Enkelele opmerkingen over het begrip ,,heerlijkheid" in het Nieuwe Testament (2)

1988-08-26
  • Jaargang 32
  • nummer 31
6. Via de laatstgenoemde parallellen zijn we gestoten op een begrip dat een belangrijke component blijkt te zijn in het begrip ,,heerlijkheid", t.w. het begrip ,,macht” . Dat IS begrijpelijk: de majesteit van- een vorst impliceert macht.
Om te laten zien, hoezeer deze twee begrippen op elkaar betrokken zijn wijs ik allereerst op de verbinding "met veel macht en heerlijkheid" in de tekening van de verschijning van den Zoon des mensen in Mt. 24, 30. (3) In omgekeerde.
volgorde komen we dezelfde verbinding tegen in Opb. 15, 8 en 19, 1.
Ik zou verder de aandacht willen vestigen op een opmerkelijke parallel: in Rm. 6,4 zegt Paulus, dat Christus is opgewekt "door de heerlijkheid (of: majesteit) des Vaders", terwijl het in I Cor. 6, 14 heet: "God heeft niet alleen den Here opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht". Voor het op wekken van doden is nl. goddelijke kracht nodig. Jezus zegt dan ook tegen de Sadduceeën, die beweren dat er geen opstanding is: "gij kent niet de kracht Gods" (Mt. 22, 29). En in 2 Cor. 13,4 wordt van Christus gezegd: "Hij leeft dank zij de kracht Gods ", Het is met name de evangelist Johannes die het begrip "kracht" uitdrukt door het woord "heerlijkheid". Zo zegt in Joh. 11, 40 Jezus tegen Maria bij het graf van Lazarus: "Heb Ik u niet gezegd, dat gij wanneer gij gelooft, de heerlijkheid Gods zult zien?" (Dat zal een verwijzing zijn naar het woord aan Maria's adres in v. 23). En als Johannes het eerste teken van Christus' macht over de schepping - dat in Kana - heeft beschreven, stelt hij vast: "Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen ... en Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard" (Joh. 2, 11). Zulke wonderen waarin Gods macht aan het licht komt zou Lucas eerder uitdrukken met het woord "dynamis" (= macht), b.v. Luc. 19,37; Hd. 19, 11. Maar Johannes heeft voor dit bijzondere aspect van Gods majesteit 'macht' niet een apart woord gekozen, maar zich voor het uitdrukken ervan beholpen met het 'alomvattende' woord "heerlijkheid". Wellicht hangt dat samen met het semietisch milieu waarin hij is opgegroeid.
Hoe dit ook zij, het feit ligt er-ik heb er, meen ik, al eens eerder de aandacht op gevestigd - dat we in het evangelie van Johannes het woord "dynamis" tevergeefs zoeken, terwijl het in de andere evangeliën resp. 12, 10 en 15 maal voorkomt. (4)

7. Intussen, al gebruikt Lucas voor de wonderen waarin Gods macht blijkt op bovengenoemde plaatsen het woord 'dynamis " toch kiest hij elders eenmaal een verzelfstandigd bijvoeglijk naamwoord dat van 'doxa' is afgeleid ("endoxos", d.i. heerlijk) om zulke machtige daden aan te duiden (Luc.13, 17).
En daarmee stoten we dan op een opmerkelijk verschijnsel, dat even onze aandacht mag hebben.
Dit op het zelfstandig naamwoord' "doxa" (heerlijkheid) corresponderende bijvoeglijk naamwoord "endoxos" (heerlijk) komen we in het NT slechs vier maal tegen, en wel nog eenmaal bij Lucas (7, 25): "zij die in heerlijke kleding en weelde verkeren", waarbij onze gedachten als vanzelf teruggaan naar een eerder genoemde tekst, t.w. Mt. 6, 29 (zie boven onder 3), en tweemaal bij Paulus, nl. in I Cor. 4,10 (,,10 aanzien NGB) en in Ef. 5, 27 ("stralend"NGB). Ik noteer maar aanstonds, dat het op deze laatste twee plaats-en (bij Paulus dus) praedicatief is gebruikt.
(5). Attributief komt het woord alleen dus voor in Luc. 7, 25.
Dat is veel minder vaak dan de grote frequentie van het zelfstandig naam': woord "doxa" ons zou doen verwachten.
Wat is hier aan de hand?
Wel het Grieks kent de mogelijkheid een bijvoeglijk naamwoord te vervangen door de tweede naamval van het corresponderende zelfstandig naamwoord.
En met name schrijvers die hebraïstisch zijn beïnvloed maken van die mogelijkheid overvloedig gebruik. 0!ll een duidelijk voorbeeld te noemen: 10 de NBG lezen we in Opb. 13,3: " ...en zijn dodelijke wond genas". Maar in het Grieks staat hier letterlijk: "de wond van de dood van hem". Nu, diezelfde omschrijving komen we ook herhaaldelijk tegen, waar het gaat om het begrip "heerlijk": men drukt het Uit door "der (of: van de) heerlijkheid".
We kwamen boven (onder 1, eerste alinea) al een aantal gevallen van zo'n kwalificerende, karakteriserende tweede naamval tegen: "de God der heerlijkheid", "de Vader der heerlijkheid", "de Heer der heerlijkheid". Men kan daar aanstonds aan toevoegen "de cherubs der heerlijkheid", Hebr. 9, 5.
Een aardig voorbeeld van afwisselend gebruik van beide uitdrukkingsmogelijkheden vinden we in 2 Thess. 2, waar dezelfde figuur die in v. 3 "de mens der wetteloosheid" wordt genoemd, in v. 8 wordt aangeduid als "de wetteloze (mens)".
Wij kennen trouwens in het Nederlands deze uitdrukkingswijze ook: "een man van gewicht" (= een gewichtig man), "een parel van waarde" (= een waardevolle parel).
Nu zien we echter bij dit verschijnsel een complicatie optreden. Ik ga gemakshalve maar even uit van het pas genoemde Opb. 13, 3, waar in het Grieks staat: "de wond van de dood van hem". Men ziet, dat hier het - wat wij wel noemen 'regerend' - zelfstandig naamwoord "wond" gevolgd wordt door twee tweede naamvallen, twee 'van '-verbindingen , t.w. "van de dood" en "van hem". Hoe zit het nu met de onderlinge athankelijkheidsverhouding tussen die drie elementen? Toegespitst op het eigenlijke probleem: moet ik "van hem" laten afhangen van "dood" of van "wond"?
Dan moeten we vaststellen, dat de 'bezitter-aanduiding' ("van hem") formeel te betrekken is op "dood", niet op "wond". Dat blijkt niet alleen als men vergelijkbare oudtestamentische gevallen in het Hebreeuws ontleedt (b.v. Ps. . 132, 8 "de ark uwer sterkte"), maar is ook uit het NT duidelijk te maken aan de hand van teksten waar in plaats van zo'n 'bezitter-aanduiding' een aanwijzend voornaamwoord is gebezigd. Zo staat b.v. in Hd. 5, 20j,de woorden van dit leven". De grammaticale vorm van het aanwijzend voornaamwoord wijst hier uit, dat het bij "leven" hoort, niet bij "woorden". precies zo liggen de zaken in Hd. 13, 26 "het woord van deze redding".
Bedoeld is dus in Openb. 13, 3 zoiets als "de wond die tot zijn dood had moeten leiden" (of: "die zijn dood scheen te zullen betekenen"); in Hd. 5, 20 "de woorden -die dit leven behelzen" (het leven nl., dat in Jezus Christus is verschenen); en in 13:26 "het woord dat deze redding" verkondigt (t.w. de redding die Jezus heeft gebracht, vgl. v.23!).
Toch kan men. er m.i. weinig bezwaar tegen aantekenen, wanneer de NBGvertalers hier een zg. enallage toepassen en kiezen voor de weergave "zijn dodelijke wond" (Opb. 13, 3) en "deze heilsboodschap" (Hd. 13,26). Anders zou men in vele gevallen tot een omschrijving zijn toevlucht moeten nemen, want de letterlijke weergave ("de wond van zijn dood" en "het woord van deze redding") klinkt voor nederlandse oren zeer onnatuurlijk, en zou misschien zelfs nauwelijks begrepen worden.
Zeker als men beide begrippen waarom het gaat, in één samenstelling weet onder te brengen (b.v. heilsboodschap") is de ingreep die men zo bij het vertalen pleegt miniem. En het is jammer, dat de NBG-vertalers op dit punt niet consequenter zijn te .werk gegaan.
Zo is b.v. in Rom. 7, 24 "het lichaam dezes doods" blijven staan, waar de vertaling "dit doodsbestaan" toch bepaald de voorkeur zou verdienen. Ik noem verder Hebr. 1,3 "het woord zijner kracht" i.p.v. "zijn machtswoord".
Halfslachtig is de weergave van Hd. 5, 20: "deze woorden des levens". Wel is het aanwijzend voornaamwoord verplaatst van 'leven' naar 'woorden', maar de oude tweede naamval' "des levens" is gehandhaafd. Waarom dan niet liever vertaald "deze levenswoorden"?) Sa.
Helaas lukt het niet altijd beide begrippen in één woord te vatten. Zo kennen wij - om op Opb. 13, 3 terug te komen in onze taal wel het woord 'doodsteek', maar niet de samenstelling 'doodswond'.
En hier biedt dan de vervanging van 'des doods' door 'dodelijk' uitkomst.
(Ook in Hd. 5, 20 zou men met de vertaling "deze levende woorden" niet zover bezijden de waarheid zitten, gelet op Hd. 7, 38. Men vergelijke ook plaatsen als Opb. 21,6; 22, 1,17 met teksten als Jh. 4, 10; 7, 38).

Terug naar ons uitgangspunt. Ik zei, dat het bijvoeglijk naamwoord "heerlijk" in het NT sporadisch voorkomt, maar dat dit zal samenhangen met het feit, dat de nieuwtestamentische schrijvers veelvuldig gebruik maken van de kwalificatie "der heerlijkheid". En dat juist hier zich nogal eens de complicatie voordoet, dat dit woord "heerlijkheid" in zo'n verbinding nader bepaald is door een 'bezitteraanduiding' . Boven (onder 5) noemde ik al Mt. 19,28 en 25, 31, waar sprake is van "de troon zijner heerlijkheid". Verder wijs ik op: Rom. 8:21: “vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods"; Col. 1, 11 "naar de macht zijner heerlijkheid"; 2 Cor. 4, 4 "het evangelie der heerlijkheid van Christus"; I Tim. 1, 11 "in overeenstemming met het evangelie der heerlijkheid van den zaligen God"; Tit. 2, 13 "de verschijning der heerlijkheid van onze groten God en Heiland, Jezus Christus"; Fil. 3,21 "gelijkvormig aan het lichaam zijner heerlijkheid" ("zijn verheerlijkt lichaam" NBG). De vraag is nu: hoe lossen we het probleem waarvoor deze complicatie ons bij het vertalen stelt, t.a.v. dit woord ("heerlijkheid") op?

Ik kan er in komen, als men met de vertaling "heerlijk" hier nog iets meer denkt te verliezen dan bij andere begrippen waar men een tweede naamval van het zelfstandig naamwoord vervangt door het corresponderend bijvoeglijk naamwoord. "Heerlijk" is nl. in ons dagelijks spraakgebruik sterk afgezwakt.
Voor ons is "heerlijk" vaak niet meer dan "fijn" (b.v. "een heerlijke vacantie") of "lekker" (b.v. "heerlijke bonbons").
En met een zo verstaan 'heerlijk' blijven we inderdaad ver beneden de 'lading' van de heerlijkheid die in genoemde teksten aan de orde is. Het gaat in Fil. 3,21 om het lichaam waarmee Christus door de hoge kracht van God opstond uit het graf. En in Tit. 2, 13 om zijn verschijning als koning met al de luister die bij dat koningschap hoort. En zo spreekt Rom. 8, 21 van onze vrijheid zoals die voortvloeid uit onze hoge rang van kinderen Gods.
Toch moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen: ik vrees, dat ook in ons christelijk spraakgebruik het begrip 'heerlijkheid' iets aan schriftuurlijke kracht heeft ingeboet. Het woord speelt met name een rol. in overlijdensadvertenties: "opgenomen in heerlijkheid"
lezen we daar van overleden gelovigen.
Ik laat nu rusten de vraag die ds Telder - terecht! - aansneed, of dat nu aanstonds na het sterven al geldt. Wat ik meen te kunnen vaststellen is, dat men in deze aan Ps. 73,24 ontleende formule met name wil uitdrukken, dat de gestorvene ontheven is aan de pijn en de moeite van dit aardse bestaan en binnengeleid in "de lieflijkheen van 't zalig hemelleven" , om een uitdrukking uit de oude berijming van Ps. 16, 11 te gebruiken.
M.a.w .. ik heb de indruk, dat het genieten van de zoetheid van een bovenaards bestaan hier de voorstelling van de 'heerlijkheid' waarvan men spreekt, beheerst. Wat toch - vergeef me - ten naaste bij neerkomt op een sublimering (een vergeestelijking) van een genot als dat van bonbons en vacantie.
Terwijl het bijbelse begrip 'heerlijkheid"
veeleer de kracht en luister van het koningschap in zich bergt!

Welnu, het zou wellicht aanbeveling verdienen die dominante element in de vertaling van de teksten die ik zojuist op een rijtje zette duidelijk te honoreren.
Voor de beide uit Mt. aangehaalde plaatsen kan men dan goed uit de voeten met de weergave "zijn koningstroon".
In andere gevallen kan een 'in'-verbinding uitkomst bieden. Zo zou ik in Fil. 3, 21 willen vertalen: "ons bestaan in vernedering" en "zijn leven in luister"; en in Tit. 2, 13 "uitziend naar de zaligheid waarop we hopen en naar de" verschijning in luister van den groten God" (Sb).
Voor andere plaatsen zou ik voor mij toch maar kiezen voor een omschrijving.
Al valt die wat breder uit, men doet zó wellicht het minst te kort aan de bedoeling van den Geest. Ik noem: Col.
1, 11 "overeenkomstig de macht die Hij als koning heeft"; 1 Tim. 1, 11 "het evangelie dat met het hoge gezag van den zaligen God is bekleed"; 2 Cor. 4, 4 "het evangelie waarin Christus' luister straalt"; Rom. 8, 21 "de vrijheid die behoort bij de hoge rang van Gods kinderen" (vgl. v. 15; Gal. 4, 21-31; ook nog Mt. 17,26).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief