Calvijn in Afrika !? (3)

1987-07-24
  • Jaargang 31
  • nummer 28
De FATEB (vervolg) Vorige maal schetste ik de behoefte die de kerk in Afrika kent aan een gedegen theologische opleiding. Er mag echter geen misverstand over bestaan, dat een akademisch niveau als zodanig geen garantie is voor beter toegeruste predikanten en evangelisten.
Voor alles is nodig, dat de gewenste opleiding een voluit bijbels gehalte heeft. En daar wringt nu net de schoen.

Want zeker in het Franstalige deel van Afrika was zo’n opleiding tot voor kort niet aanwezig! Bedenk daarbij, dat het niet om een klein hoekje van de wereld gaat. Neem een land als Zaïre: vier maal zo groot als Frankrijk (sommige inwoners moeten er 2000 km voor reizen om de hoofdstad Kinshasa te bereiken), 30 miljoen inwoners. Dan hebben we het nog niet over Madagaskar of Kameroen, Tsjaad of Burkina Fasso (het vroegere Opper-Volta).
Het was dan ook geen luxe dat een samenwerkingsverband van evangelische kerken in heel Afrika, de Association des Evangeliques d’Afrique et de Madagascar (AEAM), in 1977 de FATEB heeft opgericht (als tegenhanger van een Engelstalige fakulteit in Nairobi – Kenya) voor studenten uit heel Franstalig Afrika. Zij komen uit allerlei kerken: Baptisten, Methodisten, Mennonieten, maar ook Gereformeerden, gematigde Pinkstergemeenten en zelfs een Franstalige Anglicaanse kerk. Bij alle verscheidenheid is de basis voor hen allen gelijk: een strenge orthodoxie, doorwerkend in een warme evangelische vroomheid.

Vrouwen en kinderen
Bangui werd als vestigingsplaats gekozen o.a. vanwege de centrale ligging.
Op het terrein van de fakulteit is eigenlijk een kompleet dorpje verrezen.
Er staan gebouwen met kamers voor alleenstaanden, maar ook rijen eengezinswoninkjes voor de vele studenten die al een gezin hebben en soms duizenden kilometers van hun vaderland af wonen. Daar hun vrouwen in de gemeente geheel eigen verantwoordelijkheden te wachten staan - zij moeten de gemeenteleden bv. dingen bijbrengen inzake hygiëne en gezonde voeding - is er voor hen een speciale school, de 'Ecole des mamans'. De campus krioelt van de kinderen, waarvan de grotere 's morgens per auto naar een school in het centrum van de stad worden gebracht en de kleinere in een crèche worden opgevangen als hun moeders hun opleiding volgen.

Gastdocenten
In totaal zijn er 60 à 70 studenten (waaronder enkele vrouwen) die les krijgen van een staf van 5 docenten, aangevuld met gastdocenten (‘professeurs visiteurs’). Dat laatste blijft helaas voorlopig noodzakelijk. Het mooiste zou natuurlijk zijn als de hele opleiding in handen was van een vast docentenkorps, dat vertrouwd is met de problematiek en achtergrond van de studenten. Maar vooralsnog zijn er niet genoeg mensen uit Afrika zelf die over de kennis en mogelijkheden beschikken om het komplete vakkenpakket aan te bieden; de gaten die vallen moeten worden gevuld door gastdocenten, die vanuit hun specialisatie als het ware een stoomcursus van een maand geven.
Op die basis waren ds. De Jong en ik in Bangui werkzaam – ds. De Jong voor het tweede jaar. Hij was het ook die enkele jaren geleden door de toenmalige rector – zij kenden elkaar van de theologische fakulteit in Vaux-sur-Seine (Frankrijk) – benaderd is met de vraag, of het ook mogelijk was om vanuit Nederland gastdocenten te sturen. Deze dr. Palaku, zelf gereformeerd, achtte daarbij met name onze reformatorische achtergrond waardevol.
Vorig jaar heeft ds De Jong in 'OPBOUW' weergegeven hoe zinvol het inderdaad was om vanuit onze rijke traditie met de studenten het Oude Testament te lezen ("Het Banguiprojekt", OPBOUW van 4 en 18juli en 1en 8 augustus 1986). Ook dr. K. van der Toorn (de eerste gastdocent in Bangui uit onze kring) en drs D. Westerkamp meldden soortgelijke positieve ervaringen; zie hun berichtgeving in hun respektieve artikelen "Een open deur" (OPBOUW van 15 maart 1985) en "Theologische Ontwikkelingssamenwerking" (OPBOUW van 27 maart, 3 en 10 april 1987). Mijn eigen ondervindingen sluiten daarbij geheel aan; daarover wil ik hieronder vertellen.

Calvijn in Afrika
"Calvijn is geen westers theoloog hij is en bijbels theoloog! Daarom kunnen wij in Afrika net zo goed iets met hem aanvangen als u in Nederland".
Dit antwoord op mijn vraag aan de studenten, of zij Calvijns leer van de Heilige Geest bruikbaar achten in hun specifieke situatie, geeft prachtig weer hoe vruchtbaar onze reformatorische traditie ook voor de kerk in Afrika kan zijn. Net als bij ons is de tendens er merkbaar, bij het werk van de Heilige Geest uitsluitend te denken aan exklusieve en exotische verschijnselen. De wat extremere Pinkstergroepen suggereren openlijk dat zij het alleenrecht op de Geest hebben en dat de overige kerken van Hem verstoken zijn. Het is een verkwikking daartegenover gewezen te worden op de oneindig veel bredere en diepere werking die de bijbel aan Hem toeschrijft. Daarvoor zijn wij bij Calvijn aan het goede adres. Niet voor niets is hij door de Amerikaanse onderzoeker Warfield in 1909 de theoloog van de Heilige Geest genoemd: hij kent in zijn beschrijving van Gods werk in schepping en verlossing de Geest een zo ceritrale plaats toe, dat anderen zelfs van overaccentuering hebben gesproken!

De Heilige Geest: God in aktie
Het, uitgangspunt van Calvijn dat trouwens door het nieuwere exegetisch onderzoek verrassend is bevestigd - is dat de Heilige Geest God Zelf is in zijn kracht. Het woord voor 'geest' in het Hebreeuws kan zowel 'krachtige wind' (vgl. Exodus 14:22 met Exodus 15:8) als 'levensadem' (vgl. Ez. 37:5) betekenen. In overeenstemming daarmee schrijft de bijbel ook aan Gods Geest vóor alles kracht toe: de kracht om strijd te voeren (Richteren 3: 10; 14:6), de kracht van het woord (Micha 3:8; Hand.4:8, 31); de kracht van tekenen en wonderen (Hand. 10:38), de kracht om tot leven te brengen (Ez. 37:14; Rom.8: 11) enz. Daarom ligt bijbels gezien de nadruk niet, zoals bij de Grieken, op de onlichamelijkheid van de Geest. Niet de tegenstelling tot de materie is typerend voor Hem, maar die tot menselijke zwakheid.
Vgl. Jesaja 32:3, waar de, tegenstelling geest-vlees slaat op het tegenover elkaar staan van Gods macht. en menselijke onmacht om te verlossen.
Beter dan ons Nederlandse woord 'geest' roepen het Franse 'esprit' en het Engelse 'spirit' de gedachte op aan de dynamiek die eigen is aan de Heilige Geest.
In overeenstemming met het oud-kerkelijk dogma houdt Calvijn staande dat de Geest méér is dan de kracht en dat Hij op hetzelfde niveau staat als de Vader en de Zoon (vgl. Hand. 5:3, 4: de Geest bedriegen = tegen God liegen; vgl. Hand. 13:4 met 26: 17: de Geest doet hetzelfde als Christus, nl. apostelen uitzenden). Tegelijk heeft de Geest iets eigens ten opzichte van de Vader en de Zoon. Dat eigene ziet Calvijn in zijn dynamische kracht. Is de Vader de oorsprong van alle dingen en de Zoon het Woord en de, wijsheid (vgl. Joh. 1:1; Kol. 2: 3; Spr. 8:23-30; Liedboek gezang 476:1), de Geest is - in de woorden. van Calvijn - "de hand van God waardoor Hij zijn kracht uitoefent" (vgl. Matt. 12:28. met Lukas 11 :20; vgl. Liedboek gezang 239:4). Je zou kunnen zeggen: alles wat God doet om zijn voornemens effektief te maken, doet Hij door de Heilige Geest. Eigenlijk heeft de Geest geen zelfstandige werkingssfeer; Hij brengt, slechts het werk van de Vader en de Zoon ten uitvoer.
Maar omgekeerd ook: de Vader en de Zoon doen niets zonder de Heilige Geest; alles wat Zij teweeg brengen, brengen Zij teweeg in zijn kracht. Calvijn wijst daarvoor allereerst op psalm: 104: 29,30, waar gesproken wordt van het levenwekkende werk van de Geest in de schepping en van de dood die intreedt wanneer Hij afwezig is. Hij konstateert: Gods 215 scheppingswerk staat of valt met de aktiviteit van de Heilige Geest. Maar dat geldt - in de tweede plaats - ook van Gods hèrscheppingswerk. Immers, in Joh. 14: 16, 17 belooft Christus dat de' Geest zijn plaats als Trooster zal innemen, terwijl uit Joh.
14:25,26; 16: 12-15 blijkt dat Hij om zo te zeggen de aansluiting tot stand brengt tussen de ten hemel gevaren Heer en de op aarde achtergebleven gelovigen. Calvijn leidt daaruit af, dat het heilswerk van de Here Jezus alleen dàn effektief is, wanneer de Geest het naar ons toe draagt en ons' hart erop richt. Hij gebruikt daarvoor zeer sterke uitdrukkingen: zonder de Heilige Geest is Christus voor ons zonder nut en is zijn werk van nul en gener waarde! Waar de Geest afwezig is, sterft niet alleen de schepping af, maar is ook Gods verlossend handelen vruchteloos.

Het is duidelijk dat met dit accent op het werk van de Geest als de effektuering van al Gods handelen, er geen, sprake meer kan zijn van eenbeperking van zijn invloedssfeer. tot de smalle zone van de charismata waarover o.a. 1 Cor. 12 en 14 spreken. Tot welke konkrete ontdekkingen dat voor de studenten leidde, zullen wij D.V. in de volgende aflevering zien.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief