De zonde van het teruggrijpen (1)
1987-08-14
"Goed is het, in stilheid te wachten op het heil des HEREN". Dit woord van Jeremia uit de Klaagliederen verduidelijkt waar het bij-de zonde van het teruggrijpen om gaat. Namelijk om de vraag of wij God God willen laten zijn, zijn handelen eerbiedigen, kunnen wachten op zijn leiding, zelfs als dat een wachten door zijn gericht heen is. Wachten op God - zo wezenlijk voor het christenzijn - gaat tegen onze zondige natuur in, prikkelt tot actie, tot een zelf de regie willen voeren, hetzij in de vorm van een revolutionair vooruitgrijpen (Opbouw, nov. 1986) hetzij in de vorm van een reactionair teruggrijpen. Voor die laatste zonde en haar vernietigende gevolgen waarschuwt de bijbel onder andere met de geschiedenis van Ismaël en Jochanan, oud-legeroversten van koning Zedekia.- Jaargang 31
- nummer 30
De geschiedenis
Het jaar 586: anderhalve eeuw na het Tienstammenrijk is zojuist het Tweestammenrijk in ballingschap gevoerd.
Jeremia, om zijn oproep tot vernedering onder Gods hand door Zedekia gevangen gezet, is met een schamele rest Judeeërs achtergebleven. Nebukadnezar heeft Gedalja over hen aangesteld, een man die net als zijn vader Achikam voor het woord van Jeremia gebogen heeft. Een man die nu gezegend wordt: vriend en vijand vertrouwen hem, zelfs de gevluchte legeroversten keren terug en laten zich overreden in Juda te blijven en de koning van Babel loyaal te zijn. Op één legeroverste na, Ismaël, die zich door de op gebiedsuitbreiding beluste koning Balis van Ammon heeft laten overhalen Gedalja uit de weg te ruimen.
Door Gedalja aan tafel genodigd, schendt Ismaël het gastrecht, vermoordt Gedalja met zijn hofhouding en zijn chalidese lijfwacht. Een stoet van 80 rouwende bedevaartgangers op doortocht naar de tempelruïnes in Jeruzalem valt een dag later door zijn moordenaarshand: wenend trekt Ismaël de pelgrims tegemoet, lpkt hen onder de nodiging dat Gedalja hen ontvangen wil de stad binnen en slacht hen af. De rest van het volk in arrest houdend trekt Ismaël zich daarop terug naar zijn steunpunt Ammon, maar Jochanan zet de achtervolging in, bevrijdt het volk - en Ismaël ontkomt.
Bevreesd voor represailles van Nebukadnezar wegens de moord op Gedalja en diens babylonische lijfwacht durven Jochanan en het volk het echter niet aan in Juda te blijven. Tegen het bevel van de HERE en zijn profeet in vluchten ook zij, naar Egypte.
Aldus, in het kort, Jeremia 40-42.
De belofte geclaimd alsrecht
Deze hoofdstukken lijken Ismaël te willen tekenen als de terrorist, zijn schurkerij nog onderstrepend door de vermelding van de massamoord op de tempelgangers. Maar Baruch, de schrijver ervan, is niet geïnteresseerd in politieke ontwikkelingen op zichzelf of in het schurkachtige van Ismaël als zodanig. Hem gaat het om de religieuze doorlichting van de dingen.
De rode draad loopt daar waar men buigt voor het oordeelswoord van God of niet. En dan is er met Ismaël meer aan de hand dan het feit dat hij zich door Balis laat inpakken en makkelijk bloed kan zien. Baruch noemt hem in 41: 1 "een man van koninklijke bloede". Ismaël stamt uit het huis van David, is de laatste van de Daviddynastie.
Jojakim en Jojakin zijnweggevoerd, Zedekia weggesleept, diens zonen voor zijn ogen afgemaakt maar zal nu Gedalja, zo'n man die met Jeremia gelooft dat God het huis van David verworpen heeft om zijn zonden, hier namens Babylon de lakens uitdelen? 1s dit het einde van Davids huis? En Gods belofte dan, de troon die voor altijd 'vast zou staan?
Ismaël gaat hier de eer en het volk van David redden. Alles wat hem aan de verrader Gedalja en zijn Jeremiapolitiek herinnert wordt uit de weg geruimd, zelfs pelgrims die op Gedalja's hand zijn en om Davids huis niet geven.
Dan vloeie het verradersbloed terwille van de goede zaak.
Hier blijkt hoezeer een beroep op de bijbel kan ingaan tegen de God van de bijbel. Zeker, de HERE had David beloofd: altijd zal iemand van je nakomelingen op je troon zitten, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Maar was Israël, was een Achaz, een Manasse God tot een zoon geweest? Een beroep op de belofte, nog wel gevoed door een hoogmoedig nationalisme, wordt dan een teruggrijpen naar een verspeelde belofte, een claimen van de belofte als een recht, een God wèl maar jezelf niet aan zijn Woord houden.
Wie zo Gods Woord en Gods leiding doodzwijgt, krijgt te maken met een God die zwijgt. De gevolgen zijn vernietigend. Gedalja komt om, zijn staf en lijfwacht, pelgrims, de wederopbouw wordt in bloed gesmoord, de verhouding met Babel is kapot, de "rest" die een rustig bestaan had kunnen hebben vlucht naar Egypte. Dan lokt de ene zonde van het teruggrijpen de andere uit. Dan negeert ook Jochanan het woord van Jeremia om van Jaweh - Hij die is - bescherming te verwachten en langs de belofte heen grijpt hij terug achter Israëls geschiedenis, naar ... Egypte.
Dan is Israël terug bij af: bij Ur der Chaldieeën waaruit Abram ooit werd weggeroepen, daar is het nu weer; bij Egypte, het slavenverblijf waaruit de HERE hen bevrijd had, daarheen vlucht wat overbleef, weg uit het beloofde land.
God vervult zijn beloften wel, maar door het nulpunt van gericht en bekering heen, als de menselijke mogelijkheden zijn uitgeput. Straks komt de Koning uit het huis van David, uit Egypte. Opdat vervuld zou worden: uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.
Ik.
Het zwijgen van God
Jeremia 40-42 leert, dat er een moment kan aanbreken, ook in een seculariserende Nederlandse kerk en samenleving, waarop de HERE zegt: Kunnen jullie het zonder Mij? Dan zullen jullie het zonder Mij. Waar christenen hovaardig teruggrijpen naar Gods beloften, waar een christelijke samenleving teruggrijpt àchter de belofte (IK ben uw God) om zèlf welzijn en welvaart veilig te stellen, waar gepraat word óver God maar niet' gerekend wordt mèt God, daar kan de HERE het zwijgen er toe doen. Leven wij in zo'n tijd van Godsverduistering? Dan is het vandaag niet de tijd voor de grote dingen (45:5) maar voor het oog van de naald (Mt. 19:24). "Goed is het in stilheid te wachten op het heil des HEREN ... misschien is er hoop ... want niet voor eeuwig verstoot de Here ... " Klaagl. 3:25 vv.