Boekbespreking
1987-08-07
Harmjan Dam. De NSB en de kerken.- Jaargang 31
- nummer 29
Uitg. Kok Kampen, 186 blz., prijs fl. 34,50
De schrijver, een kerkhistoricus, behandelt in dit boek de opstelling van de nationaal socialistische beweging in Nederland ten opzichte van het christendom en met name de Gereformeerde Kerken 1931-1940.
Daarbij kwamen de volgende vragen aan de orde: Hoe heeft de NSB In de dertiger jaren positie gekozen ten opzichte van de protestantse kerken in de verzuilde Nederlandse samenleving?
Wat heeft leden van protestantse kerken en met name predikanten bewogen lid te worden van de NSB en hoe hebben deze laatsten met hun theologie invloed uitgeoefend op de ideologie van de NSB?
De NSB heeft een tijd lang geprobeerd 'een, christelijke partij te zijn. Was dit 'christelijke gezicht' alleen een masker?
Wat hebben in dit konkrete kader kerk en politiek, theologie en ideologie met elkaar te maken? De schrijver heeft, dat blijkt ook uit de literatuuropgave, zeer veel historisch materiaal bestudeerd. Toch mis ik in deze lijst namen als Puchinger. Ook voor hen, die deze tijd bewust hebben meegemaakt, komen zeer veel interessante gegevens weer te voorschijn.
Voor mij persoonlijk is een bespreking van een dergelijk boek niet eenvoudig, niet maar omdat ik in mijn jonge jaren veel slaags geraakt ben met NSB-ers, maar meer nog omdat ik als Officier fiscaal en wn. Advocaat fiscaal enige jaren de dossiers van NSB-ers heb moeten bestuderen. Daardoor ontbreekt mij misschien wat de nodige objectiviteit.
Je krijgt uit dit boek een duidelijk beeld van de nationaal socialistische beweging in de vooroorlogse jaren. Het is een goede zaak, dat deze zo belangrijke episode te boek gesteld is. Ik kan dit boek dan ook zeer ter lezing aanbevelen.
Jammer is, dat Dam zeer veel historisch materiaal bestudeerd heeft, maar blijkbaar weinig contact heeft gehad met mensen, die deze tijd zelf meemaakten.
Hij kijkt te veel als iemand van na de oorlog op deze tijd terug. Zo valt het op, dat Dam al direkt gaat spreken over de verzuilde samenleving in de dertiger jaren. Zo citeert hij op blz. 13 prof. dr. G. v. d. Leeuw via Ben van Kaam "De parade der mannenbroeders".
Daarin heeft Dam het over de verzuilde samenleving en de zuilen.
Maar dat woord werd in die tijd (1930) door v. d. Leeuw niet gebruikt. Dit is een na-oorlogse term.
Voor de oorlog sprak men van sectarisme.
Zo bijvoorbeeld toen in 1930 na een felle radiostrijd beslist werd, dat NCRV en KRO samen de zender Huizen zouden delen eh de AVRO en de VARA de zender Hilversum. De AVRO was woedend omdat ze op gelijke voet behandeld werd als de "sectarische" groepen. Pas na de oorlog kwam de term verzuiling op. Een nogal ongelukkige term, omdat hier de suggestie in ligt, dat groepen mensen zich in blokken organiseren, die een eigen leven leiden en elkaar niet ontmoeten. Men stelt dus, dat men zich opsluit en isoleert op grond van een levensovertuiging.
Prof, v. Riessen heeft eens opgemerkt, dat deze beschuldiging van isolatie niet juist is. Die isolatie kan hoogstens als, bijverschijnsel optreden, maar dat is een ontaarding. Tussen de "zuilen" is steeds een levendige gedachtenwisseling.
Het feit, dat men zich zoals voor de oorlog christelijk organiseert betekent niet, dat men zich in een zuil opsluit, maar dat men samen met hen, die hetzelfde " christelijk geloof belijden een christelijke weg in het leven bewandelt en zich dus overal mengt in de zaken. Van het etiket verzuild, aldus v. Riessen, blijft dus niet veel over.
Ook zijn spreken over "gereformeerde zuil" is onjuist, evenals het spreken van "Gereformeerde ARP." De ARP was niet een kerkelijke organisatie en was ook niet gereformeerd.
Volgens de schrijver moet de opkomst van de NSB gezocht worden tegen de achtergrond van de politieke ontwikkelingen. Pas vanaf 1922 kon voor het eerst met een parlementaire democratie geëxperimenteerd worden. Voorde wet had het volk wel politieke invloed, maar in feite bleef de invloed beneden de verwachtingen.
Achter de façade van een immobiel parlement bedreef de elite politieke koehandel.
De schrijver doet het voorkomen, dat de parlementaire democratie pas in 1922 begon te functioneren. Dat is niet juist. Deze is van veel oudere datum.
Voor ons besef was de invloed van het parlement niet erg groot. Nu is die invloed steeds wisselend. Het grote overwicht van iemand als Colijn had ook tot gevolg, dat de invloed van het parlement minder was. Hetzelfde zien we trouwens op dit moment onder het premierschap van Lubbers.
De NSB dankte zijn opkomst in hoofdzaak dan ook aan andere oorzaken.
Nederland ging evenals veel andere landen gebukt onder een zware werkeloosheid en een diepe economische depressie. Bij velen, was bittere armoede. In Duitsland ging het HitIer-regiem de werkeloosheid hard te lijf.
Veel Nederlanders hoopten dat een dergelijk bewind voor hen betere perspectieven zou geven. Bovendien verwachtte men een betere gezagshandhaving.
Ik herinner me dat ik als 17-jarige met Mussert over deze punten in discussie ging. Helaas was mijn jeudige enthousiasme te groot met als gevolg dat ik door de lijfwacht van Mussert de zaal uitgegooid werd. Mijn eerste politieke optreden was niet erg succesvol.
Naar verhouding schenkt Dam wat veel aandacht aan de enkele predikanten, die voor de NSB kozen. Of buitenbeentjes als ds v. d. Vaart Smit voor de NSB kozen zegt eigenlijk weinig over de verhouding van de NSB en de kerken.
Dam vermoedt ook te veel idealisme bij de betrokken predikanten. Zo meent hij, dat ds Hofstede uit idealisme naar de NSB overging. Hofstede had echter sterke politieke aspiraties, die niet vervuld werden. Hij bracht het tot zijn grote spijt niet verder dan lid Prov. Staten. Dit is mij van nabij bekend, omdat Hofstede met mijn vader in de redactie van een AR-orgaan voor Overijssel zat. Ter voorkoming van misverstand: mijn vader had geen politieke aspiraties, omdat het predikant zijn voor hem boven alles ging.
Zo is er, naar ik meen, nog al wat kritiek op dit geschrift te leveren.
Dat neemt niet weg, dat dit boek toch een belangrijke bron is voor de verhouding van de NSB en de Gereformeerde Kerken in de jaren 1931-1940.