Calvijn in Afrika?! (slot)
1987-09-04
- Jaargang 31
- nummer 33
5. Problemen en perspektieven
In deze reeks artikelen ben ik zo breed op het werk in Bangui ingegaan, om duidelijk te maken hoezeer het de moeite waard is om er tijd en geld in te investeren. Een investering is het: twee gemeentes staan elk voor een maand hun predikant af; de EvTA moet een appèl op velen doen om de dure reis te betalen (die overigens dit jaar wat minder duur uitviel, doordat wij gebruik hebben gemaakt van een Frans maatschappijtje, dat met een vies vliegtuig, knorrig personeel en een uiterst onregelmatige dienstregeling aantoonde dat alle waar naar zijn geld is). Wat is het dan ontroerend om studenten te horen danken voor de komst van de gastdocenten ("u bent zo welkom als de regen!") en bemoedigend om te merken dat de namen Van der Toom en Westerkamp bepaald nog niet vergeten waren. De doelstelling van het projekt: de kerk in Afrika dienen vanuit de rijke theologische traditie van de Reformatie waarover wij in onze kring beschikken, blijkt voortreffelijk gekozen te zijn. Dit geldt temeer, daar de FATEB met enkel financiële injekties minder geholpen is dan het lijkt. Laat er geen misverstand over bestaan: dat deze fakulteit in het hartje van Afrika bestaat, is enkel en alleen mogelijk door de kapitaalverschaffing vanuit het Westen. Van de vaste docenten worden de meeste door zendingsorganisaties betaald. De studenten zijn voor hun levensonderhoud vrijwel zonder uitzondering aangewezen op beurzen die voornamelijk vanuit de Europese evangelische wereld verstrekt worden. In Amerika is er een speciale stichting opgericht, die de afgelopen jaren honderdduizenden guldens ingezameld heeft om de FATEB overeind te houden. Desondanks werden wij tijdens ons verblijf in Bangui gekonfronteerd met een nijpende financiële situatie, die in de voorbeden steeds dringend aan God werd opgedragen. Hoewel het aantal studenten dat belangstelling heeft voor een studie aan de FATEB veel groter is dan het aantal dat daadwerkelijk kan worden geplaatst, kan er van uitbreiding geen sprake zijn: er is niet genoeg mankracht en er is geen geld.
Afhankelijkheid
Toch is het geen oplossing om de financiële hulp vanuit het Westen dan maar op te voeren. Ik verwijs naar wat drs Westerkamp daarover schrijft in OPBOUW van 3 april 1987 en citeer enkele zinnen uit zijn artikel: "Het grootste bezwaar van dergelijke hulp is de toenemende afhankelijkheid van het Westen. Deze houding vanje hand ophouden, hulpverslaving, is zeer verbreid en dodelijk voor het eigen initiatief.
Ik zie het als een, zo niet hèt kernprobleem in Afrika." Inderdaad wordt ook de FATEB door deze 'hulpverslaving' bedreigd. Hoewel de fakulteit is opgericht door de AEAM, de Associatie van Evangelischen in Afrika en Madagaskar, is de financiële bijdrage van de Afrikaanse kerken nul komma nul! Dat heeft tot gevolg dat de band van de FA TEB met de kerken heel los is. Men maakt dankbaar gebruik van hen die afstuderen, maar voelt zich nauwelijks verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van het instituut.
O.a. daardoor is te verklaren, dat de Afrikaanse inbreng in het onderwijs minimaal is: er zijn maar drie zwarte vaste docenten, van wie er twee (!) de komende kursus geheel of gedeeltelijk zullen terugtreden. Het gevaar is dan ook reëel dat de FATEB te westers van kleur blijft en zo de aansluiting aan het Afrikaanse kerkelijk leven mist. Daarbij is het een zeer ongezonde situatie, dat met name Amerikaanse fondsen de zaak draaiende houden. Stel dat die geldstroom om wat voor reden dan ook opdroogt, dan is het met de FATEB gedaan!
Het is dan ook dringend noodzakelijk dat de fakulteit materieel gezien minder sterk gaat leunen op het Westen, om zo de betrokkenheid van de Afrikaanse kerken te vergroten. Natuurlijk zal het tot in lengte van jaren een dure plicht blijven voor de rijke, kerken in Europa en Amerika om royaal in de behoeften te voorzien, maar die hulp moet toch meer dan tot nu toe het geval is geweest zo gestruktureerd zijn, dat de FATEB al meer in Afrikaanse bodem verworteld raakt. Gelet op die voorwaarde is de hulp die EvTA aan Bangui biedt dan ook heel passend. Het uitzenden van gast-docenten geeft de Afrikanen immers alle gelegenheid om zèlf te bepalen in welke vakken en vanuit welke hoek onderwijs gegeven zal worden.
Fundamentalisme
Over dat laatste, de hoek van waaruit onderwijs gegeven wordt, valt ook nog wat op te merken. Nog niet zo lang geleden heeft in Bangui een interne diskussie gewoed rondom de formulering in de grondslag van de FATEB, dat de Heilige Schrift het onfeilbare, foutloze Woord van God is. Sommigen hechtten niet zo aan dat woord 'foutloos' en vonden het voldoende om aan te geven dat de Schrift het waard is om je er op alle levensgebieden in het volste vertrouwen en zonder reserve aan over te geven.
Anderen echter wilden verder gaan en achtten het woord 'foutloos' onmisbaar; zo wilden zij de studie aan de FATEB binden aan een inspiratie-leer; die de menselijke faktor in de Schrift minimaliseert.
Hoewel beide standpunten in de FATEB-gemeenschap worden ingenomen, vond de rector het punt belangrijk genoeg om ons erover aan de tand te voelen. Wij hebben hem duidelijk gemaakt dat het eerste standpunt onze sympathie heeft en dat het tweede naar ons oordeel de omgang met de Schrift onnodig krampachtig maakt.
(Zie het artikel van drs De Jong in OPBOUW van 18 juli 1986). Dat gesprek was uiteraard niet de gelegenheid om met Calvijns leer van de Heilige Geest te komen aandragen - anders had ik er graag op attent gemaakt, dat ook volgens Calvijn de erkenning, dat Gods Geest de bijbelschrijvers geleid heeft, niet uitsluit dat zij zich vergist hebben in kleine details, zodat sommige bijbelteksten - in de woorden van Calvijn "gekorrigeerd moeten worden"!
De afstand tussen Calvijn en de latere leer, dat de Schrift 'letterlijk' geïnspiréerd is, weerspiegelt zich in de afstand die bestaat tussen de gereformeerde omgang met de bijbel en die van fundamentalistische biblicisten. Wij hopen natuurlijk vurig dat er aan de FATEB ruimte blijft om de studenten ook in dit opzicht vanuit de reformatorische traditie toe te rusten, Gelukkig staan wij daarin niet alleen: enkele Amerikaanse kollega-gastdocenten bleken er eveneens weinig heil in te zien de FATEB in een fundamentalistisch keurslijf te wringen.
Wederzijdse verrijking
Na alles wat ik gezegd heb over het belang van de Europese reformatorische traditie ook voor de kerk in Afrika, mag ik tenslotte niet nalaten ook het omgekeerde te benadrukken: wat gaat er van het evangelische christendom ginds een stimulerende werking uit op ons, Europese christenen. Wij gingen naar Bangui om onze geestelijke rijkdom met anderen te delen, maar wat kwamen wij zèlf ook verrijkt in Nederland terug.
Misschien is het vooral de afwezigheid van de sekularisatie in dit deel van de wereldkerk, waardoor alles zo lévend leek: de kerkdiensten, de lofprijzing, het vrijmoedige gebed, het vertrouwen in Gods leiding, de intense dankbaarheid voor het heilswerk van de Here Jezus.
Laat niemand enige illusie hebben: ook in Afrika is de kerk allesbehalve heilig: Net als wij is zij dringend aangewezen op Gods grote geduld en zijn barmhartige vergeving. Het is triest om ook daar een rampzalige kerkelijke verdeeldheid aan te treffen, een soms onbeschaamd materialisme en noem al de zonden maar op waar het christendom zo onder gebukt gaat. En toch - zij hebben ons zeer bemoedigd door de manier waarop het geloof in de Here Jezus van hen afstraalde.
In Bangui begrepen we ineens weer wat een rijkdom het leven in zijn liefde is! Daarom: Calvijn in Afrika?' ..Zekermits wij niet vergeten dat wij ook van hèn kunnen leren. Te lang heeft het Westen op dit deel van de wereld neergezien.
In onze tijd maakt God ons duidelijk dat wij de zwarte christenen nodig hebben, om samen met hen te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus (Ef. 3:18).