De zonde van het teruggrijpen (3-slot)
1987-08-28
In zijn brief aan de Galaten maakt Paulus van zijn konfrontatie met Petrus -melding in hei kader van zijn verdediging van zijn onafhankelijkheid als apostel van zijn mede-apostelen. Zelfs Petrus, de eerste onder de twaalven, heeft hij, toen het moest, publiekelijk durven weerstaan. Toen deze namelijk in Antiochië de koosjere tafel van zijn joods-christelijke broeders verkoos boven die van zijn heiden-christelijke broeders en zusters, toen heb ik mij openlijk tegen hem verzet, schrijft Paulus. Hij typeert Petrus' handelwijze als ,judaïseren ", joudaïzein", zich als jood gedragen. Dit judaïseren blijkt een aantasten van het hart van het heil te zijn. Het judaïsme verschijnt hier als de zonde van het teruggrijpen in haar meest radikale vorm, als een teruggrijpen achter de genade, achter het kruis van Christus. Want als er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven (vs 21).- Jaargang 31
- nummer 32
De macht der gewoonte
"Men noodt een heiden niet aan tafel, want wie het doet, brengt de straf der ballingschap over zijn kinderen".
Deze uitspraak van het Sanhedrin is typerend voor het jodendom van Petrus' dagen. Volgens het principe van de misoxenia, het buiten de deur houden van het vreemde, was het samen eten met een heiden uitgesloten. Heidens voedsel was onrein, omdat het aan de afgoden geofferd was geweest, omdat het van onreine dieren afkomstig was of omdat het op niet-rituele wijze was klaargemaakt. Eeuwen en eeuwen was dat voor Israël de regel geweest.
Zodat Petrus, toen hij zijn visioen kreeg van het met onreine dieren gevulde laken en toen een stem klonk: Sta op Petrus, slacht en eet, dan ook uitriep: Nee nee Heer, want ik heb nog nooit iets gegeten dat onheilig of onrein was! Die opvoeding zat hem tot in het merg van zijn botten. Is het daarom niet begrijpelijk dat hij, ook na zijn les over het neerhalen van de scheidsmuur tussen Israël en de volken, zijn joods-christelijke broeders ter wille was toen zij vanuit Jeruzalem in Antiochië (op inspectie?) kwamen, dat hij - hun moeite herkennend - met hèn aan één tafel at? Op het apostelconvent te Jeruzalem was immers wèl een regeling getroffen met betrekking tot de christenen uit de heidenen, maar niet met betrekking tot de christenen uit de joden (Hd. 15).
Des te meer valt de felheid van Paulus' verzet op. Ik heb mij publiek tegen hem moeten verzetten, schrijft hij, omdat hij schuldig was; angst was zijn drijfveer, hij speelde toneel, en week daarbij af van de rechte wegnaar het evangelie. En tegen de Galaten, die hij Petrus' spoor zietdrukken, vaart hij uit:o stompzinnige Galaten, wie heeft jullie behekst (3: 1)? Deze toorn van Paulus is voor moralisten onbegrijpelijk. Hun verontwaardiging wordt vooral gewekt door morele gebreken zoals die bijvoorbeeld in Korinthe voorkwamen, zonden die Paulus daar eenvoudigweg bestraft. Maar om het optreden van Petrus wordt Paulus furieuzer dan ooit. De grenzen van de tolerantie liggen blijkbaar anders dan men wel meent.
De vierde verloochening van Petrus
Men beseffe dat het eten van Petrus met de Antiocheense broeders en zusters geen gezelligheids-etentje betrof.
Petrus had met hen het liefdemaal en het avondmaal gevierd, dat wil zeggen, de gemeenschap der heiligen beleden en beleefd, gevierd dat jood, èn griek door het bloed van Christus gered worden, door het geloof alleen. Toen Paulus de joden een jood was - Timotheüs besneed, in Kenchreae zijn haar liet afknippen en voor anderen de kosten daarvan droeg - handelde hij uit liefde, om mensen te winnen, zonder te kwetsen of de waarheid van het evangelie in diskrediet te brengen. Maar toen Petrus zijn plaats aan de Antiocheense avondmaalstafel onbezet liet en elders aan een koosjere tafel zat, toen handelde hij niet uit liefde voor zijn joodse broeders maar uit vrees voor prestigeverlies tegenover Jakobus de Rechtvaardige, de apostel die vanuit Jeruzalem Petrus "dreigde" te overvleugelen.
Toen verbrak hij de avondmaalsgemeenschap, de eenheid tussen broeders. Toen acteerde hij, omdat er naar hem gekeken werd. Toen wilde hij op de waarheid van het evangelie af niet via de rechte weg van het geloof-alleen, maar via de kromme omweg van de werken der wet; toen hinkte hij letterlijk op twee gedachten, zoals Israël, in Elia's dagen aan beide zijden mank ging. Toen Petrus zo de klok van Gods heilsgeschiedenis weer terugzette, teruggreep achter het kruis en de genade Gods van haar kracht beroofde (vs 21), móest Paulus, wel ingrijpen.
Want het offer van Christus en de maaltijd van dat offer, daar staat of valt de kerk mee, nog altijd.
De rechte weg van het geloof
De wankelmoedigheid van de man die op het water liep maar zonk, die met Jezus sterven wilde maar Hem verloochende, die in Antiochië broeders vond maar prijsgaf, is geen karaktertrek die alleen hem eigen was. Dat is de zwakheid van de mens, diens moeite om te geloven-alleen, om God groot te laten zijn en zichzelf klein. Dat is de vraag die ons de afgelopen weken op deze pagina van Opbouw bezighield: of wij het kunnen uithouden met onze God, met Hem alleen, zonder zelf naar de regie van ons leven te grijpen. Vanuit de geschiedenis van Petrus, in Antiochië voegen dezen vragen zich daar nog bij: de vraag waaraan ik de zekerheid van mijn bestaan ontleen, waar de macht der gewoonte en de macht van het judaïsme de vrijheid in Christus bedreigen, waar in het moralistische klimaat van onze tijd de grenzen van de tolerantie liggen. De beslissende grens wordt daar bereikt waar men de weg van zelfrechtvaardiging opgaat, "wetende dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus" (vs 16). Van die rechtvaardiging door het geloof-alleen is de eenheid rond dé avondmaalstafel de meest geëigende uitdrukkingsvorm.