Gelijk, maar ook ongelijk

1987-08-28
  • Jaargang 31
  • nummer 32
De verschijning van “Hulpeloos maar schuldig" heeft in de gereformeerde wereld veel stof doen opwaaien. Men kan zich echter afvragen of dat stof met meer te maken heeft met de inhoud van interviews met de schrijfster en haar moeder en met de IKON-uitzending "Hete hoofden, koude harten op Goede Vrijdag dan met het boekje als zondanig. De felle reakties van vrijgemaakt-gereformeerde zijde waren weliswaar begrijpelijk, maar deden aan de andere kant het boek van Aleid Schilder niet altijd recht. Hoewel het misschien niet zo gemakkelijk is, is het toch van belang om perspublikaties en de inhoud van "Hulpeloos, maar schuldig"
van elkaar te scheiden. Het boek is anders getint dan men op grond van veel publiciteit zou vermoeden.

Theologie
Wie de kritiek van Aleid Schilder op de leer van de kerk niet deelt, zal haar tekening van de leer binnen de Gereformeerde kerken af en toe als een karikatuur kunnen ervaren.
Ik wil overigens op de opmerkingen die met name in de kerkelijke pers geplaatst werden over de 'leerstellige' inhoud van dit boek niet nader ingaan; dat aspekt is al voldoende belicht.
Twee punten vielen me bij het lezen van “Hulpeloos maar schuldig" vooral op: het schematische weergeven van datgene wat als 'gereformeerde leer' wordt genoemd, en het accent dat de uitverkiezing krijgt. Tussen deze twee elementen kan een verband bestaan: wanneer het logisch redeneren als het ware wordt losgelaten op de uitverkiezing ontstaan er problemen.

Bewijzen?
In de diskussie over "Hulpeloos maar schuldig" kunnen we het onszelf gemakkelijk maken door naar inhoudelijke kritiek op de eerste 4 hoofdstukken te zoeken (over de leer van de kerk) en daarmee de diskussie, verder als afgedaan te beschouwen. Toch lijkt mij dat niet de juiste weg. Kennelijk zijn er mensen - en Aleid Schilder is zeker niet de enige - die het gereformeerde geloofsleven zo (hebben) ervaren als in deze publikatie wordt beschreven. Zij zullen zich in sterke mate herkennen in de tekening die gegeven wordt van de gereformeerde kerkleer. En alleen dàt gegeven al - dat het geloof niet als bevrijding wordt ervaren - moet ons voorzichtig maken in onze reaktie. Met het doorgeven van feiten zijn we er immers niet; met die feiten denken we ons gelijk te kunnen bewijzen, maar tegelijkertijd vergeten we dat anderen dat gelijk toch heel anders hebben ervaren. Sterker nog: mensen die in psychische problemen verkeren kunnen vaak juist moeilijk op een voor anderen logische wijze denken. Wanneer we dan aan hungevoel voorbij gaan, slaan we de diskussie direkt dood. Ik was dan ook blij met de 'genuanceerde' bespreking door ds W. G. Rietkerk in Opbouw (1 en 8 mei I987).

Persoonlijke ervaring en objektiviteit
Toch plaats ik - naast de erkenning van het feit dat er mensen zijn die de gevoelens die Aleid Schilder beschrijft delen - een opmerking in andere richting. In verschillende interviews heeft de schrijfster er geen doekjes om gewonden dat haar boek mede is voortgekomen uit eigen ervaringen. Boeken die persoonlijke ervaringen beschrijven, kunnen veel belangrijke informatie leveren. Wanneer men die ervaringen boven dat persoonlijke niveau uit wil tillen - er een (wetenschappelijke) theorie op wil bouwen - wordt dat echter een hachelijke onderneming, waarbij gemakkelijk blinde vlekken ontstaan. Lezend in haar boek kreeg ik de indruk dat de schrijfster er niet altijd voldoende in is geslaagd afstand te nemen tot het door haar beschreven onderwerp.
Daardoor werd naar mijn mening te rechtstreeks doorgewandeld van. de theorieën van Beek en Seligman (zie het artikel van Ds W. G. Rietkerk) naar de .gereformeerde kerkleer, en omgekeerd.
Het boek is teveel 'in één bepaalde richting' geschreven zonder oog te hebben voor andere verklaringen; ze worden althans nauwelijks genoemd. Daarmee is er in deze publikatie een zekere eenzijdigheid geslopen. 'Hulpeloos maar schuldig heeft zeker een (eigen) waarde, maar de vraag naar de wetenschappelijke representativiteit (hoe algemeen geldig is het verhaal?) kan niet in positieve zin worden beantwoord.
Het boekje kan beter als casuïstiek (gevalsbeschrijving) en literatuuronderzoek worden bekeken. De schrijfster is in dat opzicht trouwens zelf ook wel voorzichtiger dan de reakties in de pers zouden doen vermoeden; die wekken gemakkelijk de indruk dat het voor gereformeerden toch wel erg moeilijk moet zijn om om te gaan met hun geloof.
Na deze algemene opmerkingen wil ik enkele kanttekeningen op psychologisch gebied bij 'Hulpeloos maar schuldig' plaatsen.

Geloof en therapie
In 'Opbouw' van 18 mei 1984 werd een onderzoek van drs. M. J. A. Egberts besproken over de invloed van het geloof op het maatschappelijk werk bij ouders met verstandelijk gehandikapte kinderen.
De schrijver was tot de conclusie gekomen dat het geloof voor de ouders wel een rol speelt, maar dat veel maatschappelijk werkenden niet een 'antenne' bezitten om dat geloof 'op te pikken'.
Daardoor ontstaan er misverstanden: maatschappelijk werkenden denken dat het geloof geen rol speelt, want de ouders beginnen er niet over; ouders spreken er verder ook niet over, want maatschappelijk werkenden gaan niet in op opmerkingen die zij in dit verband maken. Dit gaat ten koste van de kwaliteit van de hulpverlening.
In haar 8e hoofdstuk snijdt ook Aleid Schilder deze problematiek aan. Ze geeft een interessant overzicht van de diskussies over de vraag of het geloof een rol mag (of moet) spelen binnen de therapie. Op blz. 94 noemt ze argumenten waarom religie en therapie niet gescheiden kunnen worden. Ik deel volledig de mening van de schrijfster: wanneer geloof een taboe is binnen de therapie wordt een effektieve behandeling erg moeilijk. Een van de pluspunten van dit boekje is dat het nog eens wordt benadrukt dat de therapeut ook oog moet hebben voor de religieuze gevoelens van de cliënt, en dat deze - voor een goede diagnose en behandeling - niet buiten beschouwing gelaten kunnen worden.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief