Nederlands Gereformeerden - Vrijgemaakt Gereformeerden
1988-09-23
Hoe moet je kerken aanduiden, die beide gereformeerd zijn en beide uit de Vrijmaking voortgekomen zijn?- Jaargang 32
- nummer 35
Om verwarring te voorkomen hebben onze kerken tenminste een naam aangenomen, die hen onderscheidt van andere kerken: "Nederlands Gereformeerde kerken". Indertijd was voorgesteld de naam "Nederlandse Gereformeerde kerken".
De Landelijke Vergadering heeft, waarschijnlijk wegens gebrek aan historische kennis, deze oude naam voor de gereformeerde kerken verknoeid door Nederlandse te veranderen in Nederlands.
Mijn moeite zat in het benoemen van die andere kerken die zich gereformeerde kerken noemen en daarmee dezelfde naam dragen als een andere kerkengroep waarmee ze overigens bepaald niet mee vereenzelvigd willen worden.
Zit hier ook niet een stukje krampachtigheid in?
In dit artikel noem ik ze, óm verwarring te voorkomen, Vrijgemaakte Gereformeerde kerken.
Een wolkje als eens mans hand?
Het lijkt alsof er in de laatste tijd weer enige beweging gekomen is in de verhouding tussen de Ned. Geref. en de Vrijgem. Geref. kerken. Jarenlang was die verhouding zo, dat het leek alsof wij voor de Vrijgem. Gereformeerden niet bestonden. We spraken helemaal niet met elkaar. De anderen erkenden ons ook niet als kerk. Van samenspreking kon dan ook geen sprake zijn.
Helaas is bij veel kerken de verhouding nog zo. Hier en daar mogen we nu toch wat verandering constateren. Op meerdere plaatsen zijn contacten en soms werden zelfs samensprekingen gehouden, die een bemoedigend verloop hadden.
Ik denk met name aan de samensprekingen tussen de Vrijgem. Geref. kerk van Amersfoort West en de Ned. Geref. kerk van Amersfoort.
In sommige bladen is de toon tegenover onze kerken ook wat milder geworden dan tot nu toe gebruikelijk was. Zo schreef drs H. Hoksbergën in het Ned: Dagblad een artikel "De Open Brief 20 jaar", waarin een heel andere toon doorklonk. Hij tracht in dat artikel duidelijk te maken wat de bedoeling van de opstellers van de Open Brief van 1966 geweest is. Ik kan me niet herinneren dat dit eerder geprobeerd is. Tot nu toe hoorden we niet anders dan interpretaties van de Open Brief, waarin niemand van de ondertekenaars zich herkende.
D. K. H. de Groot constateerde dan ook in het informatieboekje 1988, dat er een wolkje als eens mans hand verscheen aan de lucht, die nog trilde van vrieskou. Ds De Groot had hier o.m. op het oog het voorstel van ds C. G. Bos om een deputaatschap voor de eenheid van Gereformeerde belijders in te stellen.
De kou is nog niet geweken
Het voorstel van ds Bos had helaas geen kans van slagen, omdat het niet via de kerkelijke weg ter synode kwam. Gelukkig kwam de particuliere synode van Friesland met een soortgelijk voorstel, dat wel behandeld kon worden. Het voorstel werd verworpen omdat men de Ned. Geref. kerken niet tot de Gereformeerde belijders kon rekenen. Men was hier in de lijn van de kerk van Hattem, die bij een samenspreking de broedernaam niet wilde gebruiken. Men kwam niet verder dan de aanspraak "geacht college". Op vele plaatsen is het nog ijzig koud - het valt niet te verwonderen, dat ds L. H. Kwast in de Friese Kerkbode schreef over de krampachtigheid bij de vrijgemaakten. Is er in vrijgeinaakte kring, zo vraagt hij, een zekere angst om met christenen van andere kerken in gesprek te komen?
.Waarom telkens de neiging om de eigen stellingen te betrekken en zich afte zetten tegen een christelijke visie die zich niet geheel met eigen standpunt dekt?
Waarom die triomfantelijkheid, waarmee vrijgemaakte woordvoeders andere kerken en christenen bejegenen?
Het vorig jaar maakte ik bij een forumdiscussie over de eenheidvan de Gereformeerde Gezindte de opmerking, dat de Ned. Gereformeerden over het algemeen wel bereid zullen zijn weer samen te gaan met de Vrijgem. Gereformeerden.
Opvallend was, dat veel Vrijgem. Gereformeerden zich over deze opmerking verwonderden. Maar het is toch zo, dat wij de plicht hebben met alle kracht te streven naar de eenheid van alle gereformeerde belijders. En zelfs dat mag het eindpunt niet zijn. De Heer der Kerk wil toch de eenheid van alle ware christgelovigen. Men kan wat betreft de verwerkelijking pessimistisch zijn, maar dat neemt het klemmende van die eis niet weg.
Typerend voor dit gezelschap was ook, dat men mij o.m. de vraag stelde, of ik dan ook lid van het G.P.V. wilde worden.
Blijkbaar had men niet begrepen, dat men de Ned. Gereformeerden, wanneer men samengaat, aanvaarden moet zoals ze zijn, Evenals wij de Vrijgem. Gereformeerden moeten aanvaarden zoals ze zijn. Ongetwijfeld zal dat na al wat gebeurd is, niet zo gemakkelijk zijn.
Het antwoord van dr W. G. de Vries gaf niet veel hoop. Hij merkte wel op, dat veel Ned. Gereformeerden dachten zoals zij, maar er waren volgens hem bij ons ook veel vreemde leringen. Zo waren er mensen, die de dwaling van de zieleslaap aanhingen. Gelukkig waren er ook bij ons mensen, die deze dwaling verwierpen. Zijn beschouwing leek erop te wijzen, dat zijn kerken open stonden voor een deel van de Ned. Gereformeerden.
Een weinig gelukkige opmerking. Wanneer men probeert een deel der leden uit een andere kerk weg te lokken is dat weinig bevordelijk voor een hereniging. Sommige samensprekingen geven wel eens de indruk, dat men eraan denkt een aantal tot ontrouw aan eigen kerk te bewegen. Bij eventuele samensprekingen moet men wel oppassen niet in deze strik verward te raken.
De discussie in de Reformatie
Het vorig jaar verscheen een bijzonder nummer van de Reformatie, dat als titel had "De Nederlands Gereformeerden en wij". Het is een bemoedigend teken, dat er van die kant zoveel aandacht aan ons besteed werd. Bemoedigend was ook de inleiding van ds J. C. de Ruyter waarin deze constateert, dat er hier en daar toenadering gezocht wordt, maar dat men elders daar (nog) niet aan toe is. Zelfs werd de Open Brief van 1966 in zijn geheel opgenomen.
Het eerste artikel was van br. J. Kooiman, een van de ondertekenaars van de Open Brief, die in het artikel "Gereformeerde kerkscheuring" duidelijk aangaf, wat bij de breuk de geschilpunten waren. Ik noem even de voornaamste punten: de kerkbeschouwing, dat er maar één ware kerk mag en kan zijn, de beschouwing over de vrijmaking (de een ziet de vrijmaking als een groot werk van reformatie door God aan zijn volk geschonken. Voor anderen was de vrijmaking een daad van eenvoudige geloofsgehoorzaamheid).
De vraag of samenspreking met de (syn.) Geref. kerken geoorloofd is. De Open Brief, waarin sommigen (ten onrechte) een relativering van de belijdenis lezen. Het wegroepen van kerkleden van achter "ontrouwe" kerkeraden, waarmee in feite art. 31 uitgeschakeld werd.
De reactie van o.m. prof. Kamphuis gaf niet veel hoop. Er werden in '67 geen breuken geslagen, aldus Kamphuis, door wie gereformeerd wilden blijven; de breuken werden ontmaskerd. Daarop volgt dan het bekende rij~e zoals aantasting van Zondag 22 van de catechismus, verwerping van het gereformeerd kerkverband en de Open Brief.
Jammer, dat hierbij niet inhoudelijk op het artikel van Kooiman ingegaan werd.
Ds C. G. Bos toont in zijn beschouwing wat begrip voor ons. Hij geeft toe, dat de Vrijgemaakten van hun kant in 1967 ook fouten gemaakt hebben. De Open Brief vindt hij wel een miserabel, maar geen censurabel stuk. Ook de groepsvorming in de kerk (was je niet bij een bepaalde organisatie dan was je niet goed vrijgemaakt) en. de toon was niet altijd juist. Toch blijft ds Bos diep overtuigd van de zaaksgerechtigheid.
(Waarom hiervoor niet een bestaand Nederlands woord gebruikt?) De volgende schrijver ds J. J. Arnold is weer veel radicaler. Bij ons is de belijdenis niet veilig. Hij noemt verder tal van predikanten, die afwijken. Telder, Vonk v. Deursen, Algra, v. d. Berg, Rietkerk en De Jong. Bij ons is leervrijheid en independentisme.
Prof. Trimp geeft weer wat een genuanceerder oordeel. Men kan, zo schrijft hij, het gaan op de wegen van de doorgaande reformatie aanwijzen als het kenmerk van echt lidmaatschap en goed vrijgemaakt zijn maken. Hij geeft toe dat in de jaren 1944 en 1967 heel wat fouten zijn gemaakt.
Voor.de Vrijgemaakten blijft echter gelden de uitspraak van de synode van Amersfoort over de onverenigbaarheid van instemming met de drie formulieren van enigheid en het ondertekenen van de Open Brief.
Ook ds W. G. de Vries stelt zich kritisch op al spreekt hij wel over de mogelijkheid van hereniging.
Maar dan moeten we elkaar eerst wel als Gereformeerden herkend en erkend hebben en zover zijn de meeste vrij': gemaakte scribenten in dit Reformatienummer nog niet.
De discussie in het Ned. Dagblad
In het begin van dit jaar nam het Ned. Dagblad het initiatief voor een aantal gesprekken tussen. Vrijgem. en Ned. Gereformeerden. Daarbij werden drie thema's aan de orde gesteld, het omgaan met Schrift en belijdenis, de betekenis van de kerkorde en kijk op het verleden.
Het meest interessant was hierbij het gesprek van prof. Kamphuis en drs De Jong over het gezag van de Schrift en de status van de belijdenis. Er was tussen hen een duidelijk verschil van mening.
Een dergelijk gesprek moest eigenlijk vervolgd worden.
Bij het gesprek tussen ds Groenenberg en br. C. Huizinga werd van Vrijgemaakte zijde aangedrongen op een terugkeer tot de kerkenorde. Nu vind ik persoonlijk de Dordtsche Kerkenorde sterk verouderd, er wordt te weinig rekening gehouden met de plaatselijke kerk en men tracht te veel zaken te regelen.
Men let ook te weinig op het feit, dat onder het regiem van de kerkorde telkens weer een stuk hiërarchie werd ingevoegd.
Daarbij werd de kerkorde meermalen geweld aangedaan.
Merkwaardig is, dat men wel stelt, dat de synode er in 1944 een rommel van maakte, maar ontkent dat dit in 1967 het geval was. Indertijd heb ik eens nagegaan welke artikelen in 1967 zoal overtreden werden. Het waren de artikelen 30,31,33,79 en 80 van de kerkorde.
Het meest zorgwekkend was wel, dat de synode van Amersfoort overtredingen uitdrukkelijk goedkeurde met een beroep op noodsituatie. Daarmee werd heel de kerkorde ondermijnt.
Wel moet gezegd, dat bij sommigen in deze discussie o.m. bij prof. Trimp wel een verlangen naar herstel van de kerkelijke eenheid sprak.
Conclusies
Uit de verschillende discussies zijn gelukkig enige tekenen van toenadering te constateren, maar je krijgt bepaald niet de indruk, dat men over de hele linie hereniging wenst. Men erkent en herkent ons nog steeds niet als Gereformeerden.
Ds De Groot concludeerde terecht, datje niet spreekt over brs. en zrs., zoals in de Reformatie gebeurde als de echte liefde van Christus beheersend was. Wat heeft men bij ons een dwalingen ontdekt. Ds v. d. Kwast heeft in Opbouw vrijwel al die besehuldigingen al eens weerlegd. Het helpt echter niets. Men herhaalde de verwijten en gaat niet op het verweer in.
In De Wekker schreef D. Koole terecht, dat aanleiding tot de scheuring was de binnen de vrijgemaakte kring geldende opvatting, dat de ware kerk van Christus zich uitsluitend in de Vrijgem. Geref. kerk manifesteert. In de afgelopen jaren, aldus Koole, is er wel een geest van mildheid en neiging tot relativering van eigen kerkelijk standpunt gegroeid, maar dat betekent niet dat men de princiepiële opvatting rond de ware kerk van Christus heeft losgelaten.
Die opvattingen worden echter niet (meer) beheerst door een geest van gearriveerdheid en zelfgenoegzaamheid, die sommiger opstelling kenmerkte.
Hiermee is m.i. wel een hoofdbezwaar tegen de vrijgemaakte opvattingen gegeven.
Juist dit punt is in de artikelen en gesprekken onvoldoende uitgediept.
Deze ene ware kerkidee heeft jarenlang de houding tegenover andere kerken bepaald.
Van samenspreking wilde men niets weten en ook samenwerking met geestverwanten, die niet vrijgemaakt waren, werd uitgesloten. Voor vrijwel elke vorm van samenwerking werd geëist, dat de confessie grondslag zou zijn. In de praktijk betekende dit dat alleen samenwerking met kerkgenoten geoorloofd was.
Kerkeleden, die deze gedachte afwezen hebben het jarenlang zwaar te verduren gehad. Uit de discussie blijkt niet, dat men begrepen heeft wat men die andere kerkleden vaak 20 jaar lang heeft aangedaan. Het is echt niet nodig, dat weer allemaal na te pluizen, maar het zou wel bemoedigend zijn geweest, wanneer meer begrip voor onze situatie was getoond. We moeten ook wel zekerheid hebben dat dit niet weer kan gebeuren. Het is ook goed om zonder wrokgevoelens na te gaan in hoever tussen ons nog confessionele verschillen bestaan.
In dat verband kan ook over de Open Brief niet gezwegen worden. Het is wel geen kerkelijk stuk. Het is zelfs niet alleen door ambtsdragers ondertekend, zoals wel beweerd wordt. Zelf was ik ondertekenaar, maar het was ondenkbaar, dat ik in 1966, met mijn gedachten over samenwerking met andere christenen, een ambt in de kerk zou kunnen bekleden.
Daar ligt echter wel een uitspraak van de synode van Amersfoort, dat de Open Brief strijdig is met de confessie.
Er moet nog veel gebeuren eer we kerkelijk één kunnen' zijn. Het lijkt zelfs een onmogelijke opgave, maar het mag aan ons niet liggen, dat de breuk tussen brs. en zrs., die bij elkaar behoren bestendigd blijft.
Laten we niet vergeten, dat er dan toch een wolkje als eens mans hand is. Daar zijn kerkelijke contacten op sommige plaatsen.
Op het gebied van de samenwerking is duidelijk een kentering zichtbaar. Ik denk b.v., aan het feit dat vele Vrijgem. Geref. brs. en zrs. van harte samenwerken met andere christenen in de E.O.
En dan doe je de verrassende ontdekking, dat we erg dichtbij elkaar liggen.
We moeten ook ons best doen elkaar weer te leren kennen. Onbekend, maakt ook hier onbemind. ' Daar is nog veel te doen. Ook trouwens tegenover andere brs. en zrs. Een zelfde roeping geldt t.a.v. onze Chr. Geref. brs. en zrs.
En zou het goed zijn ook meer contacten te zoeken met de confessionelen in de Herv. Kerken met het geref. confessioneel beraad.
Ik zou willen eindigen met wat Hoksbergen schreef in het Ned. Dagblad: "Pogingen elkaar te vinden kunnen alleen slagen als de Here ze zegent.
Daar moet Hem om gevraagd worden, in de kerken en door de kerkleden. In het gebed om die eenheid is Jezus Christus ons zelf voorgegaan. Aardse handen kunnen alleen herstellen wat gebroken is, wanneer de grote Bouwheer ze zegent. Anders is het zwoegen tevergeefs.