Enkelele opmerkingen over het begrip ,,heerlijkheid" in het Nieuwe Testament (3)

1988-09-02
  • Jaargang 32
  • nummer 32
8. Nu we in verband met het begrip "heerlijkheid" apart aandacht hebben geschonken aan het corresponderend bijvoeglijk naamwoord (en de vervanging daarvan door de tweede naamval "der heerlijkheid") willen we ook nog afzonderlijk stilstaan bij het werkwoord "verheerlijken " .
Om te beginnen treft het ons, dat we voor "God verheerlijken", dat wij -r- en niet ten onrechte - verstaan als "God prijzen" (b.v. Luc. 7, 16) ook wel vinden "aan God heerlijkheid geven" (Luc. 17, 18; "eer" NBG). Men voelt wel: er kan ten diepste geen sprake van zijn, dat wij, schepselen, God iets zouden geven wat Hij nog niet bezit. Men denke aan de wijze waarop Ps. 50, 10-12 spreekt over het offer. "Aan God heerlijkheid geven" (en ook het daarmee gelijk te stellen "God verheerlijken") betekent dan ook veeleer "Gods heerlijkheid (zijn majesteit en macht) volmondig erkennen". Heel duidelijk wordt dat b.v. in Rom. 1,21: de mensen hebben God, hoewel zij Hem kenden, "niet als God verheerlijkt", d.w.z. Hem niet in zijn hoogheid erkend". Dat blijkt ook uiteen tekst als Hand. 12,23, waar we lezen, dat een engel des Heeren Herodes sloeg, "omdat hij God niet de 'doxa' had gegeven". Door zich de titel 'God' te laten aanleunen (v. 22) had hij de unieke hoogheid van God miskend.
Als wij God verheerlijken, dan betekent dit, dat wij zijn majesteit, zijn macht en zijn luister, zoals die tot uitdrukking komen in zijn grote daden van schepping en verlossing (en ev. ook bestraffing), opmerken en daarvan in woord en daad getuigen, om zo ook anderen tot die erkentenis te brengen.
T.a.v. enkele teksten uit het Johannesevangelie die de verhouding tussen Vader en Zoon en die tussen Zoon en Geest raken, kan dit inzicht verhelderend werken. In Joh. 16, 13-15 zegt Jezus van den (pinkster)Geest: "Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar alwat Hij hoort zal Hij spreken ... Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft is het mijne; daarom zei Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen". Dat betekent: be Geest zal (vanaf Pinksteren) den Zoon in Diens koninklijke waardigheid erkennen; Hij zal den Zoon eerbiedigen als zijn Zender en Diens opdrachten -"wat Hij (nl. van Mij) hoort" uitvoeren. De Geest neemt tegenover den Zoon straks dezelfde houding van 'gezondene' (dus ondergeschikte) aan die de Zoon tijdens zijn verblijf op aarde aannam tegenover den Vader: men vergelijke Joh. 7, 18, waar in dezelfde bewoordingen gesproken wordt over de verhouding Vader-Zoon als hier over de verhouding Zoon-Geest: "Wie uit zichzelf spreekt zoekt zijn eigen eer; maar wie de eer zoekt van zijn Zender, die is betrouwbaar ..." (6) Als Jezus "de eer zoekt van zijn Zender (God)", dan betekent dit) Hij is erop uit de hoge majesteit en macht van God in het licht te stellen en zo anderen tot erkenning dáárvan te bewegen. Dat effekt heeft zijn optreden ook metterdaad, vgl. b.v. Mt. 9, 8 : na de genezing van den verlamde door Jezus "verheerlijken de scharen God, die een dergelijke macht aan de mensen had gegeven". Jezus' leerlingen gaan in dit opzicht later in zijn sporen, vgl. Hand. 3, 12. (Vgl. ook Mt. 5, 16, en de tegenstelling met de houding. die in 6, 2 wordt getekend.
Men zie verder nog Gal. 1, 24 en 1 Petr.4, 11.)

Intussen kan "verheerlijken" ook de betekenis hebben "met een hoge waardigheid bekleden". Zo lezen we in Hebr. 5, 5, dat "Christus niet zichzelf met de waardigheid van als hogepriester op te treden heeft bekleed", maar dat God Hem daartoe had uitgeroepen.
Dan krijgen we dus te maken - nièt zoals daareven met het" verheerlijken" van een hogere (God de Vader) door een lagere (God de Zoon of een mens), maar met het verheerlijken van een lagere door een hogere.
Hier gaat het dus om een afgeleide, een door een hogere instantie verleende heerlijkheid. Terwijl God in en van zichzelf heerlijkheid heeft, is het schepsel, voorzover het heerlijkheid heeft, door Hem met heerlijkheid bekleed. Ps.8 laat dat t.a.v. den mens duidelijk weten: "wat is de mens, dat Gij aan Hem denkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd" (vv 5-7). Men lette er op, dat het verlenen van heerlijkheid aan den mens behelst: het verlenen van heersersmacht.
Dié heerlijkheid, door God aan den mens verleend, die weerspiegeling van de majesteit van den groten Koning der schepping in de majesteit van den onderkoning, drukt de bijbel ook wel uit met het woord "beeld (Gods)"; zo al aanstonds in Gen. 1, 27.
Nu, de verbinding van die twee ("beeld" en "heerlijkheid") komen we ook enkele malen in het NT tegen.
Allereerst in 1 Cor. 11, 7, waar van den man gezegd wordt: "hij is het beeld en de heerlijkheid Gods", d.w.z. hij vertegenwoordigt op aarde God in Diens majesteit. Aan dat feit ontleent hij zijn gezag en zijn aanzien. En zo is, vervolgt Paulus, de vrouw op haar beurt weer "de heerlijkheid van den man". Wie iemands vrouw ontmoet zal haar dus met het respect behandelen dat hij haar man schuldig is.
"Heerlijkheid", d.w.z. een hoge waardigheid., is n.l. overdraagbaar. Zo zegt de Heere tegen Mozes, dat hij Jozua als zijn opvolger moet aanwijzen. En dan beveelt Hij: "Stel hem voor den priester Eleazar en voor de gehele vergadering, en geef hem in hun tegenwoordigheid uw bevelen, en leg op hem van uw heerlijkheid, opdat de gehele vergadering der Israëlieten het hore" (Num. 27, 20). .
De tweede verbinding van "heerlijkheid" met "beeld" vinden we in 2 Cor. 4, 4 (boven, onder 7, reeds aangehaald), waar sprake is van "het schijnsel... van het heerliikheids-evangelie van Christus, die het beeld van God is". Hier zien we (vgl. boven, onder 4 en begin 5), hoe nauw de uitwendige kant ("lichtglans") en de inwendige zijde ("ambtsmacht") bij heerlijkheid aan elkaar verbonden zijn. Als dit evangelie gekenmerkt wordt als een evangelie van heerlijkheid, dan zullen we moeten denken aan de glans van deze boodschap. Dat valt op te maken uit het woord "schijnsel" en de term die in de NBG-vertaling door "ontwaren" is weergegeven; en vooral ook uit het feit, dat Paulus in het vorige hoofdstuk uitvoerig heeft stil gestaan bij het verschil tussen de lichtglans op Mozes' gelaat en de glans van het evangelie dat hij mag brengen. Maar als dan onmiddellijk volgt, dat het gaat om het evangelie van "Christus, die het beeld van God is", dan beseffen we dat het in die glans toch gaat om uiterlijke tekenen van Christus' hoogheid en majesteit. In "evangelie der heerlijkheid" heeft heerlijkheid dezelfde diepte als in "Heer der heerlijkheid".

Het zal u zijn opgevallen, dat hier in de uitdrukkingswijze een nog nauwere relatie tussen hoogwaardigheidsbekleder en hoge waardigheid gelegd worat dan we tot dusver tegenkwamen. Het heet in 1 Cor. 11, 7 en 11Cor. 4, 4 nl. niet, dat de heerlijkheid van God op iemand ("de man" of "Christus") gelegd wordt, maar dat iemand de heerlijkheid van God is. (7) Daarmee komt de uitdrukkingswijze nog dichter bij die andere: de mens is het beeld Gods.
Hetzelfde verschijnsel vinden we ook in 11Cor. 8, 23, waarvan afgevaardigden van de gemeenten door Paulus gezegd wordt: "zij zijn... de heerlijkheid van Christus". Zij vertegenwoordigen Christus: Diens majesteit straalt op hen af. En aan dat feit ontlenen zij gezag .en aanzien.

9. We willen tenslotte nog ingaan op een aantal plaatsen uit het Johannesevangelie.
Johannes spreekt vrij veel over "heerlijkheid" en "verheerlijking".
Maar het is niet altijd aanstonds duidelijk, hoe die uitspraken bedoeld zijn. Met name doet zich een probleem voor t.a.v. Jezus' heerlijkheid tijdens zijn leven hier op aarde. Enerzijds lezen we na het wonder in Kana, dat Jezus daar zijn heerlijkheid heeft geopenbaard (2,11), anderzijds wordt gezegd: "de Geest was-er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was" (7,39). Hoe zit dat nu met Jezus' heerlijkheid en verheerlijking? . .
We willen een poging doen daarin vanuit de Schrift wat klaarheid te brengen.
Ik begin dan met Christus' vraag . aan den Vader in Joh. 17, 5 : "Verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid. die Ik bij U had, eer de wereld was". M.a.w. "bekleed Mij met de (koninklijke) waardigheid die Ik voorheen bij U had". Voor Hij naar de aarde kwam om zijn verlossingswerk te doen, was de Zoon in de hemel, bij den Vader ("bij U"); toen deelde Hij de wereldheerschappij met zijn Vader. Maar Hij heeft vrijwillig tijdelijk afstand gedaan van de hemeltroon. Daarvan spreekt Paulus in Fil. 2. Hij was "de evenknie van God" (v. 6), maar heeft die positie niet uitgebuit. Integendeel: Hij heeft de goddelijke luister, de koningsmantel, afgelegd, en zich in een slavenplunje gestoken (v. 7). Maar na volbrachte arbeid vraagt Hij nu als loon op zijn werk op aarde: herstel in zijn oude koningswaardigheid. Hij verlangt nu opnieuw te zitten met zijn Vader op diens troon ("bij Uzelf').
En dat loon geeft de Vader Hem. Door "Hem uit de dood te doen verrijzen" (Hd. 3,15) en in de hemel op te nemen (v. 21) heeft "de God van Abraham, Izak en Jakob, de God onzer vaderen, 'Zijn Knecht, Jezus, verheerlijkt" (v. 13). Pas in dié positie nu kan Hij be": schikken over den Geest. Op de dag van de uitstorting van den Geest zegt Pequs: "Nu Hij (d.i. Jezus) dan door de rechterhand Gods verhoogd is en den Hem Beloofden Geest van den Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij ziet en hoort" (Hd. 2, 33). Nu kan Hij voortaan optreden, niet langer als gezondene, maar als Zender; kan Hij met zijn apostelen (= gezondenen) doen, wat eertijds de Vader met Hem gedaan had. We horen Hem bidden:

" ... dat zij allen één mogen zijn; dat, zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U, zo ook zij in Ons mogen zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Ik de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven had, hun heb gegeven ... "(Joh. 17, 20-22)

En omdat dit gebed verhoord is, kan Petrus later zeggen (I 4, 14), dat "de Heerlijkheid, de Geest van God, (8) op ons rust". Door den Geest van God op ons te leggen heeft Christus ons bekleed met een hoog ambt en met alle macht en waardigheid daaraan verbonden.

Omdat dit pas mogelijk wordt na Christus' dood, opstanding en hemelvaart, kunnen wij begrijpen, dat Johannes zegt (7, 39): "de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was", d.w.z. omdat Hij nog niet in zijn oude waardigheid hersteld was, omdat Hij nog niet weer de hemel troon had beklommen.
Daarmee is echter niet gezegd, dat Jezus, toen Hij op aarde kwam, in 't geheel geen heerlijkheid bezat. Hij hadintegendeel - wel degelijk ambtsvolmacht, zeer ruime bevoegdheden, zeer grote macht zelfs, zoals o.a. daaruit kan blijken, dat de Vader Hem den Geest zonder mate verstrekte (Joh. 3, 34). Hij had "een heerlijkheid zoals alleen een enige zoon van zijn vader meekrijgt" (1, 14). Alleen het was geen eigen heerlijkheid, maar een Hem door den Vader verleende (vgl. 17, 22). Zijn oorspronkelijke luister en macht, die van Zoon-aan-den- Vader-gelijk, had Hij afgelegd: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets doen van zichzelf; alleen maar als Hij het den Vader ziet doen;' (5, 19). De Zoon heeft zich vrijwillig geheel ondergeschikt gemaakt aan, en afuankelijk gesteld van den Vader.
Nu, dié (niet' eigen, maar verleende) heerlijkheid is aan het licht gekomen o.a. in Kana.
En voorzover de Zoon op aarde door mensen 'verheerlijkt' werd, was. dat: een erkend worden in zijn hoge waardigheid van 'door den Vader gezondene': "Ik ben in hen (d.i. in mijn leerlingen) verheerlijkt" zegt Jezus in Joh. 17, 10. Dat wil zeggen: "zij hebben in waarheid erkend, dat Ik van U (Vader) ben uitgegaan; en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt" (v. 8).
Apart vraagt nog aandacht 13, 31.32: "Toen hij (d.i. Judas) heengegaan was, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.
Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zich verheerlijken, en Hem terstond verheerlijken".
Jezus had in 10, 17.18 gezegd: ,,Hierom heeft Mij de Vader lief: omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen”.
Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen".
Niet alleen het hernemen, maar ook het afleggen van zijn leven is in zijn macht gegeven door den Vader.
Nu, dié macht, zijn leven uit zichzelf af te leggen (om het straks terug te nemen), heeft Jezus zojuist bewezen in zijn opdracht aan Judas: "Watje in het schild voert (nl. Mij uitleveren voor terechtstelling), doe dat vlug!" (13, 27).
Daarom kan Hij - tegelijk ook vooruitgrijpend op zijn opstanding; vgl. ook 14, 30, 16, 21 en Hd. 2, 24 - na deze opdracht zeggen: nu is mijn macht mijn majesteit aan het licht gekomen, nu is de Zoon des mensen verheerlijkt (vgl. ook 12, 23). Maar omdat Hij hiermee een gebod van zijn Vader opvolgt, kan Hij eraan toevoegen: "en God is in Hem (d.w.z. in wat Hij doet) verheerlijkt".

Wij kunnen een vergelijking trekken tussen Jezus' sterven en de ziekte waaraan Lazarus heenging.
Jezus noemde die "in het belang van Gods heerlijkheid, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde" (11, 4). Ook daar ging het om een sterven waarin de dood niet het laatste woord had (,,niet ten dode"), omdat er een opwekking op zou volgen, waarin Christus' macht over de dood bleek, en Hij dus 'verheerlijkt' werd; maar waarin ten diepste God die Hem deze macht verleende werd 'verheerlijkt'.
De Heere legt zelf trouwens dit verband, als Hij antwoordt op Jezus' vraag in 12, 28: "Vader, verheerlijk uw naam!". Dan antwoordt de Heere vanuit de hemel: "Ik heb mijn naam verheerlijkt (nl. in de opwekking van Lazarus) en zal hem nogmaals verheerlijken (t.w. in de opwekking van mijn Zoon)".

Maar dan gaat Jezus aldus verder: "Maar als dan God in Hem (d.i. in zijn doen) verheerlijkt is, zal God ook Hem in zich (d.w.z. in wat God van zijn kant doet) verheerlijken, en wel meteen".
Aansluitend aan Christus' zelfovergave in de dood en zijn opstanding -uit de dood zal nl. God Hem ten hemel doen varen (vgl. wat volgt in v. 33: "waar Ik heenga, kunt gij nu niet komen") en naast zich doen plaats nemen op zijn vroegere erezetel. M.a.w. God zal Hem verheerlijken, d.w.z. Hem met de waardigheid bekleden, waarom Hij straks in 17, 5 gaat vragen; ook dáár - evenals hier - in vervolg op de vaststelling: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen dat Gij Mij te doen gegeven hebt" (17, 4).
"En wel meteen": het besef dat de hemelvaart een onmiddellijk vervolg was van dood-en-opstanding, heeft Lucas er blijkbaar toe bewogen die te beschrijven als het slotgebeuren van de opstandingsdag (Luc. 24, 50 vlgg.).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief