Kunnen wij nog leven uit de kracht van Gods belofte?

1988-10-14
  • Jaargang 32
  • nummer 38
I Kon. 12: 27 " In dien dit volk optrekt om slachtoffers te brengen in de tempel des HEREN te Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda ...”

Vreemde armoede!
De fijnzinnige exegeet Prof. C. van Gelderen wijst in zijn Korte Verldaring van Koningen op een opvallend ding. In de overwegingen van J erobeam wordt Rehabeam betiteld als "hun heer" en daarbij gaat het niet over de Judeeërs maar juist over de inwoners van het tienstammenrijk!
Als Rehabeam "hun heer" is, wat is Jerobeam dan? Een opstandeling, een rebel, een man van kracht en list maar niet een man die-het rècht aan zijn kant heeft! Heel vreemd! Het is niet Rehabeam die er zo over denkt.
Neen, het is Jerobeam zèlf!
Maar. .. de HERE had de tien stammen toch aan Jerobeam gegeven en dat was. hem toch door de profeet Ahia aangezegd (I, 11 : 31)? En de scheuring van het rijk was toch door de HERE geschied zoals ook de profeet Semaja had gezegd (I, 12 : 24)?
Waarom is Jerobeam dan in zijn diepste overleggingen alleen maar een rebel, een opstandeling? Waarom kon hij zich bij zijn problemen dan niet "sterken in de HERE zijn God", zoals weleer David (I Sam. 30 : 6)?
Betekende de belofte dan niets meer voor Jerobeam?
We hebben hier, zoals Prof. Van Gelderen terecht zegt, te maken met het ongeloof van Jerobeam. Stellig. Maar daar moeten we dan wel even op doorgaan. Want ook het ongeloof heeft zijn eigen geschiedenis en zijn eigen wegen. En zijn verharding.

De weg van het ongeloof
Jerobeam heeft zich stellig door het profetenwoord laten "inspireren"!
Tot de opstand tegen Salomo (I, 11 : 27)! Die opstànd was niet geslaagd.
Jerobeam 'moest vluchten naar Sisak, de koning van Egypte (I, 11 : 40).
"Zich laten inspireren" - een nogal geliefde uitdrukking, waaraan vaak ten onrechte een positieve betekenis wordt toegekend! De "inspiratie" kan namelijk het tégendeel zijn van geloof!
Jerobeam heeft hier niets van David, die wèrkelijk geloofde en die dáárom ook op de HERE kon wachten en die de grote verzoeking om Saul te doden juist door zijn gelóóf kon afwijzen (I Sam. 24 : 5-8; 26 : 8-11). Neen, met David is Jerobeam niet te vergelijken! Wèl - vanuit de verte! - met zijn voorvader Jakob, die zich door de belofte van God liet "inspireren"! Tot de "koop" van het eerstgeboorterecht van zijn broer Ezau en tot het bedrog van zijn blinde vader Izak! Ook bij Jakob die oud- en modern-heidense gedachte, dat de HERE nu eenmaal niet kan lopen, als wij Hem onze voeten niet lenen, en dat de HERE nu eenmaal niet kan werken, als wij Hem onze handen niet lenen! En ook bij Jakob die ellendige samenhang: Wat ongeloof-jegens-de-Here is is tegelijk onrecht-jegens-demènsen!
Deze zonde doet God tot een tégenstander worden. En die tegenstand is alleen te overwinnen door de radikale overgave in het smeekgebed om zegen en genade (Hos. 12: 5).
Helaas, van zulk een bekering horen we bij Jerobeam niets! Dan gebeurt ook het erge, dat de zondaar in de samengang van zonde en oordeel als het ware kromgebogen wordt over zichzelf en zijn eigen doen, dat hij alléén blijft met zichzelf, en dat de lijnen, die hem met Gods belofte hadden kunnen verbinden, te lang worden en breken. Hij blijft met zichzelf in de eenzaamheid over.
Daarom moeten we met twee woorden spreken: Jerobeam wilde zich niet sterken in de HERE zijn God - zijn ongeloof; Jerobeamk kon zich niet sterken in de HERE zijn God - Gods oordeel over de niet-betreurde en niet-beleden zonde!

Ruim de barrikade op!
Dit tekstgegeven is als het ware een . miniatuur. Het neemt zijn plaats in binnen het verband van de unieke geschiedenis van Jerobeam. Maar het heeft op zichzelf een stem, die de tijden door moet worden gehoord.
Ik herinner me, dat ik eens hoorde van een huisbezoek bij een broeder, die nogal stevig op zijn (vele) geld zat.
Hij vertelde, dat het met zijn geloofszekerheid maar slecht gesteld was. Daarop gaf één van de ouderlingen hem de raad eens een grote som geld aan de kerk te schenken. Terstond barstte er een heilige (?) verontwaardiging los, die niet bij de kamermuren bleef staan, maar zich een weg baande naar buiten (Zo hoorde ik er ook van)! De ouderling werd terstond gezet op de weg van Simon de Tovenaar en op de baan van de aflaatkramer Tetzel uit Luther's dagen, kortom op de weg van al degenen, die meenden, dat "de gave Gods voor geld te verwerven is" (naar Hand. 8 : 20). En zo maakte men zich schietend en stampend van de raad van de ouderling aft Ik moet zeggen, dat ik van mening ben, dat die ouderling zich veel te lakoniek heeft geuit. Hij had zijn raad moeten toelichten! Maar verder ... ?
Waarom mocht die ouderling niet staan op de baan van Johannes' raad aan de soldaten en de tollenaars en het gehele volk (Luc. 3 : 1O-14)? En waarom niet op de weg van Zacheus, die de Here Jezus toch werkelijk heel wat geld beloofde (Luc. 19 : 8)? Is het dan niet wáár, dat de weigering de vreemde goden weg te doen ons belemmert in te gaan in het Koninkrijk en ons verhindert ons te sterken in de HERE onze God? En mag dan de raad om deze "god" aan gruizelementen te slaan niet als een goede raad verwelkomd worden?
Is het dan niet waar, dat het geld voor ons de betekenis kan krijgen van ongeloof-jegens-de-Here en van onrecht -jegens-de-mensen?
En daarom heb ik geen vertrouwen kunnen stellen in die enorme verontwaardiging over de raad van de ouderling en in die onwelwillende slechte vertaling die men aan die raad .
gaf.
Bleek hier niet - ondanks de roerende klacht over geloofsonzekerheid - de onwil om zich te sterken in de HERE zijn God? En kwam daarin tegelijk niet uit de onmàcht om zich in de HERE te sterken - een oordeel over het aanhouden van vreemde goden?
Laten we toch alle barrikades opruimen!
Alle verhinderingen! Alle "goden"!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief