Boekbesprekingen

1988-07-15
  • Jaargang 32
  • nummer 27
Gereformeerde Missiologische Opleiding
Missiologische thema's - 1986: Het zondebegrip in de moderne missiologie.
Kampen: Van den Berg, 1987. Prijs: JI3,50; pag. 72.

De GMO verbonden aan de Theol. Universiteit in Kampen (Broederweg) heeft een tweede deeltje laten verschijnen in de serie Missiologische thema's.
Ook nu weer treffen we een tweetal lezingen aan waarin het thema van een theologische en niet-theologische kant wordt benaderd. Drs. L. J. Joosse en drs W. C. van der Horst hebben zich op gedegen wijze van hun taak gekweten en ik kan dan ook dit door Van den Berg uitgegeven geschriftje van harte aanbevelen.
Wel is dit deeltje iets minder toegankelijk voor de theologisch minder geschoolde lezer dan het vorige.
Maar daardoor wint het aan aantrekkelijkheid voor hen die wel ietwat thuis zijn op zendingstheologisch terrein.
Geen bezwaar dus. Drs Joosse gaat na hoe in de zog. Kerkgroei-school uit Amerika gedacht wordt over de zonde en dat in verband met de vraag naar de mogelijkheid van bekering en zo van kerkgroei onder de volkeren.
Drs Van der Horst wil in aansluiting aan Ton Lemaire kriteria ontwikkelen om culturen ten opzichte van elkaar te kunnen beoordelen - universeel geldende kriteria, voor de hele mensheid geldig en dit ook nog vanuit een christelijke optiek. Ik geef eerst aandacht aan Joosse's artikel; ik weet daar het meeste vanaf en zendingstheologie is nu eenmaal een buitengewoon aardig vak waarover ik niet snel ben uitgepraat.

Ik ben bepaald gelukkig met Joosse's keuze om het zondebegrip na te gaan bij deze zeer invloedrijke evangelische zendingstheologische beweging, die ook in de wereld van de nederlandse evangelischen toonaangevend is.
In 1979 heeft drs W. C. Moerdijk in de christ. geref. bundel 'Uw knecht hoort' al enige aandacht besteed aan deze school van Mc.Gavran, maar Joosse snijdt hier m.i. een nog fundamenteler kwestie aan: hoe denkt men hier over de zonde in verband met het zendingswerk?
Hij meent en dat gedokumenteerd dat men hier toch te optimistisch is, te ondiep nadenkt over de zonde en haar gevolgen juist ook in het kader van zendingswerk.
Volgens deze theologische school moeten de nog niet bereikte volkeren gezien worden als te winnen mensen, groepen, culturele eenheden. De zaak is de juiste methodiek te vinden om hen te bereiken, om zo de oogst binnen te kunnen halen. De struikelblokken op de weg naar geloof en bekering zijn dan ook met name sociaal en niet theologisch van aard. En de methode die men voorstaat is die van het zich aanpassen aan de cultuur van de mensen die men bereiken wil. Hier krijgen culturele anthropologen een geweldige vinger in de zendingstheologische pap. Joosse gaat vrij diep in op een belangrijke denker in deze school, Charles Kraft. Uitgaande van de dynamisch-equivalente vertaalmethode ontwikkeld door Eugene Nida (van de Groot Nieuws Bijbel) ontwikkelt Kraft een zeer boeiende kruiskulturele kommunikatie methode, waarin echter volgens Joosse een door Tillich beïnvloed openbaringsbegrip een rol speelt. Helaas kan ik daar nu niet verder op ingaan. De verwijzing naar Tillich vind ik interessant maar ik zou daar toch nog wat steviger bewijsmateriaal voor willen zien. Dat het amerikaanse pragmatisme niet werd genoemd, viel me op.
Maar terecht laat Joosse zien dat in deze methodiek, waarin sprake is van een zeker cultureel relativisme, voor het spreken over de zonde veel te weinig plaats over blijft. Natuurlijk weet Joosse wel dat hij de Kerkgroei-school niet zal overtuigen; hij zal het verwijt krijgen dat hij ethnocentrisch - west-europees bepaald bezig is. En natuurlijk liggen hier wel vragen. Joosse verantwoordt zijn eigen stellingname niet: in hoeverre is zijn schriftverstaan inderdaad beïnvloed op zijn minst door zijn eigen cultuur of zelfs subcultuur, die van de Gereformeerden in Nederland? M.i. behoort de hermeneutiek tot de belangrijkste studievelden van de missiologie.
Ik ben het overigens helemaal met hem eens dat de zonde - 'leer' van doorslaggevend belang is in de missiologie; en ik stem in met zijn inzet bij het verbond.
Terecht noemt hij Joh. 16 : 8 een fundamentele zendingstekst. Een verkeerde visie op het bijbelse spreken over de zonde laat geen onderdeel. van de missiologie onberoerd. Al met al, een waardevolle bijdrage aan de Gereformeerde missiologie.
Van der Horst's bijdrage heb ik met interesse gelezen. De vraag hoe culturen beoordeeld moeten worden is inderdaad een praktijk-vraag' waar ook wij hier in Zuid-Afrika mee te maken hebben.
De moderne idee dat alle culturen gelijkwaardig zijn, zeg maar: even goed, produkt trouwens van het westerse culturele denken, is inderdaad onhoudbaar.
Maar als men dit culturele relativisme verwerpt, moet men dan wel vervallen aan het ethnocentrisme: alle culturen worden beoordeeld naar zeg de westerse cultuur, die dan normatief zou zijn? Dat gaat natuurlijk ook niet meer. Daarom dat Van der Horst algemeen geldende kriteria probeert te ontwikkelen, die universeel aanvaardbaar zouden zijn - en dat in aansluiting bij Ton Lemaire en K. Schilder, een wat wonderlijke kombinatie, als u het mij vraagt. Helemaal geïntegreerd zijn beide denklijnen in Van der Horst's artikel dan ook niet. Maar boeiend is zijn poging wel.
Aan de kriteria van Lemaire voegt hij een aantal specifiek-christelijke toe, als bij voorbeeld de mate van religiositeit van een cultuur, waarin hij zijn vertrekpunt neemt in God als Schepper, terwijl Lemaire niet verder komt dan de Natuur als laatste grootheid. Verder noemt hij nog in hoeverre een mens aan cultuur-beheer toekomt, in hoeverre een cultuur ontsloten wordt.
En met behulp van deze kriteria vergelijkt hij dan de westerse en (west)-irianese cultuur. En zo weet hij te waarderen en te veroordelen allerlei ontwikkelingen in beide culturen. Hoe men nu verder ook oordeelt over het resultaat van zijn poging tot universeel geldende kriteria te komen, lezing van zijn artikel kan ons bewust maken van een zeer wezenlijke problematiek ook in de praktijk van onder andere zendingswerk. En dat vind ik eigenlijk nog wel het allerbelangrijkste.

Ik neem aan dat onze theologische studenten op de TSB ook ingeleid worden in de zendingstheologie; de in dit geschriftje aangesneden problematiek is bij uitstek geschikt om in zo'n kring behandeld te worden. Laten we niet denken: ach, zending, vreemde culturendat is allemaal ver van mijn bed.
Die vreemde culturen zijn in Nederland te vinden op een steenworp afstand.
En zending: dat is ons aller opdracht waar we ons ook bevinden.

B. Wielenga, Richmond

-------------------------------------------------

Reflection an international reformed review of missiology.
Adm. adres: Postbus 2232, 9704 CG Groningen, verschijnt vier maal per jaar voor de prijs van 140,-; Graag wil ik in Opbouw een nieuw zendingswetenschappelijk tijdschrift aankondigen en aanbevelen. De naam Reflection betekent bezinning. En dat wil dit nieuwe tijdschrift stimuleren: bezinning op zending en dat vanuit een gereformeerd standpunt. De initiatiefnemer drs L. J. Joosse uit Groningen meent dat dat hard nodig is, en ik stem daarmee in. Er wordt ontzettend veel nagedacht over zending, de theorie en de praktijk, maar over het algemeen zijn het niet de Gereformeerden die daar op systematische wijze mee bezig zijn.
Vooral van evangelische huize en dan weer met name vanuit Amerika worden we overspoeld met literatuur over zending en evangelisatie. En hoeveel we daar ook van leren kunnen, zendingsbezinning vanuit de reformatorische traditie blijft broodnodig, ook om al die evangelische literatuur te beoordelen.
Ook binnen de zending van onze eigen kerken is er nog heel wat bezinning nodig, ook om allerlei ingeburgerde visies en opvattingen te toetsen. Dan zijn er talloze problemen waarmee de gemiddelde zendeling gekonfronteerd wordt, waar hij ook werkt; hier in Nederland of ginds in Zuid-Afrika, waar gezamenlijke bezinning vanuit de gereformeerde traditie wenselijk is.

Om daar een voorbeeld van te geven. In het eerste nummer schrijft prof. K. Deddens van Canada een artikel over de wenselijkheid om ook elders de psalmen te zingen op geneefse wijze. Er staat een reaktie op dit artikel in van de hand van een schotse zendingsarts die dit goed geargumenteerd afwijst, en ruimte vraagt voor de eigen culturele expressie van elk volk, zodat elk volk psalmen zingt in zijn eigen taal en op een wijze die bij dat volk past. Hier in Zuid-Afrika hebben wij als Natalse zendelingen ook een aantal psalmen berijmd in het zulu, en die worden gezongen niet op de geneefse wijze maar op een manier die bij de zulu past. Zo zingen we Ps 119 op de wijs van 'God save the queen', een wijs die zich daarvoor heel goed leent. Maar zo'n schijnbaar klein deel-probleem vraagt ook theorethische bezinning, waarin praktijkmensen en bureau-mensen samenwerken.
Een ander onderwerp dat aan de orde komt in dit eerste nummer is de zendingsopvatting van de Reformatoren.
Veelal wordt gezegd dat mensen als Calvijn toch eigenlijk niet missionair waren ingesteld. Joosse meent dat dat een visie is die is gebaseerd op een bepaalde, piëtistische zendingsopvatting.
Vanuit die 1ge eeuwse visie op zending wordt dan iemand als Calvijn beoordeeld.
En dat lijkt hem onjuist. En ik zou hem daarin willen bijvallen. Hij heeft een aantal argumenten die de moeite van het overwegen waard zijn.
Dit tijdschrift is opgezet vanuit de vrijg. geref. kerken maar in samenwerking met allerlei zendingsmensen vanuit andere gereformeerde en presbyteriaanse kerken wereldwijd. In de 'board of references' zitten-mensen vanuit allerlei orthodox-reformatorische kringen. En dat vind ik bijzonder waardevol, dat krachten worden gebundeld om gezamenlijk vanuit onze reformatorische traditie na te denken over zending wereldwijd met de bedoeling de nog onvoltooide zendingstaak met kracht aan te pakken. Er is nog zoveel te doen, maar dat vraagt allereerst bezinning ook op systematische wijze, wetenschappelijk verantwoord. Ik heb goede redenen om aan te nemen dat ook wij van ned. geref. huize in dit blad welkom zijn niet alleen als betalend abonnee maar ook om onze bijdrage te leveren aan de zo gewenste bezinning. Wat mij betreft probeert u eens een abonnement voor een jaar.
Een goed initiatief en partikulier nog wel, moet beloond worden. En het blad is professioneel opgezet en keurig uitgegeven bij Scholma in Bedum.

B. Wielinga, Richmond

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief