Recht van God gesproken? (1)

1987-09-04
  • Jaargang 31
  • nummer 33
Over Job 1 (vooral vss 6-12) en 2 (vooral vss 1-6) en het boek 'Als het kwaad goede mensen treft' door rabbi Harold Kushner, (Baarn 1983).

Maar weinig zaken houden de harten van Gods kinderen zó bezig als de vraag naar het waarom van het lijden. Ook maar weinig dingen worden de Here God zó vaak verweten door wie zich van Hem afwenden als het feit dat Hij het lijden veroorzaken of op zijn minst toelaten zou. Sinds enkele jaren speelt bovengenoemd boek van Kushner in die gesprekken en gedachten een aanzienlijke rol.
In het vervolg wordt getracht, wat de Schrift over deze dingen zegt en wat Kushner, zorgvuldig af te wegen. Met op de achtergrond de vraag: doen we zo sprekende, de HERE recht? Zie Job 42:7:8.

Beginnen we met de rabbi. Hij heeft recht van spreken. Zijn enige zoon 'verloor hij' door een afschuwelijke ziekte, en in zijn geloof heeft hij geworsteld met de God van Israël om de vragen die ook hem bestormden. Hij wil in zijn boek anderen helpen met de ervaring die hij in dat gevecht heeft opgedaan. Veel is van Kushner te leren. B.v. het hoofdstuk dat hij wijdt aan de machteloze troostwoorden die wij vaak toevoegen aan mensen in leed. Woorden, zo laat hij zien, die vaak onzin zijn, die de hoge God en de getroffen medemens vaak géén goed doen.
Treffend zijn ook de passages waarin hij schrijft dat God het kwade niet wil, maar het goede. Dat wij God niet voor uitvinder en zender van ziekte en ramp mogen aanzien: Maar waar komt Kushner die zo geworsteld heeft met deze vragen, nu zèlf uit? Zijn conclusie. is, dat God wel goed is, maar dat Hij geen volmaakte wereld heeft kunnen scheppen en dat Hij kwaad en leed niet kan voorkomen.
Dat Hij ons echter wil helpen met wat Hij wèl kan: ons geloof, moed en hoop geven om het kwade geestelijk aan te kunnen. Heel sterk blijkt dat in het volgende citaat waarin hij zijn lezers vraagt: "Bent u in staat om God te vergeven en lief te hebben, .... ook als Hij u in de steek heeft gelaten, en u heeft teleurgesteld door ongelukken, tegenspoed, ziekte en wreedheid in zijn wereld toe te laten en sommige van die dingen u tè laten overkomen?" (138).
Ja, u leest het goed: wij moeten Hèm vergeven ..... !

Ik zie drie hoofdfouten in het boek, waardoor Kushner tot deze verbijsterende conclusie komt. En die zijn: A. Hij aanvaardt niet dat als gevolg van onze val en ongehoorzaamheid de zonde en de vloedgolf van rampen die ze meebrengt in de wereld gekomen zijn. B. Hij gelooft niet dat er een persoonlijke machtige satan is, een geniale tegenstander van God ook tegenover ons mensen. Die er op uit is, ons geloof met een vals beeld van God, een karikatuur van Hem, te breken. C. De ergste fout is misschien toch dat God in dit boek de Gedaagde is. Gedaagd voor het tribunaal van wat de mens als rechtvaardig beschouwt.
Daardóór verdwijnt het zicht op de strijd van God om zijn mensen tegen de satan. Alsook op het geloof in God waardoor mensen ooit overwinnaars kunnen zijn. Dat is wel modem! Maar de verhouding tussen God en mens is daarmee wel fundamenteel omgekeerd! In dit verband blijkt dan ook de almacht van de HERE door de schrijver niet meer te worden erkend.
Als we hem daarin niet willen volgen, hoe lezen we dan Job 1 en 2? Op een soort rijksdag in de hemelen verschijnen alle hoge engelen van God op het appèl. Onder hen ook de satan, tegen heug en meug. Tegen hem begint de HERE dan over zijn trouwe knecht Job. Een uniek kind van God uit de voortijd, ook door Ezechiël genoemd in een rijtje van fabuleuze rechtvaardigen, Ez. 14:14, 20. Waarom begint de HERE daarover? Me dunkt omdat het gevecht tussen God en de satan altijd loopt over heel Gods schepping, en dan vooral over de verantwoordelijke persoon, de mens.
De HERE wil hier dus woord hebben dat het ècht gebeurt dat mensen Hem van harte en vrijwillig liefhebben. Dat is de eer van de Here! Maar Zijn tegenstander kan dat geen seconde verdragen.
Hij móet het lelijk maken, lasteren, dat de gade loze liefde van God zulke effecten heeft in hart en leven van een mens. We hebben de strijd met tegen vlees en bloed maar tegen de wereldbeheersers dezer duisternis zegt Paulus Ef. 6: 12.
Daarom moeten wij maar niet meedoen met het hedendaagse tijdverdrijf om ons mensen in de strijd tussen God en de satan te zien als zielige slachtoffers die het óók niet helpen kunnen. De Schrift maakt duidelijk dat de mens in deze strijd inzet is, maar ook handelende partij. Het al of niet vrezen en liefhebben van de HERE door ons mensen is juist de inzet waar alles om draait. De keus die de mèns maakt is of rechtvaardiging van de liefdedienst van God. Ofwel rechtvaardiging van de bittere rebellie van satan. Wij zijn geen neutrale slachtoffers die ergens in betrokken raken. Maar betrokkenen, wier keus van geloof of ongeloofbeslissend is in het hele geding.
De satan móet God dus wel aantasten in Job. Hij doet dat met de stelling, dat het met die liefde van God tot Job en omgekeerd geen zuivere koffie is.
God heeft Job zó gezegend, - Job zal wel wijzer zijn dan die God tot zijn vijand te maken. Maar de HERE van harte dienen, met vreugde en vrijwillig Zijn wil doen, - laat de HERE toch rustig vergéten dat zóiets bij Job voor zou zitten! Weer een eigentijdse stelling: als iemand God vreest en Zijn wil doet, doet hij dat uit angst voor straf, of in ieder geval om er zelf beter van te worden; Maar nooit of te nimmer om de goedheid van de HERE zèlf! We zien hier uit wiens koker dergelijke verhalen komen!
En dàn in diè context geeft de HERE zijn tegenstander zekere speelruimte: de satan mag Job aantasten in zijn huis en bezit. Dan zullen de fèiten het spreken van de HERE rechtvaardigen.
Let wel: 'de feiten' van Jobs geloof!

Natuurlijk, juist hier stormen de vragen los! En dat wordt nog erger als Job die eerste verschrikkelijke proef doorstaat, gebeukt door alle Jobstijdingen die hem treffen. Er staat, dat Job tenslotte niet zondigde en aan de HERE niets ongerijmds, niets absurds toeschreef. Is dat: een mens, zo murw gebeukt onder het leed, dat hij geen vin meer durft verroeren voor God? Neen, het is een mens, berooid en beroofd van alles wat God hem gegeven had, Maar wèigerend de blaam daarvan op de HERE te werpen.
Waarom? Omdat voor Job in zijn geloof lééft dat alles wat God geeft genade is. En ook genade blijft! Waarover hij dus ook niet te klagen heeft, als de HERE het nodig oordeelt; waarom, weet hij niet - hem deze zegeningen te laten ontnemen. Dat is geen berusting van een klein mens tegen de hoge God, tegen Wie hij toch niet op kan. Maar erkenning door die mens van de gimsten van God, waar niemand ooit -rècht op kan laten gelden, ook Gods vriend niet. En dat betekent toch datJob overwint door het gelóóf. Hij wèigert te doen of God hem in zijn rechten of zoiets had aangetast!
Maar het loopt nog hoger! Een tweede rijksdag, opnieuw dat appèl, opnieuw die satan! Wat doet hij? Dan tenminste erkennen dat God één kind op aarde heeft dat Hem onvervalst liefheeft en dient? Hoe kunnen we dat van dè leugenaar, Joh. 8:44, verwachten?
Grof tast hij de HERE in Zijn verbondenheid met Job opnieuw aan. Als het maar eens om zijn léven gaat, dan zal wel blijken wat dat geloof van Job waard is! Opnieuw krijgt de satan speelruimte, deze keer om Job in gezondheid, lichaam, gebeente aan te tasten. Alleen diens naakte léven wordt hem nog gelaten!

Grote vragen hier! Vooral omdat de HERE zegt, 2:3, dat de satan God tegen Zijn knecht Job heeft opgezet om hem - zonder reden, d.i. zonder dat Job iets gedaan had waarom God hem zou moeten kastijden en straffen!
- in het verderf te storten! Bijna zegje: God gedwongen door de satan? Waar is Gods almacht dan? Waarom jaagt God die lasteraar niet van Zijn troon?
Dat kàn God niet! 0 neen, niet omdat Zijn almacht niet groot genoeg zou zijn! 'Technisch' is de HERE daar wel toe in staat. Maar er is hier méér aan de hand! De HERE heeft Zich verbonden aan Job en vastgelegd op Jobs geloof in Hem. Als dàt gelasterd wordt kan en wil de HERE niet met machtsmiddelen opereren. Dàn kan de beslissing alleen gebracht worden door de trouw van de HERE en het blijkend geloof van Job daarin!
We moeten dit zien als een soort kaping. Vóór zo'n drama begint is het grote vliegtuig met alle inzittenden menselijkerwijs gesproken in de hand van de gezagvoeder. Als de kaper zijn wapens getrokken heeft is dat nog zo.
Maar de macht en het gezag van de captain zijn wel aangevochten!
Waarom zal de gezagvoerder de kaper niet eenvoudig, als de kans zich voordoet, neerschieten? Omdat hij het risico niet neemt van een vuurgevecht in een hoogvliegend toestel.
Want dan gebeurt dàt waar de káper nu juist mee dreigt: de ondergang van de machine en al haar inzittenden!
Het beeld gaat mank, ik weet het.
Maar het kan dienen om ons te doen verstaan: er zijn situaties waarin de almachtige God onder tegenstand van de satan geen gebruik van (al)macht kan of wil maken. Waarom gaat het tussen God en Job? Dat de laatste aan de HERE hangt met alles wat in hem is. Bij deze kaping,is er de situatie dat de HERE niet met machtsmiddelen ingrijpt, want dat heft de laster van de satan niet op. De HERE schept tijd en ruimte dat de laster van de satan door het geloof van Zijn kind wordt ontzenuwd. De vragen: waarom voorkomt de HERE het niet? zijn niet terzake. Want dan zou de beslissing buiten de mens om vallen. En het gáát immers juist om het geloof van die mens!
De Schrift betuigt dat vaker. De Heer Jezus zegt, Mt. 18 en Lk 17: het is onmogelijk dat er geen verleidingen tot zonde komen ..... Er moeten, verleidingen tot zonde komen. We vragen: waarom moet dat? Omdat de laster van de satan tegen de gadeloze liefde van God jegens zijn kind en tegen het vertrouwen van dat kind jegens Vader alleen naar recht, door het geloof van dat kind zèlf kan worden ontzenuwd.
Zie Hebr. 11: door het geloof. Zie Openb. 12: zij hebben hem, de satan overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben huil leven niet liefgehad tot in de dood, vs 11.
Het draait allemaal om ons geloof, zoals het dat bij Job deed: Dat wat Gods heerlijkheid is, en wat de satan zo vuig lasterde, - het is dat mensen zich aan die goede God gebonden weten door Zijn liefde. Dat kàn niet buiten mensen omgaan. De aanvallen daarop kunnen niet buiten mensen om voorkomen worden.
Laten we maar niet meedoen met goedbedoelende mensen die zeggen: nou ja, je moet het God maar niet aanrekenen dat Hij geen betere wereld heeft gemaakt, en maar van Hem aannemen de troost en volharding die Hij geeft. Dat God troost en kracht geeft, is waar. Maar dat geeft God nu juist door ons gelóóf! Daarom is het, dáárop, dat de satan het voortdurend gemunt heeft. Geloof is: weten dat God ondanks onze zondeval en alles wat die meebracht voor ons is blijven stáán, verbonden met ons wil zijn in dat geloof. Zodat we, al schieten we er in het heetst van de strijd het leven zelfs bij in, kunnen en willen zeggen omdat we dat wéten van God:

Maar word ik ooit met bange vrees belaân,
dan zal op U mijn vast betrouwen staan.

(Ps. 56:2 - Oude ber.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief