is dat ook een vergissing. Lees het maar na in I Cor.
12. Voet en hand en oog: ze mogen er allemaal zijn, omdat ze allen nodig zijn in de dienst aan God en aan elkaar. Dan is het "ik mag er zijn" geen wapen om de ander neer te slaan maar een uitge stoken hand om de ander op te richten, in de dienst van de liefde.

Maar wat is dát onderwijs van het evangelie slecht ter harte genomen!
Door de wereld? Jazeker! Want ga de bevrijdingsbewegingen maar na: van de burgers, de arbeiders, de vrouwen, de jongeren, de zwarten. Allemaal hebben ze geroepen: wij mogen er zijn! - en ze hadden er ook reden voor. Want ze hadden allemaal te lijden onder een ontzettende scheefgroei. Waarbij mensen werden neergedrukt in een knechtende onderdanigheid. Helaas: zo gauw ze zich daaraan ontworsteld hadden brachten zij op hun beurt weer anderen in een toestand van onvrijheid en verdrukking ...

Maar de christenen dan? Hebben die het evangelie hierin wél goed verstaan?
Is de kerk in deze wereld die gemeenschap waarin ieder er voluit zijn mag: oud en jong, man en vrouw, gezonden en gehandicapten, blanken en zwarten?
Je kunt bij elk van die woordparen zeker wel vragen stellen en ook echte gevaren aanwijzen. Maar moeten we niet erkennen dat de gemeente van de Here Jezus nog in menig opzicht een inhaalmanoeuvre moet maken, om aan mensen in al hun verscheidenheid die plaats te geven die God voor hen bedoelt heeft?
Een boek als "Bijtijds leren geloven", afkomstig uit de rechterflank van de Gereformeerde gezindte, heeft dat heel duidelijk gemaakt als het gaat om de plaats van de jongeren in de kerk. (1) En dan heb ik nog niet eens de immense vragen genoemd die te maken hebben met arm en rijk in deze wereld. Hoe zullen wij die zoveel hebben, aan de mensen die aan de onderkant van het bestaan leven duidelijk maken, metterdaad,
dat ook zij er mogen zijn? De brochure die collega G. van den Brink aan die vragen wijdde, "Gedeeld geld gedijt goed", mag ons allemaal wel goed wakker maken.

Opdracht
,,Ik mag er zijn": het is niet in de eerste plaats een kreet waartegen we ten strijde moeten trekken. Dat ook! Maar we zullen die strijd het beste voeren als we die vier korte woordjes in de eerste plaats horen als een opdracht die Christus ons geeft ten opzichte van elkaar en van anderen.
Want er is geen betere manier om de duisternis te bestrijden dan: het licht te laten schijnen.
Als de gemeente van Christus maar de plek is waar mensen er om Jezus' wil zijn mogen. Waar ze aanvaard worden zoals ze zijn en zich mogen ontplooien zoals God hen bedoeld heeft. Dan zal die gemeente Gods licht laten schijnen tegen de duisternis van de wereld in. En zo een voorteken zijn van de dag waarop alleen dat licht nog overblijft. En waarop van ieder die bij Christus hoort zal gelden: "Ik zal het welkom horen van mijn Koning/en jaar aan jaar verblijven in zijn woning".
Dat mag er zijn - voorgoed.

(1) L. van Drielen I. A. Kole, Bij-tijdsleren geloven.Verkenningvan het educatieveklimaat in een drietal kerkelijkegemeentente Kampen1987

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief