Het recht om te wonen (3)

1987-06-12
  • Jaargang 31
  • nummer 23
Geloofsstuk en empirische verschijning
3.1 We zetten onze terreinverkenning voort en willen een ogenblik stilstaan bij onze identiteit. Een persoon' heeft een identiteit maar we zeggen dat tegenwoordig ook van een gemeenschap, een groep of een Instelling. We mogen dat zeker ook zeggen van de kerk. Zij is zozeer groep dat zij gemeenschap is, zozeer gemeenschap dat zij persoon is: de kerk die is de bruid. Nu moeten we wel weten wat we bedoelen, als we 'kerk' zeggen. We hebben namelijk temaken met de unieke relatie van de zichtbare, geïnstitueerde vergadering der gelovigen op een bepaalde plaats In de tijd, tot de algemene, christelijke kerk van alle eeuwen.
Door plaatselijk samen te komen hebben de gelovigen deel aan het lichaam van Christus, voluit. Indien niet, dan bedekt die plaatselijke vergadering zich ten onrechte met de naam "kerk", dan is zij niet echt, niet waar, geen ware kerk. Naar onze Nederlands Gereformeerde kerken kun Je kijken met de ogen van een socioloog; die is niet geïnteresseerd in de toekomst van de kerk als gemeente van Christus, maar als empirische verschijning, zoals die ook statistisch binnen het blikveld komt. (19) Van onze kerken zou hij wellicht kunnen ' zeggen, dat haar toekomst nogal onzeker is: wij hebben geen sterke leider en ook geen concreet strijdpunt tegenover derden dat samenbindt. Echter, wie de kerk ziet als geloofsstuk, heeft een totaal andere kijk. Hij zegt: "Jezus is de Leidsman van ons geloof en de vijand is de Boze". We kunnen van de socioloog wel het 'nodige opsteken, maar existentieel worden we van hem niet veel wijzer.'

De roeping en de eigenschappen
3.2 Het hedendaags gebruik van de woorden "identiteit': en identificatie" heeft een modische trek. (20) Men spreekt van identificatie, als het om eenvoudige religieuze verbondenheid en ethische binding met de naaste gaat; van identiteit als het gaat om een aantal karakteristieke eigenschappen die de drager onderscheiden van zijn omgeving: Wie vraagt naar mijn identiteit, vraagt wie ik zelf ben; nader: Wie Ik ben In de relatie tot mijzelf. Identiteit en continuïteit versterken elkaar wederzijds: ik blijf die ik ben, ik blijf mijzelf. Wij mensen kunnen namelijk van onszelf vervreemden en in een identiteitscrisis komen te verkeren. In de wijze, waarop het identiteitsbegrip doorgaans wordt behandeld komt een opmerkelijke verschuiving van de aandacht tot uitdrukking. (21) De roeping van de betrokken persoon of kerk verdwijnt naar de achtergrond, zijn of haar eigenschappen beheersen de beschouwing. En van meestal slechts die eigenschappen, waarvan zij anders zijn voor wat deze verschuiving betreft, is er sprake van parallellie met de beschouwing van de bijbelse openbaring, dat de mens naar Gods beeld geschapen is. De uitdrukking "Gods beeld" wordt dan opgevat als een totaal van aan God verwante, menselijke eigenschappen. Maar "Gods Beeld" betekent representatie, Het begrip duidt op een verhouding van de Schepper en zijn schepsel, niet in de laatste plaats een rechtsverhouding. (22)

God sluit een Verbond. De mens representeert God op deze aarde en schept een voor de Schepper representatieve cultuur door Gods beeld te vertonen. Daartoe is hij aangesteld, geroepen, daarvan legt hij verantwoording af, dat is zijn ambt. Het is de persoon met zijn eigenschappen, die het ambt vult, de ambtelijke roeping vervult. Wie de ambtsgedachte verwaarloost, reduceert de identiteit tot een totaal van individuele eigenschappen en ontkomt er niet aan, tenslotte de criteria van de mens uit te stellen. Het is de roeping van de kerk, Gods creatieve Woord te verkondigen.
Dat te weten is onmisbare voorwaarde voor iedere bijbels verantwoorde beschouwing van haar identiteit.

PIural en categoraal
3.3 De reductie van de identiteit van de kerk tot een optelsom van eigenschappen, heeft grote gevolgen voor de eenheid van de kerk, zowel binnen de kring van de plaatselijke gemeente, als voor het verband van de zusterkerken, als voor het zoeken van eenwording met andere kerken. Op alle niveaus slaat de individualisering toe. Immers, nu kunnen slechts zij in vrede samenwonen, die elkaar liggen, van dezelfde ligging zijn. (23) Criteria zijn de godsdienstige, vaardigheid en het spreken van de taal der ingewijden, waarin de vertrouwden de religieuze ervaring aan elkaar doorgeven.
Want de subjectieve behoefte moet worden bevredigd.
Er ontstaat groepsvorming. Allengs wordt de kerk pluraal en categoraal. Gemeenteleden vervreemden van elkaar: jongeren en ouderen, alleenstaanden en gehuwden, homofiel- en heterofielgeaarden, blanken en zwarten, vooruitstrevenden en behoudenden, introverten en extroverten, ongeschoolden, en geleerden, werkelozen en werkenden, vrouwen en mannen, zwakken en sterken. De gemeente is niet meer opgewassen tegen de verbrokkeling van een in ontbinding verkerende samenleving, maar zij voegt zich inde waan bij de tijd te zijn. leder gaat zijn eigen gang. De kerkvloer krijgt een platformfunctie. Er 'is geen overeenstemming meer mogelijk over de vormgeving van de liturgie, de liturgische formulieren moeten wijken voor de spontane improvisatie. De kinderdoop heeft geen .waarde want de godsdienstige vaardigheid van de baby is dubieus. Kinderen mogen wèl deelnemen aan het Heilig Avondmaal want zij hebben hun vaardigheden. De dominee weet niet goed meer, hoe hij allen met dezelfde preek moet bereiken. Er ontstaat ambtelijke nood. Het gezag binnen de kring wordt persoonsgebonden, langs de sluikweg van het informele valt het toe aan de toevallige charismatische figuur, het wordt verticaal en tenslotte tiranniek: de kerk is sekte geworden, zij die persoonlijk aan de opgeschroefde eisen niet meer kunnen voldoen worden tot aanpassing gedwongen of uit de kring van de ingeleiden verwijderd.
Het zicht op de kerk als het volk van het Verbond is teloorgegaan, de eenheid wordt niet meer gezien als geloofsinhoud, als belofte, als geschonken recht dat haar in de tijd structueert en zichtbaar maakt. (24) De doop verzegelt niet Gods beloften maar inwendig aanwezig heil. Niet het barmhartig recht, van Godswege, maar de subjectieve religieuze gesteldheid is de poort die de toegang tot de gemeenschap opent. Ook het kerkverband desintegreert. Elke gemeente is druk met het heil dat voorhaar alleen specifiek geacht wordt.

Eenwording met andere kerken van dezelfde confessie wordt gezien als identiteitsverlies en verzandt in een eindeloze twist over de vraag wie het eigene zal behouden en wie dat voor welk deel zal prijsgeven. Dit alles zien we in kerkelijk Nederland om ons heen gebeuren en het is hoogmoed te denken, dat wij Nederlands Gereformeerden daarvoor immuun zouden zijn. Wij dwazen. De God van het Verbond had gezegd: ze horen er allemaal bij, Ik rechtvaardig om niet, allen die geloven en hun kinderen, de ongeborenen, de geborenen, de jongeren, de volwassenen, de ouderen, de gestorvenen. (25) Ze horen erbij, de zwakken, de zieken, de onwetenden, de gestoorden, de zwakzinnigen, de idioten, de krankzinnigen, de dementen, - allemaal. Dat is het vlammend getuigenis van Gods kerk in een wereld die de mens reduceert tot een totaal van waarden, de niet-menswaardig geoordeelden doodt, prenataal en terminaal. De rechtvaardigen zijn onaantastbaar, dat is het Evangelie.

AANTEKENINGEN
3.1 – 19. C. Rijnsdorp, Wij zijn de vaders, Kampen 1972, 5, 60.

3.2 – 20. K.J. Popma, a.w. V 87.
21. Vgl. H. de Jong, Nederlands Gereformeerde Identiteit, Opbouw 17 oktober 1986 e.v. nrs. 315: “Maar wat is dan onze identiteit? Ik mag (dus) nu niet meer antwoorden: Onze identiteit is, dat we in alles willen luisteren naar het Woord van God. Want we zouden daarmee immers uitspreken, dat andere kerken dat niet doen, of zelfs niet willen doen”.
22. P.J. van Leeuwen, a.w. 176, 181. Breder: “De antropologie van de bijbel”, 157 e.v. K. Schilder, Christus en cultuur, Franeker, 1948, 42.

3.3 – 23. J. Kamphuis, a.w. 16.
24. J. Kamphuis, a.w. 38
25. A. Janse, Leven in het verbond, Kampen 1937, 63, 112, e.v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief