Rondom woord en kerk (3)
1988-08-05
- Jaargang 32
- nummer 29
Overeenstemming
Mijn antwoord aan mijn geachte kollega ds J. Waagmeester wil ik beginnen met een punt van overeenstemming. Ds Waagmeester zegt ergens in zijn artikel dat hij zo genoten heeft van een preek van Professor Verkuyl. Hé, hebt U dat nu ook? Wat kan die man het evangelie fijn brengen! Hij is voor mij allang een lichtend voorbeeld. Hij is een evangelie-
prediker zoals ik zelf ook wil zijn: iemand bij wie de boodschap van Gods genade volkomen veilig is en tot zijn recht komt.
Maar we moeten ons wel realiseren dat diezelfde professor Verkuyl in zijn leven nogal.wat dingen heeft gezegd die hem in onze Nederlands Gereformeerde Kerken niet in dank afgenomen zouden zijn. Ook ten aanzien van hem zou te eniger tijd de bedreigende vraag gesteld kunnen zijn die ds Waagmeester nu naar mij toe formuleert: en moet zo iemand nu onze toekomstige predikanten op- of begeleiden? Zo is professor Verkuyl er bijvoorbeeld niet op tegen dat de zuster in het ambt, in àlle ambten, dient. Om maar niet meer te noemen.
Hoofd- en bijzaken
Ja, zegt ds Waagmeester, maar als ik het ene prijs hoef ik het andere toch niet te aksepteren. Natuurlijk niet. Alleen, het valt mij op dat de beste preken in de regel komen van mensen die kritische vragen durven stellen bij opinies en zelfs leerstellingen die als volkomen zeker gelden. Professor Van Ruler was ook zo iemand. In zijn theologie kon je hem gerust experimenteel noemen en sloeg hij schijnbaar onbegaanbare wegen in, maar hoorde je hem voor de radio een meditatie houden dan begon de hele bijbelse boodschap te stralen. Net alsof dat theologisch pionieren en relativeren hem het vermogen verschafte om tussen hoofd- en bijzaken bekwaam te onderscheiden. Ik denk dat dat ook zo was. Terwijl ik daartegenover bij mensen die aan alles van de vroegere bijbelopvatting onveranderlijk vasthouden vaak een zekere angstvalligheid konstateer. Een langs het leven heenpraten ook. Alsof alles van de bijbel op bun verdediging is aangewezen en alsof de prediking dient om het rechtzinnige denken rond te krijgen.
Luther en Calvijn
Ik zou wel wat voor de losheid van een Luther willen pleiten. Luther, de man die zo heerlijk warm het evangelie heeft gepredikt en die tegelijk over diezelfde bijbel die hij zo lief had zich zulke eigenaardige uitspraken liet ontvallen.
Over Jakobus en Esther bijvoorbeeld.
En nu kunje wel zeggen: ik wil een Luther zonder die gekke fratsen, maar beter is het de vraag te stellen of die warmte van Luther misschien ook samenhangt met zijn onbekrompenheid.
Calvijn had die gekke fratsen niet, dat is waar, maar hij was tegelijk minder warm. Hebben wij ten aanzien van de Schrift niet een zekere speelruimte nodig? De bijbel is náást Gods Woord toch óók een historisch boek? Het is mijn vaste overtuiging dat wij uit dat laatste, het historisch karakter van de Heilige Schrift, bepaalde onvermijdelijke konklusies nog niet hebben getrokken.
In het historische komt namelijk noodzakelijk een relativerend element mee.
Tekstkritiek en Schriftkritiek
Ds Waagmeester haalt Bavinck en Calvijn aan. "Aan de Schrift zijn wij dezelfde eerbied verschuldigd als aan God". Ik heb al gezegd (bij de bespreking op de Opbouw-dag) dat ik vanuit artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zo'n woord wel kan plaatsen en beamen. Want inderdaad, de boodschap van de Schrift, namelijk Gods genade voor zondaars, is ook goddelijk. In geen mensenhart opgeklommen.
Wie daar kritiek op heeft stelt zich buiten Gods volk. Maar als je zo'n gezegde als van Calvijn nu rigoreus doorvoert (en dat geldt evenzo van de door mij gekritiseerde zinsnede van artikel 4 van de NGB), dan moet het duidelijk zijn dat tekstkritiek op de bijbel ook niet mogelijk is. Want wij hebben wel handig afgesproken dat tekstkritiek mag en historische kritiek niet, maar dat berust meer op een machtswoord van mensen (Kuyper en Bavinck e.a.) dan op argumenten. Want tekstkritiek is óók een vorm van historische kritiek. Als je namelijk tekstkritiek bedrijft dan erken je dat de tijd zodanig z'n stempel op de Godsopenbaring gedrukt heeft datje genoodzaakt bent tussen goed en niet goed in de bijbeltekst te onderscheiden. En dat is kritiek: het goede van het niet of minder goede onderscheiden.
De mozaïsche wet
Ik ben dan ook van mening dat de historische kritiek bij het vaststellen van de tekst geen halt kan houden. Omdat ook inhoudelijk de historische ontwikkeling een zodanige invloed op de bijbel heeft gehad datje je wel moet afvragen wat in de Schrift van voorbijgaande aard was en wat van blijvende waarde of geldigheid is. , De hele mozaïsche, wet is daar een oud en duidelijk voorbeeld van. Die heeft in het Nieuwe Testament afgedaan.
Ja, zegt iemand, maar in dit geval is het de Schrift zelf die voor de buitenwerkingstelling heeft gezorgd, dat kun je geen menselijk kritische arbeid meer noemen. Toch is dat niet helemaal waar. Veel bepalingen (ten aanzien van doodstraffen bijvoorbeeld) hadden vóór de tijd van het Nieuwe Testament hun kracht al verloren. Er waren nu eenmaal dingen voorgeschreven die door het gebruik zelf teloor gingen "zoals dat gaat met instellingen en leringen van mensen", naar de formulering van Paulus in Kol. 2 : 22. En Petrus noemt de mozaïsche wet "een juk dat noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen" (Hand. 15 : 10) en hij wil het dáárom niet op de schouders van de nieuwe gelovigen uit de heidenen gelegd zien. Voorwaar een eigenaardige reden om een bijbelse wet voor niet verbindend te verklaren! Maar een en ander laat dan ook gewoon zien dat de wet van Mozes aan een historisch slijtageproces onderhevig ,is geweest. Op een bepaald moment was de gemeente er rijp voor om dat te konstateren en daar: uit de konklusie te trekken dat die wet haar tijd gehad had. Geen sprake van dat Christus eerst zich beijverd heeft om alle buiten gebruik geraakte bepalingen van Mozes' wet weer overeind te zetten teneinde ze pas door zijn kruislijden op Golgotha van hun geldigheid te ontdoen. Veel gold al vóór Hem niet meer en Hij heeft zich daar zonder meer bij aangesloten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het verhaal van de op overspel betrapte vrouw in Johannes 8.
Mozes en Paulus
Zou dit nu wat de bepalingen van het Nieuwe Testament betreft principieel anders liggen? Paulus heeft net als Mozes door de Geest gesproken, maar Paulus heeft ook net als Mozes historisch gesproken, afgestemd op de tijd en de situatie waarin hij stond. En aan ons de taak om ook bij hem tussen het voorbijgaande en het blijvende te onderscheiden.
Natuurlijk erken ik wel dat dit bij Paulus veel minder grote vormen aan zal nemen, want zijn voorschriften liggen veel dichter bij de kern van het evangelie. Toch ontkomt ook de apostel niet aan het kritische schiftingsproces bij degenen die zoveel eeuwen later leven als wij nu doen. Bijvoorbeeld ten aanzien van de positie van de vrouw is dat het geval. Dat gaan wij nu inzien, geholpen door de maatschappelijke _ontwikkeling. Zoals dat eerder het geval was met betrekking tot de slavernij.
De bepalingen dienaangaande zijn door het gebruik zelf teniet gegaan. Dat wil zeggen: ze zijn versleten.
Nee, zegt ds Waagmeester, dat kan niet. Het gaat in die 'zwijg-teksten' voor de vrouw niet over een voorbije kultuur, want de apostel grondt zijn desbetreffende voorschriften op de scheppingsorde: "Want eerst is Adam geformeerd, en daama Eva", 1 Tim. 2 : 13.
Het scheppingsargument
Ik moet eerlijk zeggen dat ik lang voor deze tekst opzij ben gegaan, want ik ben met ds Waagmeester door een gelijke eerbied voor de Schrift verbonden.
Toch ben ik langzamerhand de zwakte van ook dit kern argument gaan inzien.
Kan het niet zijn dat Paulus dit bijbelse gegeven van de scheppingsvolgorde eenvoudig als een versiering van zijn betoog heeft gebruikt om aan iets dat buiten de Schrift om voor hem al vast stond een gezag als ten overvloede te verlenen?
Laten we bij wijze van voorbeeld uit een heel ander gebied eens kijken naar het sabbatsgebod in de Tien Geboden of Verbondswoorden. Dat sabbatsgebod bevat ook een verwijzing naar de volgorde bij de schepping. "Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt" - op de zevende dag, want de HERE zelf heeft gerust op de zevende dag. Als je dat leest denk je: dat vieren op de zevende dag is dan zeker voor eeuwig van kracht. En werkelijk zijn er christenen die nu nog de zevende dag als rustdag onderhouden.
Een notoir fundamentalisme ! Toch?
Want de apostel Paulus heeft er bepaald geen onduidelijkheid over laten bestaan dat hij de sabbat in de christelijke gemeente niet ingevoerd wilde zien.
Zijn argument was dat mèt de sabbat de hele joodse wetsonderhouding de christelijke gemeente zou binnenvaren.
Maar eigenaardig, er is geen spoor van te bekennen dat hij zich voor zijn opstelling verdedigd heeft tegenover het Schriftwoord: "en God rustte op de zevende dag". Heeft hij dat als nietessentieel beschouwd? Heeft hij dat als een versiering gezien van het sabbatsgebod?
Wat het inderdaad is; prachtig zoals op deze manier de rustdag aan Gods rust verbonden wordt!
Toch heeft de nieuwtestamentische gemeente achter Paulus aan dit schriftuurlijke argument getrotseerd. En dat zonder exegetische akrobatiek, gewoon omdat ze het nodig vond de wettisch overbelaste sabbat door een andere vierdag te vervangen. De eerste dag van de week bood zich daarbij als de meest voor de hand liggende aan. Het scheppingsargument legde bij deze tamelijk belangrijke beslissing blijkbaar geen gewicht in de schaal.
Paulus en wij
Terug naar de 'zwijgteksten'. Paulus ziet de man-vrouw-verhouding zoals die in zijn tijd is aan: de vrouw staat onder de man. Tegelijk ziet hij dat dweperige mensen vanuit het evangelie aan die verhouding beginnen te tomen. En hij grijpt in: het evangelie màg in de samenleving niet de indruk wekken een beweging tot maatschappij vernieuwing te zijn. Dat zou een fataal misverstand wekken, want het evangelie is een verlossingsboodschap.
Ziedaar het hoofdargument voor zijn veto. En daaraan voegt hij toe: Adam is eerst geschapen, daarna Eva. Dat is een bijkomend argument, zoals hij dan ook op een andere plaats formuleert: "zij (de vrouw) moet ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt" (I Kor. 14 : 34). 00k de wet zegt het, daar heb je het bijkomstige van het bijbelse argument. Paulus' positiekeuze stond uit anderen hoofde al vast.
En nu wij. Wij kijken tegen een andere maatschappij aan. Een samenleving waarin man en vrouw praktisch onderscheidsloos naast elkaar optreden. En nu moeten wij een ander gevaar vrezen, dat namelijk wanneer wij die bepalingen van de apostel aanhouden, wij de indruk wekken dat christen-zijn hetzelfde
betekent als ouderwets zijn,
waarmee wij een oneigenlijke aanstoot zouden opwerpen. Daarom moeten wij nu konstateren dat Paulus' voorschrift voor ons zijn tijd gehad heeft. En ook wij hebben daar een tekst ter versiering bij, Gen. 1 : 27 : "En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen", een tekst die meer gelijkheid tussen man en vrouw ademt dan de voorstelling die Gen. 2 van de man-vrouw-verhouding geeft, waar Paulus zich telkens op oriënteert
In het volgende nummer verder bij leven en welzijn.