Landverhuizers en landverhuizers
1987-09-11
In Godes vrees te leven - Jaargang 31
- nummer 34
Heb ick altijts getracht;
Daerom ben ick verdreven,
Van Lant en goet gebracht.
Vriendenhand reikte ons een boekje aan (1) dat ons danig getroffen heeft. Het gaat over twee wijze Indiaanse vrouwen, is opgedragen aan twee wijze vrouwen en is geschreven door twee wijze vrouwen. (Want sommige mannen mogen intelligent zijn, vrouwen zijn soms wijs.) De schrijfsters vormden met haar namen een derde naam, die als pseudoniem dient. Beide dames doceren aan de Iowa Universiteit in de Verenigde Staten, en haar verhaal is niet gefingeerd - maar een stukje historie van omstreeks 1845-1855. In 1845 zijn namelijk de Meskwakie Indianen uit het hart van Iowa door de Amerikaanse regering verjaagd. Ze werden uit hun leef gebieden gehaald en samengebracht in een reservaat in de staat Kansas. Zoals overal elders de Indianen zijn verdreven, om plaats te maken voor meer ontwikkelde volken.
In die onnatuurlijke reservaten ontvingen de stammen een zeker jaargeld om te bestaan - maar hun jacht en visserij, hun kennis van strijd en wilde planten, gingen verloren. In een nutteloos bestaan gingen ook hun cultuur, hun tradities, hun religie en hun zelfrespect verloren.
In plaats daarvan verschaften de Europeanen (de meer ontwikkelde indringers ) hun geld, drank en besmettelijke ziekten, waartegen de natuurlijke geneesmiddelen niet opgewassen waren.
Het gevolg was dat de reservaat-Indianen verpauperden, als wezens van lagere orde wegkwijnden en grotendeels uitstierven.
De twee wijze vrouwen, die de lijn van dit verhaal bepalen, waren grootmoeder Grijze Meeuwen haar kleindochter Verscholen Hinde. Beide waren medicijnvrouw, dat wil zeggen: opgevoed in zelfbeheersing, waakzaamheid, naastenliefde, kennis van geneeskrachtige en heilzame kruiden, spoorzoekers en draagsters van de eeuwenoude Indianencultuur. Doordat grootmoeder Grijze Meeuw niet met de uittocht meeging, doch zich op haar geboortegrond verschool en daar contact hield met andere ondergedoken weigeraars, kon ze later een groep Meskwakie-Indianen doen terugkeren op hun thans zelfgekochte grond, om daar tot op de dag van heden hun vrije Indianen-cultuur hoog te houden.
De kleindochter Verscholen Hinde bemerkte al zeer jong, dat haar grootmoeder altijd wist wat ze uitvoerde. Was haar gedrag onwijs geweest, door kinderlijk plezier met andere jonge meisjes, dan wachtte haar een straf van vasten en een nieuwe reeks lessen, hetzij mattenvlechten, grondbewerken, kruidenzoeken of andere vrouwenarbeid.
De helderziende kennis van grootmoeder verklaarde deze met: "hoe weet de berin waar haar jong is?".
Bij de geboorte van Verscholen Hinde had grootmoeder geprofeteerd: "een leven, gewassen in verdriet en schoongespoeld in vreugde"; van haar achterkleindochter zei ze: "een leven, vrij van angst, ze zal boven het verdriet uitstijgen".
Haar absolute weerzin tegen de Europeanen, die haar stam de grond afnamen en haar volk opsloten, stempelt het hele boek. Ze wist dat de Europeanen (de nieuwe Amerikanen) geen goeds, enkel slechts brachten. Grond afnemen was meer dan diefstal, ook al betaalde de regering er achteraf voor.
"De grond is niet van ons - maar wij zijn van de grond!"
Wij kennen uit de litteratuur - en we hoeven niet bij Karl May te blijven veel verhalen over de "wilde Indianen". De psalmberijmers van 1773 moeten hier aan gedacht hebben, toen ze de "wildste volken" creëerde in psalm 22. De bijbel spreekt niet van wilde volken, maar van mensen die naar Gods beeld zijn geschapen. En de manier om deze Indianen, die Gods zedewet in hun hart meedroegen (2), te vangen en op te bergen, tekent de mateloze zelfoverschatting van Europeanen, die "es so herrlich weit gebracht" hadden (3) en zichzelf tot superras en voogden van Gods wereld opwierpen. Stel hier tegenover de simpele zede wet der Meskwakies: Behandel oude mensen goed;
lieg niet;
steel niet;
word niet boos;
wees vriendelijk voor alle mensen;
deel wat je hebt met andere mensen.
"Dat is", zei grootmoeder Grijze Meeuw, "de traditie van ons volk".
Grijze Meeuw liet haar kleindochter, toen die tot volwassenheid kwam, tien dagen in eenzaamheid achter: "denk die tien dagen na over mijn lessen".
Daarop volgden nog tien andere dagen van retraite: "denk na over wie je bent, luister naar het spreken der bladeren, kijk hoe de tortel haar nest bouwt, hoe de bever haar jongen verzorgt. Denk aan verborgen paden en leer ze volgen".
Als de mannen besprekingen hielden zwegen de vrouwen, Maar achteraf murmelden de vrouwen de beslissingen, die de mannen uitvoerden. Want zij, de vrouwen, droegen de traditie en hadden besef van wat goed is. De mannen reden te paard - de vrouwen gingen te voet en droegen de lasten. Maar ze leerden haar dochters: "neem nooit de man die je begeert, maar de man die je eert". En als een jongeman tot in de hut van een meisje doordrong en haar "te spreken" vroeg maar geen antwoord kreeg - bleef deze afwijzing het geheim van die twee. De eer van beiden en hun toekomst stond immers op het spel- en zo de eer van de stam! Ouders beslisten, kinderen volgden, Zo was het goed.
Dat "delen met elkaar" is een verrukkelijk thema in dit schone boekje, Wie wat heeft, dat de ander evenzeer nodig heeft ... "wijs niet af wie te leen vraagt", zei Mozes, Wie geneeskrachtige kruiden had en zijn naaste ziek aantrof/ zou vanzelfsprekend alles doen om hem te genezen. Het doet denken aan de eerste christenen: ze hadden alles gemeen en niemand noemde iets zijn eigendom.
En aan wat Jacobus schreef: wie weet goed te doen en dat nalaat, dat is hem zonde.
Het is een treurig stukje historie, dat de schrijfsters overleveren: dat christelijke Europeanen deze mensen hun, manieren, hun onderwijs, hun religie oplegden - zonder daar zelf aan te tillen. De eerste blanke vrouw, die Verscholen Hinde, uitgeput en verhongerd van een wekenlange voettocht opnam was geen Amerikaanse, maar een Kelt uit Wales.
De eerste blanke man, die de teruggekeerde
Indianen verwelkomde en opving was geen Spaanse Katholiek of Nederlandse Afgescheidene - maar een Quaker.
Ja, want dit verslag speelt in de jaren waarin onze landverhuizers in Amerika een nieuw vaderland zochten. Het was in 1847 dat ds H. P. Scholte zijn eerste Nederlandse afgescheiden emigranten opwachtte ... in het hartje van Iowa!
Daar kocht hij 50.000 hectare grond om de stad Pella te stichten. Hij was bevriend met de gouveneur, gebruikte
voorkennis van regeringsplannen (vandaag een absoluut delict), kocht de grond voor $1 per arce en werd staatsambtenaar (4). Door middel van gekochte claims (rechten van eerste koop) verzekerde hij zijn gemeente tegen indringers en grondspeculanten; en inderdaad was die grond in 1849 al het tienvoudige waard (5): Dit bevestigt wat het .boekje vertelt: dat de weinige teruggekeerde Indianen hun eigen grond voor ruim $10 per arce terugkochten (6).
Het feit dat deze landverhuizers ginds de Indianen-gronden goedkoop verwierven en het overblijfsel der plaatselijke Indianen er zwaar voor moest betalen, werpt een bijzonder licht op onze voorouders. Zelf wisten die wat het was: de geboortegrond te moeten verlaten.
Toch deden zij het de "wilden" aan. Zelf wisten ze van onrecht, terreur, gevangenis en boetes, Maar toen ze ds Scholte verdachten van zwendel en wanbeheer, hem beschuldigden, schorsten, afzetten en trachtten op te hangen was er niet veel van de christelijke moraal overgebleven, Scholte mag dan later in eer zijn hersteld - maar zulk een behandeling komt geen mens te boven. Zijn eind was een hartverlamming.
Wij eindigen met een stukje uit dit boek.
Wanneer Verscholen Hinde ten huwelijk is gevraagd door Snelle Adelaar en besloten heeft haar hut en leven met hem te gaan delen, zitten ze mager en uitgeput als prairiewolven aan het einde van de winter - in het maanlicht. Het is aan het eind van de thuisreis.
We zaten een eindje uit elkaar. We raakten elkaar alleen met onze ogen aan.
"De weg die we voor ons hebben is lang". Hij sprak langzaam.
"Slechts één zon scheidt ons van mijn grootmoeder".
"Ik spreek van manen en seizoenen.
Niet van zonnen. Ons land verwacht ons. We hebben geen akkers. We hebben geen oogst. We hebben maar weinig zaad voor het planten, En spoedig zullen de wind en de sneeuw om onze hutten razen. Onze kinderen zullen huiIen van de honger, Onze oude mensen zullen sterven. We zullen feesten in verdriet en vasten in vreugde".
Ik hoorde angst in zijn stem.
"We zullen zijn... " zei ik en even zwijgend om naar woorden te zoeken, "we zullen zijn als zaadjes, verborgen onder de sneeuw. Ieder wacht om zijn plaats op het land in te nemen. Zo zullen wij, als, zaad, in stand blijven".
"Je spreekt wijze woorden", zei hij en hief zijn gezicht op naar de hemel. Ja als de stroom van sterren, die boven ons vliedt, zo is ons volk, Wat is geweest.
Wat is. Wat zal zijn. Allen zijn een."
"Allen zijn een", zei ik. "Het zaad, de plant. De oogst".
1) Hadley Irwin, "Hidden Doe", Baarn 1981
2) Rom. 1:19,20
3) J. W. Goethe inleiding op Faust I
4) hij werd schoolinspecteur, notaris en vrederechter
5) zie ons artikel: "Leider van de landverhuizing", Opb.16-2-1979
6) $735 was onvoldoende voor de eerste 80 acres of 32 hectare.