Kind en geloof

1988-09-30
  • Jaargang 32
  • nummer 36
In deze serie komen achtereenvolgens aan de orde:

1. Ontwikkelingsfase en geloof
2. Kinderangst en geloof
3. Magische wereld en realiteit
4. Kinderbijbels
5. Kind en kerkdienst

In de maand oktober wordt op de tweede bladzijde van 'Opbouw' aandacht besteed aan de geloofsontwikkeling bij kinderen. Het aksent ligt in deze serie niet op konkrete (didaktische) aanwijzingen, maar er worden enkele onderwerpen besproken die een rol spelen bij de overdracht van het geloof. In alle 5 afleveringen wordt vooral over jonge kinderen geschreven.
Deze eerste aflevering is het meest theoretisch van karakter: er wordt aandacht besteed aan het verband dat bestaat tussen (psychologische) ontwikkelingsfasen bij kinderen en de wijze waarop het kinderlijk geloof in de loop der jaren verandert.

Ontwikkelingspsychologisch onderzoek
Verscheidene auteurs hebben geprobeerd de ontwikkeling van de wijze waarop kinderen het geloof 'beleven' te vertalen in wetenschappelijke (aantoonbare, vergelijkbare) ontwikkelingsfasen.
Men baseerde zich doorgaans op de ontwikkelingspsychologie.
De ontwikkelingspsychologie bestudeert.
de wijze waarop kinderen zich in de loop der jaren ontwikkelen. Men maakt daarbij onderscheid tussen verschillende ontwikkelingsfasen (denk b.v. aan de baby-, peuter- en kleuterleeftijd). Een vraag die in deze aflevering aan de orde wordt gesteld is of er een verband bestaat tussen de ontwikkeling van het kind op (b.v.) verstandelijk en emotioneel gebied en de wijze waarop het het geloof beleeft.
Veel auteurs zijn van mening dat dat verband inderdaad aanwezig is. In dit artikel worden twee auteurs geciteerd die de geloofsontwikkeling in fasen hebben beschreven.

Beperkingen
Of het 'verantwoord' is om de geloofsontwikkeling te 'ontleden' aan de hand van een aantal ontwikkelingsfasen hangt af van de wijze waarop onderzoekers zelf met geloofsvragen omgaan.
Sommige auteurs hebben het geloof gereduceerd tot 'kennis ': hoe meer kennis, hoe hoger de geloofsontwikkeling. Anderen dachten da; God 'psychologisch herleidbaar' was: een gevolg van de behoefte, een gevolg van de angst voor vrijheid.
Naar mijn mening is verantwoord onderzoek gebonden aan minsten twee voorwaarden: eerbied voor de inhoud van de bijbelse boodschap en het besef dat het geloof nooit volledig in meetbare, objektieve kriteria kan worden vastgelegd en verklaard. Wie als onderzoeker met die voorwaarden rekening houdt kan een zinvolle bijdrage leveren bij het zoeken naar vormen waarop het geloof aan anderen kan worden overgebracht.

Rümke
Prof. Dr. H. C. Rümke (die gedurende een lange reeks van jaren hoogleraar psychiatrie was aan de Universiteit van Utrecht) heeft een (vele malen herdrukt) boekje geschreven, waarin hij zich verzet tegen de (op Freud's theorie gebaseerde) stelling dat het geloof een ontwikkelingsstoornis zou zijn (1). "De gedachte dat God de projektie van het verlangen naar geborgenheid is, is een zeer belangrijke intellektuele rem tegen het geloof in God". Rümke gaat zelfs zo ver dat hij de hypothese poneert dat óngeloof een ontwikkelingsstoornis is. Anderzijds erkent hij wel de oorzaak van het denken van Freud: volwassenen kunnen in een niet bij hen passend kinderlijk geloof (in de negatieve betekenis) 'blijven steken'.
Daarna gaat Rümke in op de ontwikkeling van het geloofsleven bij kinderen.
In het kader van deze serie zijn vooral de 3e fase (van 3 tot 7 jaar) en de 4e fase (van 7 tot l Zjaarjvan belang.
Daarnaast kan de puberteit als 5e fase worden genoemd .
In de fase die loopt van 3 tot 7jaar (de namen van de fasen laten we achterwege) zijn veel dingen met macht beladen, alles kan, maar dit kan ook veel angst oproepen. Het wonder is vanzelfsprekend, het sprookje bestaat echt. In de vierde fase. gaat het kind alles proberen te verklaren, uit te leg-: gen. Sinterklaas en sprookjes kunnen dan als bedrog worden opgevat. Tijdens de puberteit ontstaat - net als bij jonge kinderen - weer behoefte aan niet-wetenschappelijke verklaringen.
Volgens Rümke ontstaan dan de eerste persoonlijke religieuze ervaringen.
Vervolgens noemt de auteur 7 'treden van religieus beleven' die de ontwikkeling van het geloofsleven schetsen.
Op de hoogste trede wordt een houding van overgave aan God bereikt, waarbij Gods geboden richting geven aan het leven. In hoeverre de mens in staat is om te komen tot een volledige overgave hangt. van allerlei faktoren af, die Rümke - vanuit zijn eigen vakgebied - probeert te analyseren. We laten deze faktoren hier echter rusten.

Fowler
James W. Fowler zette in de jaren zeventig een groot onderzoek op naar de geloofsbeleving. Hij ondervroeg kleuters en bejaarden en alle leeftijdsgroepen daartussen (2). Evenals Rümke ontdekte ook Fowler dat er gesproken kan worden van een aantal fasen in de geloofsontwikkeling (uiteraard gaat het - hoewel wel leeftijden genoemd worden - niet om strakke leeftijdsgrenzen). Daarbij noemt hij vooral' de plaats van het gezag': op wiens gezag wordt een bepaald standpunt ingenomen? De plaats van het gezag verandert van buiten zichzelf naar in zichzelf. "Wil een geloof dat onder druk komt te staan stand kunnen houden, dan zal het een overtuiging moeten zijn, die door het eigen omgaan met de waarheid van de Here God, de bijbel en de kerk tot stand is gekomen".
In de baby-fase leert het kind vertrouwen op te bouwen in zijn omgeving; dan krijgt 'het kind zijn eerste 'voorbeelden', van God. Daarna een fase waarin het kind de betekenis van de taal leert te ervaren. Ook speelt de fantasie dan een grote rol, maar daarmee worden ook grote angsten opgeroepen.
God is 'als lucht en overal'.
Fowler waarschuwt dan ook tegen het te fantasierijk vertellen van bijbelverhalen.
Inde volgende fase (van 7 tot 12jaar) zijn kinderen dol op verhalen, die ze graag letterlijk opvatten. Als het niet echt is gebeurd, is het eigenlijk ook niet interessant. Dankzij het zich ontwikkelende logisch denken worden oorzaak en gevolg, ruimte en tijd bij de overwegingen betrokken. God is niet meer 'overal', maar God is een aanspreekbaar persoon.
Tijdens de puberteit komt er veel op jongeren af. Alles wordt intens beleefd.
Vanwege de eigen onzekerheid zoekt men steun bij anderen; praat met anderen. Geloofsnormen zijn dan wel belangrijk, aldus Fowler, maar er kan niet gesproken worden van een samenhangend waardensysteem.
Jongeren verlangen naar een God die weet van hun vragen en die hen aksepteert in hun diepste wezen.
Opmerkelijk is dat Fowler de entwikkelingslijn doortrekt. Hij noemt de nog 3 fasen, zoals de fase van 20 tot 40 jaar, waarin men tot een eigen keuze moet komen, los van de druk van anderen zoals leeftijdsgenoten, dorp of ouders (b.v.: is het waar omdat de dominee het zegt, ouders het zeggen, het altijd 'zo' gezegd is, óf staat iemand voor zijn eigen keus?). Hij merkt op dat veel mensen deze laatste fasen - wat hun geloofsleven betreftniet bereiken. Maar daarmee zijn we dan al ver verwijderd van de kinderleeftijd, die in deze serie vooral aan de orde zou worden gesteld.

Konklusies
De geschetste ontwikkeling infasen is wat 'droge' - en soms ook moeilijke - kost.
De selektie van twee auteurs is bovendien beperkt. Toch is het mogelijk om aan de hand van deze gegevens enkele voorzichtige konklusies te trekken.
Opvallend is de identieke leeftijdsindeling bij Rümke en F owler. Beiden noemen als leeftijdsgrenzen 3, 7 en 12 jaar. Kennelijk maakt het kind daar een grote sprong in zijn ontwikkeling.
Beiden noemen ook de overgang op de leeftijd van 7 jaar van het denken in fantasie-beelden van de kleuter naar het konkrete en logische denken van het opgroeiende kind. Zowel Rümke als Fowler noemen de kinderangsten als faktor om rekening mee te houden bij het vertellen uit de bijbel. Beide auteurs kenmerken de puberteit als een fase waarin men op zoek is naar eigen nieuwe keuzen.
Ook komen Rümke en F owler beiden -vanuit verschillende vakgebiedentot de konklusie dat mensen in hun geloofs-ontwikkeling kunnen blijven 'steken'.
Volgende week proberen wede nu besproken theorie over de ontwikkelingsfasen iets konkreter te maken.
We richten dan de aandacht vooral op peuters en kleuters.

Geciteerde literatuur
(1) Prof. Dr. H. C. Rümke: Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (Kok, Kampen, 1986).
(2) De theorie van James W. Fowler werd ontleend aan het eerste hoofdstuk van 'Bijtijds leren geloven' door drs L. van Driel en drs I.A. Kole (Kok, Kampen, 1987). Dit boek werd besproken in 'Opbouw' van 6 mei 1988.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief