De eerste brief aan de Korinthiërs (2)
1987-08-07
Uitg. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1986, f 19,90 - Jaargang 31
- nummer 29
Tweejaar na het eerste deel van zijn bijbelstudie over de eerste brief aan de gemeente te Corinthe publiceerde onze vroegere predikant, M. R. van den Berg, het tweede (en laatste) deel ervan.
2. Niet helemaal bevredigt mij de uitleg van 9, 15-23. Paulus wil alles liever dan dat waarop hij zich laat voorstaan (nl. dat hij belangeloos het evangelie brengt) prijsgeven, zo zegt hij in v. 15.
Op zijn uitdragen van het evangelie als zodanig kan hij zich nl. nièt laten voorstaan: dat is een zaak van moeten; en o wee, als hij het niet doet (v. 16). Nu staat het dus zo: doet hij niet tegenzin zijn werk, onder zijn opdracht kan hij evenwel niet uit (v. 17b); het enige perspectief op beloning biedt het alternatief: in gewillige toewijding zijn taak verrichten (17a). En voor dat laatste heeft hij kennelijk gekozen. M.i. gaat vdB. hier fout. Hij vat v. 17 op als een irrealis: "Het zou anders liggen... Dan zou hij... Hij zou dan ... Maar zo is het niet". Maar niets in deze tekst geeft naar mijn indruk aanleiding tot deze opvatting.
En dan komt v. 18, dat ik ook weer anders zou willen lezen dan NBG en vdB. doen. Die menen hier nl. te maken te hebben met een vraag ("Wat is dan mijn loon?") en een antwoord daarop ("Dit: door mijn evangelie prediking het evangelie om niet te mogen brengen, en ,zo van mijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken"). Nu stelt de apostel hier zonder twijfel de vraag aan de orde, wat dan wel het, loon is dat hij tegoed heeft; het loon wel te verstaan - voor zijn hartelijke toewijding, waarover hij in 17a had gesproken. Alleen maar: ik geloof, dat ook de rest van v, 18 nog bij de vraag behoort, en niet een antwoord daarop is. Naar analogie van Jh. 9, 2 ("Wie heeft gezondigd, ... dat hij blind geboren is?") zou ik hier nl. willen vertalen: "Wat is dan wel mijn loon, dat ik bij het uitdragen van de boodschap het evangelie kosteloos maak, zodat ik van ,de bevoegdheid die ik bij (de prediking van) het evangelie heb (nl. levensonderhoud te vragen) geen gebruik maak?"
Het antwoord komt pas verderop, als ik wel zie, nl. in v. 23.
Om te begrijpen, wat Paulus daar zegt, moet men m.i. in rekening brengen, dat hij in de verzen die nu volgen vijf maal het woord 'winnen' bezigt. (vdB. wijst, daar ook op.) Dat is een term uit de zakenwereld, uit het handelsleven, vgl. b.v.Jc, 4,14. Mogelijk heeft Paulus wel de gelijkenis van Jezus uit Mt. 25, 14 vlgg. voor de aandacht gestaan. Ook daar vinden we viermaal ditzelfde woord (vv. 16, 17, 20, 22): de slaven 'maken winst' voor hun baas.
Nu, Paulus blijft, denk ik, aan dat beeld van het zakenleven vasthouden, als hij aan het slot van v. 23 het woord 'synkoinoonos' ('medegenoot') laat vallen.
Ik vat het dus op in de zin van 'deelnemer in een maatschap', 'vennoot', "compagnon'. (Van de plaatsen uit de papyri is bijzonder interessant PAmh 11 92, 18, waar de 'koinoonos' ('partner' Moulton/Milligan) van den 'misthios' ('servant' M./M.) wordt onderscheiden.
De laatsgenoemde figuur ("Iooni, arbeider") is ons bekend uit Lc. 15, 17, de eerste mogelijk uit Lc. 5,10. Er is nl. in een andere papyrus (PAmh II 100, 4) sprake van het in maatschap bevissen van een plas, waarbij het aandeel van den aangetrokken partner ook wordt genoemd.) Welnu, een compagnon stelt zich anders op tegenover de zaak waarin hij werkt dan een employé. De laatste krijgt zijn vaste loon, en verricht daarvoor een afgepaste hoeveelheid werk.
De eerste krijgt geen vast loon: de zaak is (mee) van hem, en allewinst (!) van de záák is (mede) zijn winst. Alles wat hij voor die zaak doet komt hém ten goede. Daarom slooft hij zich er dan ook zo voor uit. Het belang van de záák is zijn belang.
Zó nu vereenzelvigt Paulus hier zijn eigen belangen met de belangen van het evangelie. Hij wil in het evangeliebedrijf winstdelend mede-firmant zijn, nièt een betaalde employé. Daarom zet hij zich restloos in voor die 'zaak', is tot alles bereid wat maar winst voor het evangelie kan opleveren (vv. 19-22).
Typisch Paulus! Hoe verrassend en ontroerend heeft deze begenadigde schrijver hier in een harstochtelijke ontboezeming zijn besluit verwoord, alles wat hij is en wat hij heeft te investeren in de zaak van Jezus Christus.
Nu begrijpen we ook beter, waarom de apostel na v. 23 als tweede beeld kiest dat van de sport. Ook van sportmensen immers geldt, dat ze zich restloos inzetten (v. 25). 3. T.a.v. 15, 29 vraagt vdB. zich af, of 'boven de doden' kan worden uitgelegd ' als 'niet één been in het graf, zoals ondergetekende destijds had voorgesteld.
(Het voorzetsel dat hier gewoonlijk vertaald wordt met 'voor', d.w.z. 'ten behoeve van', kan nl. ook betekenen 'boven'; en .in dié zin vat ik het op.) Dit versta ik niet goed. vdB. schrijft nl. (blz. 144): "In 1742 schreef iemand al: als je alle verklaringen van deze tekst zou willen weergeven, heb je daar al een dissertatie voor nodig". Daar moet hij Bengei op het oog hebben (die zich overigens - althans in de voor mij liggende tweede druk van zijn Gnomon, 1763 - nog iets krasser uitliet: "non dicam, varietates ipsas, sed varietatum
catalogos", p. 760a). Nu heeft juist
Bengel- zoals ik overigens pas jaren na de publicatie van mijn eigen verklaring tot mijn grote verrassing ontdekte - van de woorden waarom het hier gaat dezelfde uitleg gegeven als ik. We hebben hier een voorbeeld - en er zijn er meervan de mogelijkheid dat een allang gevonden verklaring helemaal in het vergeetboek raakt.
"Boven de doden", zo schrijft Bengel, "wordt hier gezegd in de zin van boven het graf, juist zoals in Lc. 24, 5 met de doden, d.i. in het graf (p. 761a).
Hij nu wijst erop - wat ook ik betoogde, maar wat misschien vdB. niet voldoende duidelijk is geworden - dat 'hyper' ('boven') in zo'n geval als hier aanduidt "een dreigende nabijheid boven iets" (ib.). Wie boven de groeve verkeren dreigen er in te vallen. "Zo worden", aldus Bengel verder, "boven de doden gedoopt zij die spoedig nà hun doop tot de doden zullen worden verzameld".
vdB. moet zich toch van zijn gymnasiumtijd wel passages uit Homerus' Odyssee herinneren, waarin een slavin komt aandragen met water voor een binnengekomen gast, om diens voeten te' wassen. Dan staat et (b.v. I 136/137: "ze goot het uit met een mooie gouden lampetkan boven een zilveren waskom ", Wel, als iemand staande giet, komt het water pakweg 75 cm. boven de daaronder staande kom uit de kan stromen.
En ieder kan op z'n vingers natellen, dat dat water dan' in die kom valt.
Zo hangt er "een steen boven het hoofd van Tantalus" (Pind., Isthm. 7, 10, 11), d.w.z. dat die op zijn hoofd dreigt te vallen.
Ik kan hier nog iets aan toevoegen. Inde eerste plaats dit. Als wij in ons vlakke land langs het strand lopen, bevinden we ons aan zee. Zo noemen we ook, dorpen, die daar liggen: Bergen aan Zee, Katwijk aan Zee. Maar in een bergachtig land met vaak steil uit zee oprijzende kusten is dat anders. Wie daar langs de kust loopt, bevindt zich meermalen boven de zee: over de kustrand kijkend zie je.:..soms op grote diepte onder je de zeespiegel. Dat uit zich ook in de plaatsbepaling van steden aan de kust. Zo heeft Pindarus het over iemand die "woont boven de jonische zee" (Nem. 7,65). Het betreft vermoedelijk iemand uit Cichyrus, een stad die op een hoge rotskust ligt.
Nu, bij een grafkuil heb je te maken met soortgelijke hoogteverschillen. Wie aan , de rand ervan staat, bevindt zich boven de groeve: hij staart, over de rand kijkend, in een gat dat onder hem gaapt.
Waarom zou 'boven de doden' dan niet kunnen betekenen 'aan de rand van het graf?
In de tweede plaats. Wij spreken van graf. De mensen uit de bijbel doen dat ook wel, maar zij hebben toch vooral ook aandacht voor hen die zich daar onder de aarde bevinden. Voor modem westers besef liggen daar stoffelijke resten. Maar voor bijbelschrijvers bevindt zich daar een mensenwereld, waar het in hun voorstelling soms even 'levendig' toegaat als in de bovengrondse maatschappij: leest u eens Jes. 14, 9 vlgg.!
Van iemand die begraven wordt zegt men: hij daalt in de groeve neer (b.v. Jes. 38, 18), maar ook: hij gaat naar de doden (Pred. 9, 3). En in dezelfde lijn ligt ook de bekende uitdrukking ,'hij werd tot zijn vaderen verzameld' (b.v. 2 Kon. 22, 20) of 'tot zijn voorgeslacht' (Num. 31,2). Ook onder de aarde is er voor hun besef een mensengemeenschap, waarin iemand bij zijn sterven wordt opgenomen.
Voor 'uit het graf opstaan' gebruikt het NT dan ook 'uit de .doden opstaan' (Mc. 9, 9). Voor ons speelt alleen de , grond een rol waarin de dode begraven lag, voor den bijbelschrijver de mensenwereld daar beneden, waarvan hij lid was. Men lette vooral ook nog op het verhaal in Lc. 16, 19-31 ("indien ie, mand van de doden vandaan tot hen komt", v. 30!) en het door Bengel aangehaalde Lc. 24, 5. . . I Overigens: hoe men de uitdrukking in kwestie ook wil opvatten, ik geloof nog altijd, dat er één gewichtige aanwijzing' in de context is die in ieder geval duidelijk maakt, dat het hier gaat om mensen die de dood voor ogen hebben. Ik heb nl. in het bewuste artikel ervoor gepleit het vervolg zó te lezen: "Waarom ook wij?
Wij lopen gevaar elk uur; dagelijks sterf ik".
Ik zet dus het vraagteken op een andere plaats dan men pleegt te doen (na het eerste 'wij', en niet na 'uur'). Waarom?
Omdat we in de woorden ná "waarom ook wij" te maken krijgen met chiastisch parallelisme. D.w.z.: Paulus zegt twee keer zakelijk hetzelfde maar laat de woordorde wisselen. 'Elk uur', dat achteraan staat, correspondeert op 'dagelijks', dat voorop staat. (Overde bij Paulus nogal geliefde, 'kruisstelling' schreef ik in 'Opbouw', jrg. 28, blz. 19, koll. 1-3.) Zinnen die zo nauw bijeenhoren mag men niet uit elkaar halen, en de eerste als vraagzin, de tweede als bewering opvatten.
De, vraag beperkt zich dus tot de woorden "Waarom ook wij?", een onvolledige zin, die gemakkelijk uit wat vlak vooraf gaat is aan te vullen: "waarom (zouden) ook wij (ons laten dopen)?".
Paulus zegt dus: ik kan die vraag 'wat win je met de doop?' (aangenomen dat die alleen voor dit leven betekenis heeft) ook aan mijzelf adresseren. Zelf ben ik nl. ook permanent in doodsgevaar.
'Ook': daaruit valt te concluderen, dat de mensen over wie het in v. 29 gaat eveneens acuut gevaar lopen te sterven. En daarom denk ik hierbij aan mensen die, toen ze tot bekering kwamen; aloud of doodziek waren.
Maar ik stop. Anders zou ik de indruk kunnen wekken te preken voor eigen parochie. En dat is echt niet de bedoeling.: Ik ben het met vdB. eens, dat de exegese nog lang niet alle problemen ook t.a.v. deze brief - heeft opgelost.
Maar evenals hij doe ik mijn best voor, althans enkele daarvan een oplossing te vinden. Als ik hem bestrijd, gebeurt dat ten diepste in goede harmonie.
Nogmaals: vdB. is een uitstekende gids voor wie de bijbel echt wil verstaan.
D. Holwerda
(Overgenomen uit "de Brug", kerkblad van de Tehuisgemeente.)