Een mens zijt gij en geen god
1988-09-02
"Zeg tot de vorst van Tyrus: omdat uw vhart hoogmoedig geworden is en gij zegt: ik ben een god, een godenwoning bewoon ik midden in de zee - terwijl gij een mens zijt en geen god: sterven zult gij, midden in de zee." (Ezechiël 28 : 2, 8).- Jaargang 32
- nummer 32
Mens en God, die twee vormen een fijne balans. Een balans: over de mens valt alleen te spreken in relatie tot God. Tot in zijn woordgebruik toe (adaam: uit rode aarde genomen; ènoosj: zwak) tekent de bijbel de mens als een wezen dat alles weg heeft van het pottenbakkers leem dat alleen bij de gratie van de pottenbakker bestaat. Een fijne balans: verbreking van het evenwicht is fataal.
Het woord van de Doper "Hij moet wassen, ik moet minder worden" (beeld van de weegschaal) geldt ook omgekeerd: de mens die zelf wil wassen zal ervaren dat God minder wordt in zijn leven. God trekt zich terug voor wie opdringt en dan is de val groot.
De profetie en het klaaglied over de vorst van Tyrus vormen een waarschuwing om de balans niet te verbreken. Ik ben God, zei de vorst van Tyrus, Gods woning bewoon ik midden in de zee (St. Vert.). Toen God hem in de waan liet en zich terugtrok, zo vertelt Ezechiël 28, woonde hij midden in de zee, alleen niet langer tussen de goden maar tussen de vissen.
De zonde van het omhooggrijpen
Ezechiël troostte het volk in ballingschap daarmee. Tegenover Tyrus dat gejuicht had over Jeruzalems ondergang zou God zijn Naam 'in ere houden.
Maar hij waarschuwde er ook mee. De zonde van Tyrus' koning , - was immers ook hun eigen zonde geweest.
De zonde van die wijze, goocheme en daarom schatrijke koning lag niet op het financiële vlak maar op het fundamentele draagvlak van zijn verhouding tot de Eigenaar en Gever van wijsheid en rijkdom. Niet zijn poen maar zijn pocherij erop was zijn vergrijp. Hoogmoed verraadt een mens als goddeloze. Hoogmoed is geen psychisch maar een religieus gebrek (Ps. 53). De profetie stelt opschepperij over Gods gaven aan de kaak als de grensoverschrijdende zonde van de zelfvergoddelijking.
Met zijn waan zelf zijn welvaart te hebben veiliggesteld zei de. koning van Tyrus feitelijk: Ik ben God en ik woon overeenkomstig m'n standing; in het hart der zee (volgens oud-oosterse voorstelling: de onderwereld, domicilie der goden).
Waarmee de profeet de hoogmoed . ontmantelde als blasfemie, als de oerzonde van het omhooggrijpen.
Vuur van binnenuit Het is een bijbelse waarheid dat hij die God dood verklaart ervaren zal dat God "dood" is in zijn leven. Het is ook een bijbelse waarheid dat de malaise van die Godsverduistering een zelfgewilde malaise is. Een straf van God, maar meer nog een gevolg van de eigen grensoverschrijding. Het vuur ontstaat van binnenuit (vs. 18).
Het rot zit van binnen. Op het moment dat de koning van Tyrus een greep deed naar het God-zijn ervoer hij dat hij adaam was en geen God, maar aarde, stof, dat als God er zijn handen vanaf trekt ook niet meer is dan stof, as op de grond (vs. 18).
Zondeval herhaald Ezechiël 28 is een kopie van Genesis 3, de zondeval, maar dan gedateerd en gekonkretiseerd. Man en paard worden genoemd en dan komt de zonde grillig en dicht bij huis tevoorschijn.
In een klaaglied vol paradijsherinneringen wordt de val van Tyrus' vorst verhaald. Volmaakt schoon, vol van wijsheid en met louter edelstenen bekleed verkeerde hij in de Hof van Eden. Als een cherub op de heilige godenberg bewaakte hij zijn rijkdommen. Onberispelijk was hij tot trots zijn hart vervulde. Op de paradijszonde volgde de paradijsstraf.
De ene grensoverschrijding werd beloond met de andere: van de godenberg werd hij verbannen en op de aarde geworpen, stof tot stof, verdwenen voor altijd (vs. 19).
Wat is de mens? Adaam en geen God, vlees en geen geest, sterfelijk.
Zelfvergoddelijking ontmenselijkt.
Herstel van de goede balans tussen God en mens geeft ons het ware mens-zijn terug. Dat is een zegen, maar nog niet het heil zelf. Herstel van die balans geeft ons onze God terug.
Tegenover de adaam is Hij de Onsterfelijke. Maar veel meer nog de God die gezegd heeft: God ben Ik en geen mens, heilig in uw midden, heilig in mijn liefde (Hosea 11 : ). Dat is het evangelie waar ook Ezechiël 28 ons hebben wil.
Daarover D.V. de volgende keer