Recht van God gesproken? (3)
1987-09-18
In het voorgaande spraken we over de kaping die Job trof, en waarvan zijn geloof de inzet was. Vervolgens zagen we hoe hij, opgejaagd door de theologie van zijn vrienden, de HERE bestormde met zijn klachten en aanklachten, - waarbij hij toch op niemand anders een beroep deed dan op diezelfde HERE! Deze keer over: - Jaargang 31
- nummer 35
Gods antwoord uit het onweer
Het is rabbi Kushner die ons er op attendeert dat Gods antwoord aan Job niet uit de lucht komt vallen. Hij schrijft: "(de auteur) laat Job gebruik maken van een principe uit de bijbelse strafwetgeving: als een man van een misdaad beschuldigd wordt zonder dat daar bewijzen voor zijn, mag hij een eed afleggen dat hij onschuldig is.
Op dat moment moet de aanklager óf met bewijzen tegen hem komen, óf zijn aanklacht intrekken" (38). Jobs pleidooi van onschuld vinden we in hfdstt 29, 30 en 31. Dat loopt uit op een uitdaging aan de HERE, 31:35: de Almachtige antwoordde mij! Dáárop is de verschijning van de HERE in het onweer antwoord.
Het is merkwaardig dat de geestelijke winst van dit inzicht in Kushners verdere betoog eigenlijk niet meer te vinden is. M.i. is die er toch duidelijk! De HERE, die het nam dat Job Hem bestormde met zijn aanklachten, is zó ontfermend tegenover Zijn knecht, dat Hij op de uitdaging ingaat. Gelijk een Vader liefdevol zijn armen slaat om Zijn kind ...
Maat is het antwoord van de HERE nu ook antwoord?
Velen vinden van niet. Omdat het Job niet uit de doeken doet hoe en waarom het tot zijn lijden gekomen is. Het ligt er maar aan wat men onder het woordeke 'antwoord' verstaat. Als dat is: tekst en uitleg geven en verantwoording afleggen, neen dan is dit geen antwoord. Maar is dat wel zo juist? Of is het meer een uiting van de hoge mens van onze cultuur die vindt dat de Almachtige gedaagde kan zijn voor zijn tribunalen?
Dit is niet een antwoord in die zin, dat de HERE zich voegt naar de eisen van de mens die Hem dagvaardt. Alleen, - is er óók niet een antwoord dat de vragen verbetert? Kunnen we, niet dàt van de HERE verwachten; een antwoorden dat de twijfel stilt en hèt
verlangen, dat ons in liefde houdt omvangen (Ps 73:9 nw. ber.)? Dat is het grote van dit antwoorden van de HERE, dat Hij Zijn kind dat tegen Hem opvliegt, opvangt en vasthoudt en bij brengt!
Op dit moment herinneren we ons, dat Job als gevolg van de theologie der vrienden in een dilemma is getrapt.
Dit dilemma: de HERE is rechtvaardig en dan is Job niet rechtvaardig. Of: Job is rechtvaardig, maar dan is de HERE het niet. De vrienden hebben onomwonden gekozen voor het eerste. Van de weeromstuit is Job steeds krachtiger zich gaan vastbijten in het laatste.
Als de HERE nu Job antwoordt, zullen we daarin maar heel weinig vinden van een verklaring, een zelfrechtvaardiging van de HERE. Toch is het een heerlijk antwoord. Want de HERE wringt hier Job los uit dat hele radeloze, verkeerde dilemma! Hfdst 38 begint er immers mee, dat de HERE Job tegemoet treedt met de vraag waarom hij het beleid van de HERE zwart maakt, zonder te weten, waar hij over praat. Zeker, de HERE rekent ermee dat Job in radeloosheid zover kwam! Maar het absurde van Jobs zich-willen-meten-met-God laat de HERE voelen in de scène die Hij nu op gaat voeren: Job moet zich dan maar met Hem meten in kracht en verstand door Hem te onderrichten als 'meerdere' te leren over de schepping.
Neen, de HERE overdondert lob hier/niet met Zijn macht, zoals velen denken. Hier is dit aan de hand: als u, Job, zich dan met Mij wilt meten, vertel Me dan eens, hoe dat zat met het bedwingen van de chaos, en het wijzen en stellen van grenzen aan de zee! Wat hebt u te vertellen over het leiden van het weer en in het besturen van de sterren! En zo gaat dat maar door, steeds over het beheren en beheersen.
De HERE zet de puntjes op de i, in dit door Job geëiste geding. God neemt Job het door hemzelf geëiste examen af, niet om Job af te tuigen maar om hem te overtuigen (zo F. van Deursen ). En dat doet God omdat dat hele exámen niet deugt! En dat moet Job inzien en erkennen!
Zo valt Job met een schok terug in de realiteit. Hij legt de hand op de mond en verzekert: dàt doe ik niet weer!
Een hele verbetering, maar de HERE is nog niet tevreden. En geen wonder!
Als Job zegt: ik ben te gering, met U kàn ik me nooit meten, - dan zóu dat de nederigheid kunnen zijn van de, weerstrévige! Die toch èigenlijk in zijn hart zich beklaagt: kimt U wel, machtige God, tegen een klein mens!?
Ik beweer: 'dat is de HERE niet goed genoeg. Hij wil Job niet als een verslagen mokkende tegenstander, maar aIs Zijn vertrouwende knecht. Dáárom is er die tweede rede van de HERE aan Jobs adres. Waarvan m.i. de kern te vinden is in 40: 1-9. Duidelijk is waar de HERE het zwaartepunt hier legt: Job wilde de HERE in het ongelijk stellen om zelf gelijk te hebben, 40:3b. Dat was toch het dilemma waarin hij zich radeloos had laten vangen? De HERE neemt Job zeer serieus! Mijn knecht, als u zich dan met Mij wilt meten, wéés dan Mijn gelijke, Mijn meerdere zelfs in macht en gezag!
Neen dat betekent niet dat de HERE er een machtszaak van maakt, en dan moet Job het natuurlijk verliezen!
Geen pochende God tegenover een Job die daar niet van terug heeft!
Want in Zijn woorden laat de HERE nu binnensluipen de strijd, het rechtsgeding dat Hij voert, en waarin Hij Zijn macht en luister toont. Lèzen we, maar mee: stort uw ziedende toorn uit, zie al wat trots is en werp het terneer!
Dàt is immers de taak die de waarachtige God op Zich genomen heeft voor ons mensen? De opstand neerslaan, de haters bedwingen, Zijn recht voor en op mensen doen zegevieren!
Neen, deze woorden doen niet alles uit de doeken van Gods geding met de satan, wiens laster de HERE, niet kàn laten bestaan. Wèl laten deze woorden voelen dat er is een gigantische strijd van de HERE om ons mensen tégen de trotse en alles wat zich in zijn gevolg bevindt. De HERE zegt dit opdat we zullen weten van dat geding om ons, waarvan wij inzet eh betrokkene zijn in ons geloof, en dat God alleen uit kan vechten.
Iets wat wij niet kunnen doorgronden, maar waarin wij de God die het pleit beslecht wèl kunnen en moeten vertróuwen.
We moeten hier beseffen de zinspeling van de HERE op Zijn geding om de opstandige macht en de waanzinnige leugen van de satan er onder te krijgen en op te sluiten in de buitenste duisternis dat te peilen is voor ons te hoog gegrepen. Centraal staat daarom wat wèl moet: dat we déze God vertrouwen kunnen en willen.
Want was dát niet juist de geniepige suggestie van de boze, dat mensen die zich op de heilige, waarachtige God verlaten, niet bestaan, niet kunnen bestaan?
Daarom is dit het hart van Gods antwoord: goed, Job, als ti. het dan beter kunt, néém dan maar van Mij over de strijd tegen de boze en het geding tegen hem die Mijn recht betwist!
Zoals een boer die met de hand aan het maaien was, vroeger, deed met zijn jengelende kleine jongen die meende dat hij dat ook wel kon. Dan geeft zo'n vader soms zo'n kind éven die zeis in handen, laat éven voelen welk een kracht en inspanning er nodig is voor het werk dat vader alléén kán! Dat doet Hij niet om Zijn kind te vernederen. Maar om het te Ieren rekenen op die Váder die hij heeft!
En is dat antwoord of niet? Vandaar Gods spreken over de voorwereldlijke dieren die Hij schiepen beheerst en bedwingt. Want dat bedwingen door God is het hoofdthema hier.
En zó gaat Job hier door de knieën.
Niet als klein mens overdonderd door de machtige God. Maar als iemand die wijs wordt omdat de HERE zo vriendelijk is hem wijs te maken. Hij heeft berouw over zijn grote woorden.
Zit neer in stof en as. Niet stof en as van ellende, maar van echt berouw.
Opgevangen als hij is door zijn God die hem terecht brengt.
Hier zien we ook hoe in dit boek de weg wordt gebaand voor Hem die dàt zou doen wat zelfs geen Job kon: de wereld winnen en de machtigste vijand slaan. Voor Jezus Christus, de rechtvaardige. Verheugen wij ons dan in Hem. Zeggen wij het dan: Gij gaat ons voor, Gij zult ons niet ontbreken, - Gij, Hogepriester in der eeuwigheid!
Lied 173:3.