Recht van God gesproken? (2)
1987-09-11
- Jaargang 31
- nummer 34
De zaak hier aan de orde is geen voer voor theologen. Het is een zaak die wij moeten weten. Ons geloof staat op het spel als inzet in de strijd tussen hemel en hel.
Velen zijn zich dat - nog steeds - vagelijk bewust. Velen grijpen immers naar het boek van rabbi Kushner dat zich zo intensief met de vragen van Job en met hem van alle mensen bezighoudt, Ik meen aangetoond te hebben dat Kushner ondanks behartigenswaardige passages in zijn boek per saldo in zijn 'oplossing' zijn lezers de God van Israël, de Vader van onze Heer Jezus Christus afpakt.
En daarmee - onbedoeld - een aanslag pleegt op wat we tot nu toe als inzet in de grote strijd leerden kennen, nl. ons geloof, In het beeld van een kaping probeerde ik wat zicht te krijgen op de strijd van Job 1 en 2, waarin Job door het geloof als een - we zeer beschadigde en geschonden - overwinnaar tevoorschijn kwam.
Deze keer over: Jobs beroep tegen God op God.
Waarom immers loopt dezelfde Job, die ih de verschrikkingen van hoofdstuk 1 en 2 de HERE niets absurds toeschrijft, in het vervolg van zijn lijden met verschrikkelijke woorden tegen de HERE te hoop?
Dat komt van het 'verklaren' van zijn vrienden. Zolang die vrienden stom van smart bij Job hadden gezeten om te zwijgen, waren ze vrienden gebleven.
Als ze echter gaan spreken drijven zij Job over de schreef! Zij gaan uit van de waarheid dat de HERE rechtvaardig straft. Alleen, ze keren de stelling om. Als de Schrift zegt: als iemand God verlaat; zal de HERE dat zoeken met erge plagen,dan zeggen Jobs vrienden: als de HERE erge plagen over iemand laat komen, dan moet die iemand de HERE wel vaarwel hebben gezegd.
Met die stelling drijven ze hun lijdende broeder Job tegen de muur. Daarom vliegt Job hier wèl met geladen woorden tegen de HERE op. Verwijt zijn vrienden: waarom vervolgen jullie me net als God? Dat is zijn besef en gevoel en dat werkt hij ook uit: God sluit me alle wegen af, God laat me overal vastlopen. God moet mij hebben!
Zo zijn we terug bij de vraag: mag ik dat zeggen? God zoekt mensen om hen te vernielen? Mag ik zeggen dat Hij ziekte en ramp en leed dóet, wil, máákt?
Het lijdt geen twijfel: de Schrift zegt soms dat de HERE mensen die naar Hem niet horen willen, doodt. Dat Hij plagen zendt aan wie zich verhardt.
Er is verbondszegen, maar ook de verbondswráák is werkelijkheid.
Maar daarbij is wel altijd duidelijk dat de HERE zulk kwaad hanteert als noodzakelijk kwaad. Dat God naar deze drastische middelen grijpt als Hij goedschiks met iemand niets meer beginnen kan. God hanteert: zelfs het kwade heilig, voor iemands bestwil. Hij doet het in het kader van Zijn recht voor mensen!
De Schrift is er trouwens vol van dat de HERE de verschrikkelijke dingen die Hij dan gebruiken moet, verafschuwt. Bij de profeten lezen we, dat God nog eens met Zijn hand over Zijn hart strijkt, het nog eens met Zijn afvallig volk probeert, Dat Hij als er nog niet eens een schaduw van bekering is, gretig afziet van het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen. Wat Joël tot zijn mensen zegt: bekeert u tot de HERE uw God, want Hij is goedertieren en ..... berouw hebbend over het onheil, 2: 13. Men zie voor de Naam van de HERE Ex. 34:6-8. Num. 14:18, , Dt. 7:9v, Ps. 103:8vv, Ps. 145:8vv Neh. 9: 17, Jona 4:2. Speciaal over Gods berouw hebben, over het kwade/ het onheil de woorden uit Jona en Joël, en Ex. 32:14 (ook Jona 3:10); Jer. 26:3, 13, 19,42:10. God vindt dat onheil verschrikkelijk, Er is nóg iets waar, we op moeten lettten. De satan had tegen God gezegd: tast U hem maar aan, HERE, pak hem dit af, of dat. Maar als dat dan tot op zekere hoogte gebeurt, lezen we dat God aan de satan zekere speelruimte geeft om zijn verderfelijke macht te demonstreren. Andersom dus! Trouwens, als God de eerstgeborenen van Egypte ombrengt, staat er dat Hij gebruik maakt van een verderfengel. Als de HERE het oordeel over Achab voltrekken gaat, staat er dat de HERE daarbij een verdwazende demon hem laat verleiden.
Als Paulus het heeft over de doom in zijn vlees, 2 Cor. 12, dan noemt hij die ook: een engel des satans!
Ik beweer niet dat we van dit alles een systeem mogen -of zelfs kunnen!maken. Maar we mogen toch zeggen: àls de HERE van vreselijke dingen gebruik 'moet' maken, maakt de Schrift nu en dan duidelijk, dat dat wapentuig niet uit Gods pijlkoker komt. Maar dat Hij de satan toestaat of opdraagt, wapens uit zijn arsenaal te gebruiken. Iemand zal zeggen: daar schiet je niets mee op. Want dat betekent dat de HERE die vreselijke dingen wel degelijk leidt, toelaat. Ik geloof: we vorderen hier wèl! Ik kan nooit zeggen dat God ziekten heeft uitgevonden, of dat Hij onheil even makkelijk aan iemand laat overkomen als dat Hij hem Zijn gunst bewijst. Wie dàt zegt - de moderne karikatuur van Zondag 10 - vergeet altijd het gevecht dat er gaande is, en dat er een kaper is, en dat de HERE die kaper maar niet met geweld maar naar rècht moet overwinnen! In dat rècht des HEREN betrekt altijd ons geloof als doorslaggevend gebeuren in het geding. Ik kàn niet aan de kant gaan staan: al dat leed dat God toelaat, ik pik het niet. Want ik ben betrokkene. En wat meer is: ook ik heb de kaper in het huis van deze wereld binnengelaten. Niet God!
De gelovige Job van Job 1 en 2 is door de theologie van zijn vrienden in de hoek gedreven. Dàn knalt hij eruit wat tal van lijdende kinderen van God' zich maar àl te goed in kunnen denken: God doet me onrecht, ik roep om hulp maar er is geen recht, Hij muurt mijn weg toe. En dat wordt in Job 19 één verschrikkelijke magistrale litanie van alles waarin Job zich door God kapotgemaakt voelt. Die haar hoogtepunt vindt in vss.21 en 22: ontfermt u, ontfermt u over mij, mijn, vrienden, want Gods hand heeft mij getroffen. Waarom vervolgt u mij, zoals God, en wordt u niet verzadigd van mijn vlees? Job zegt de HERE niet vaarwel.
Maar hij knalt er alle onbegrepen leed uit over God die zijn leven uitwringt.
Hij ziet en voelt God als vijand, want hij ziet en voelt niets anders meer.
Wij zeggen: Job ging over de schreef.
Dat ging hij zeker. De HERE leert het hem straks ook af. Maar één ding is de grote troost, en dàt ontgaat zo veel redeneerderige mensen. Namelijk dat de HERE Zich dit alles zeggen laat! De HERE die aan het eind van het boek zegt dat Job recht van Hem gesproken heeft en de vrienden niet. Ik beweer daarmee niet dat het goed is, God vertwijfelt van alles voor de voeten te gooien. Maar ik beweer wel: wij hebben een God bij wie het veel lijden kan, die in al onze benauwdheden benauwd is, die weet wat maaksel wij zijn. En die het ook ziet als het leed met de redenaties van mensen sámen ons tegen de muur drijven, zodat we opvliegen tegen Hem, de heilige. Die ook dan een God is, groot van goedertierenheid.
Tégen God klaagt Job. Maar hij beroept zich op niemand anders dan op God! Vreemd: Job voelt zich opgejaagd en gevangen. Hij, kent de HERE, en weet dat dat niet buiten Hem om kan gaan. Voelt zich zelfs achtervolgt dóór God.
En toch zegt hij: als er dan nog iemand naar me vilaagt en het voor me opneemt, is dié iemand God! Job grijpt in het geloof wat dan nog niet eens geopenbaard is: tenslotte zal Hij op aarde optreden. Ik zal uit mijn vlees God aanschouwen, die ik mij ten goede aanschouwen zal. Die mijn ogen zullen zién en niet een vreemde.
Hij grijpt: de opstanding der doden, het laatste oordeel van de HERE. En de grote ontferming en betrokkenheid van de HERE bij de zaak van al Zijn verscheurde en geschonden kinderen: ik weet dat mijn Losser lééft! De HERE zegt straks: rècht van Mij gesproken!
Job laat God wéér niet los. Hij doet bij alles wat hij eruit slingert - niet wat de satan zei dat hij zou doen: God vaarwel zeggen. Nu zelfs minder dan ooit!
Ik meen dat we moeten zien dat zovelen die de HERE hebben losgelaten, in onze dagen óók opstuiven tegen God. Een bange wereld, kernwapens, ontwikkelingen waar we bang voor zijn, God! Allemaal klachten aan God. De vraag wordt voorbijgezien waar wij mensen die toorn Gods kunnen hebben opgeroepen en het oordeel losgemaakt. God kan de schuld krijgen! Maar ziet u dat zulke mensen geen recht hebben zich te dekken met de aanklachten van Job?
Ze staan er radicaal anders voor dan hij, die God aanvlóóg, omdat hij met heel zijn hart aan Hem hing. In dat hangen aan God zit het beslissend verschil!
Job wint al strijdend aan kracht, Vergelijk de groeiende climax van hoofdstuk 13 naar 16 naar 19. Steeds dat contrast van aanklacht èn beroep.
En toch: door de goedertierenheid van God zèlf overwinnend. In zijn beslissend gelóóf! Dat leert ons Job: dit beroep is nooit door God veracht geweest!
Dat verkondigt Job, in alle tijd die sindsdien verlopen is, nog! Opdat zelfs 't wederhorig kroost altijd bij de HERE zou wonen. Dàt is nu: Gods strijd bekroond met gaven. tot der mensen tróóst! (vgl. Ps. 68:9 oude ber. en Efeze 4, vooral vss 7-9).
De Bijbel is geen theologisch boek ... Tegenwoordig kun je vaak horen spreken over de 'theologie' van Paulus en van Johannes en van Jesaja, enz. Dat is een ernstig misverstand. Theologie is nl. een wetenschappelijke aangelegenheid. Letterlijk betekent het woord: wetenschap omtrent God. Het woord wil letterlijk zeggen dal God voorwerp van ons wetenschappelijk onderzoek is. Bijbels gezien is dat een absolute onmogelijkheid. Want als het waar was, dat God voorwerp van wetenschappelijk onderzoek kon zijn, zou de mens boven God staan. Het woord theologie deugt dus eigenlijk niet. Het stamt uit de griekse filosofie en is in feite een erg hoogmoedig woord. Eigenlijk zou het in de kerk geen plaats mogen hebben, maar het is zo algemeen ingeburgerd dat het wel niet meer verdwijnen zal. ds M. R. van den Berg in "Hoe lezen we de Bijbel?" (hulp bij Bijbelstudie 20) |