De echte revolutie in Tripoli
2011-03-18
Gefeliciteerd! Zo zou ik mijn bespreking willen beginnen. Het getuigt van moed en beleid om in deze tijd van malaise op het kerkelijk erf met een hertaling te komen. Dit geldt vooral als we bedenken dat de doelgroep - de rechterflank van de Gereformeerde gezindte - gefragmenteerd is en niet uitblinkt door eenstemmigheid als het om vertaalvragen en -wensen gaat. Alleen daarom al mag de verantwoordelijke stichting rekenen op onze sympathie. - Jaargang 55
- nummer 6
Vanaf kansels hebben we inmiddels al heel wat kritische kanttekeningen over de Nieuwe Bijbelvertaling gehoord.
Al dan niet terecht, tegen die achtergrond zal deze jongste spruit in Bijbelvertaalland, de HSV dus, ook voor Nederlands Gereformeerden een aanwinst zijn. Zeker voor gebruik op Bijbelkringen. Andere vertaalkeuzen maken immers opmerkzaam: wat staat er eigenlijk? Ik zal mij tot enkele opmerkingen bij het boek Romeinen beperken.
Uitgangspunten
Wie de bijgeleverde verantwoording leest ziet dat men voorzichtig, verantwoord en zoveel mogelijk consistent te werk heeft willen gaan. De werkwijze en de interpretatie van de Statenvertalers dienden zoveel mogelijk gevolgd te worden. Alleen wanneer uit recenter onderzoek afdoende is gebleken dat de Statenvertalers een onjuiste uitleg volgden, wordt deze gecorrigeerd in de HSV.
Dat maakt een eerlijke beoordeling nog bijzonder lastig. Want: wat is verantwoord?
Dat de HSV-vertalers in navolging van de SV de Textus Receptus of Byzantijnse teksttraditie als basis kozen?1 Velen zullen het meer verantwoord vinden uit te gaan van oudere handschriften, die uitgangspunt vormen voor de meeste moderne vertalingen. En: waar is het monument-karakter van de SV terecht gerespecteerd en waar niet?
De HSV presenteert zichzelf nadrukkelijk als herziening van de Statenvertaling. Gezien de doelgroep, de jongere generatie van kerken waar men nog zo hecht aan de Statenvertaling, is dat begrijpelijk.
Maar het resultaat is niettemin een vertaling. De vraag waardoor ik mij vooral zal laten leiden, is of de HSV vooruitgang betekent ten opzichte van de NBG-’51-vertaling. Al ga ik vergelijkingen met de NBV en andere recente vertalingen niet uit de weg.
Vertrouwde uitstraling
Het exemplaar dat uitgangspunt is voor mijn impressie oogt degelijk en aantrekkelijk, met een geel ornament op bruine achtergrond. Het omslag ligt prettig in de hand en is naar mijn smaak passend voor een Bijbel. Het gebruikte papier, zo wordt ons voorin het boek meegedeeld, is van ‘vertrouwde herkomst’ – of dit nu op een milieuvriendelijke productiewijze slaat, of op een christelijke papierfabriek zonder kinderarbeid, – het geeft een goede indruk.
Datzelfde geldt van de typografie, de rustige tussenkopjes, de voetnoten, en vooral de verwijzingen naar andere Bijbelgedeelten. Hierdoor kan de Bijbel in zijn samenhangen gelezen en bestudeerd worden. Bij het veelvuldige gebruik van de eerbiedshoofdletter stond ds. Veefkind al stil.
Hierover dus kort. Al gaat de HSV hier verder dan de SV in zijn eerste drukken, het gebruik van de eerbiedshoofdletter is inmiddels een ingeburgerde en waardevolle traditie in bijbelminnend Nederland. Een traditie om hoog te houden! Een beroep op Griekse tekstuitgaven, email-conventies of het Duits lijkt mij hier misplaatst! Het hoofdlettergebruik in het Liedboek der Kerken wijst, lijkt mij, de juiste middenweg.
Dus wel een hoofdletter bij Hij / Hem / Gij / U als God of Christus bedoeld is, maar niet bij bezittelijke, betrekkelijke of wederkerige voornaamvoorden. Of Evangelie, Naam, Pinksterdag enz. allemaal met een hoofdletter moeten, dat
laat ik nu rusten
Juiste toon
Het is de toon die de muziek maakt, dat geldt zeker voor Bijbelvertalingen.
Voluit de juiste toon is getroffen door de zinvolgorde van Romeinen 1:4: ‘met kracht bewezen te zijn de Zoon van God’. De verhoogde Christus wordt hier onomwonden beleden als de Zoon van God. De HSV heeft hier een flinke streep vóór op de NBV (daar: ‘een mens voortgekomen uit… aangewezen als Zoon van God’). Het menszijn van Christus kreeg in de NBV op deze plaats teveel nadruk, een onbalans die de HSV nu, in lijn met de grondtekst, terecht corrigeert.
De tweeslag ‘naar het vlees’ en ‘naar de Geest’ is typerend voor Paulus en moet als zodanig gehandhaafd blijven.
Een vraagje is wel of het plechtige ‘te zijn’ (een germanisme?) hier goed gekozen is. Waarom niet gewoon: is met kracht bewezen dat Hij Gods Zoon is? Maar dit is een kruimel, want de hoofdzaak, de kijk op Christus (de christologie in theologenjargon) is hier in veilige handen.
Van minder belang, maar toch een gemiste kans, is dat het Paulus weer niet toegestaan is zich te presenteren als slaaf, wat het Griekse doulos primair betekent (1:1). De classicus Koolschijn is hier met zijn vertaling voorlopig nog een eenzame koploper.2 Het veelgebruikte ‘dienstknecht’ – zo mooi aansluitend bij de status van de V.D.M. – laat te weinig uitkomen dat Paulus zich zo identificeerde met een groot deel van de christusmensen in Rome die onvrij waren, en dat hij zodoende dynamiet legde onder de bestaande patronaatsverhoudingen.
Paulus was allang van plan Rome te bezoeken om ‘u in enige geestelijke genadegave te laten delen’.3 Hij vroeg God er steeds om, het was een diepgeworteld verlangen. De NBG’51, de Naardense Bijbel (2004) en Koolschijn (2009) vertaalden daarom terecht ‘eindelijk eens’ in 1:10. Het minder uitbundige ‘eens’ van de HSV schept wel een geur van terughoudendheid en godvrezendheid – je zou het als contextualisering richting de doelgroep kunnen waarderen –, maar het ‘eindelijk eens’ geeft de bedoeling van het Grieks beter weer, zowel op woordniveau als in het zins- en briefverband.
Dat Paulus allang plannen met betrekking tot Rome koesterde, mag ook in de toon van 1:10 uitkomen. In aansluiting hierop ben ik niet zo gelukkig met de woordkeus in Romeinen 1:15 voor ‘Zo is wat in mij is, gewillig...’.
Het Nederlands klinkt hier vreemd en het ‘gewillig’ is te onderkoeld. Letterlijker dan NBG’51 en NBV biedt Koolschijn hier een vertaling die toch nog goed communiceert: Vandaar bij mij de wens ook u, in Rome de goede boodschap te brengen.
Dierbare taal
Wat betreft Romeinen 1:16 sluit ik mij aan bij ds. W. Steenbergen, als hij schrijft dat ‘zaligheid’ het Griekse sootèria (‘behoud’, ‘redding’) niet goed weergeeft.4 Hier en ook bij de keuze voor ‘verdoemenis’ in 8:1 (vgl. NBG’51 ‘veroordeling’) en ‘ondervinding’ in 5:4 (vgl. NBG’51 ‘beproefdheid’) zie ik een teveel aan piëteit voor gevoelens van de doelgroep. Gezien de dierbare bijklanken bij ‘zaligheid’ zou je hier en elders iets verwachten dat ook de notie bevrijding communiceert. Wat Paulus bedoelde met sootèria is meer dan bevestiging van de zo dominerende wens naar persoonlijk welbevinden. Een keuze voor ‘redding’ of ‘behoud’ zou ook consistent zijn met werkwoord ‘behouden’ (vgl. Romeinen 11:14).
Revolutie in Tripoli?
Met een knipoog naar de actualiteit nu even een uitstapje naar Tripoli. Daar vond in de tijd van Augustinus al een heuse revolutie plaats, in de strijd om dierbare woorden. Wat gebeurde er? In de kerk van Oea, zoals Tripoli toen heette, was voor het eerst uit het boek Jona in de vertaling van Hiëronymus gelezen. Anders dan de gangbare Latijnse vertaling, ging deze voor zijn vertaling van de wonderboom terug naar de Hebreeuws grondtekst (qiqajon).
Toen de mensen Jona 4:6 hoorden verlieten zij onder luid protest de kerk, terwijl ze scandeerden: ‘Non est hedera, sed cucurbita – het is geen klimop, maar pompoen’.5 Daaraan lag wel een godvrezende houding ten grondslag, maar ook onkunde. Hiëronymus’ pleidooi voor een verantwoorde weergave van de grondtekst heeft het uiteindelijk gewonnen, bij Augustinus en later. Dat was de echte revolutie, niet het weglopen van de ijveraars voor dierbare woorden, al blijft het overgeleverde geloofsidioom van waarde bij de vertolking.
Schilderen
Romeinen 1:32 biedt met ‘instemmen’ op zich een correcte vertaling. Ook al is die te waarderen om zijn soberheid, toch zou nadere inkleuring vanuit het tekstgeheel hier een verrijking betekenen.
Qua schildering verdient ‘bijval schenken’ (NBG’51) of ‘toejuichen’ (NBV) toch de voorkeur. Verba valent usu – de woorden krijgen hun waarde door het gebruik in het tekstverband –, dat is een vertaalprincipe dat vaak nog te weinig aandacht krijgt.
Dit punt vraagt om enige uitleg. Het is een kwestie van beeldvorming. Zie het ‘ten onder houden’ (NBG’51) van de waarheid in 1:18. Met deze beeldspraak riep de apostel een voortdurende worstelpartij en daarmee de arena voor de geest. Het ‘bijval schenken’ in de slotzin (1:32b) bevestigt dit beeld. Sympathie uiten en dat op dramatische wijze, zoals men dat in de arena deed, daar gaat het om in vs. 32.
Is dit dan geen woord uit de wereld van de filosofen? Ja, maar die plachten net als Paulus graag beeldende taal uit de sportwereld te gebruiken (vgl. 1 Korintiërs 9:26). De perikoop van Romeinen 1:18-32 laat zien dat de Grieks-
Romeinse cultuur als geheel onder het oordeel valt. Dat geldt evenzeer van de Joodse wereld voor zover die zich nog op het vlees van Abraham beroemde (vgl. 4:1,19). Zo bewijst Paulus dat er ‘geen aanzien des persoons’ is bij God.
Hierover zijn NBG’51 en HSV het dan weer eens. Romeinen 2:11 in de HSV maakt met ‘aanzien des persoons’ dus een keuze die binnen de gekozen strategie goed past.
Exegetisch goud
Heel waardevol is dat de HSV tegen de stroom durft in te gaan. Zo vertaalde men in 2:8 de grondtekst onomwonden met ‘twistziek’. De NBG’51 zat er hier met ‘zichzelf zoeken’ naast, geleerde woordenboeken ten spijt. En de NBV heeft hier met ‘geldingsdrang’ nog iets van een compromis. Kan het zijn dat de HSV ook hier met een oogje op de eigen doelgroep vertaalt?
De gereformeerden kunnen er immers ook wat van! Wil deze keus voor ‘twistziek’ zinspelen op getwist in kerkelijke kring? Zo ja, dan zou hier sprake zijn van contextualiserende vertaling tegen de eigen vleug in. Hoe dan ook, de HSV volgt hier naar mijn overtuiging de juiste uitleg. Paulus heeft hier rivaliserende Joodse christenen voor ogen.
Iets dergelijks valt op te merken bij Romeinen 2:22b. In een reeks retorische vragen vraagt Paulus: Die gruwt van afgoden, pleegt gij tempelroof? De HSV houdt terecht aan dit laatste woord vast. De NBV kan zich voor ‘heiligschennis’ minder op de context beroepen.
Hier spoort de letterlijke vertaling ‘tempelroof’ juist wel met de strekking van de context. Paulus suggereert hier waarschijnlijk: wie het nog buiten Christus over de tempel heeft, die berooft haar (van de vervulling). En tegelijk mobiliseert hij bij de lezers verontwaardiging, want de Joden van Rome kenden hun geschiedenis: ze wisten dat geld ingezameld voor de tempelbelasting in Jeruzalem ooit ontvreemd was.
Alomvattende eredienst
Over Romeinen 12:1-2, een scharnierpunt in de brief, zou veel te zeggen zijn. De aansporing in deze verzen vormt een soort van climax. Mooi vind ik dat de HSV het offer weer naar voren haalde (t.o.v. de NBG’51). Paulus spoort aan ‘om uw lichamen aan God te wijden, als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk’. Hij vervolgt dan met een typering: ‘dat is uw redelijke godsdienst’. Alleen houdt het laatste woord naar mijn smaak een lichte versmalling in. Het gaat om latreia ‘eredienst’ die heel het leven omvat, ook buiten de kerkmuren.
Hier wordt een vraag beantwoord die sinds Romeinen 1:25 nog in de lucht hing. Die eredienst bestaat in het offer van het concreet lichamelijke leven.
Dat raakte ook statusverschillen. Het Griekse woord voor lichaam (sooma) is een tekstkenmerk dat de HSV terecht niet vervluchtigt tot ‘zichzelf’ (zo de NBV). Die nadruk op het concrete – die het zo letterlijk mogelijk vertalen met zich meebrengt – is mij sympathiek, alsook de eerbiedige geest die de hertaling als geheel overbrengt.
Ten slotte
Vergeleken met de winst van een goed orthodoxe christologie (in 1:4) is het meeste van wat ik zei maar van relatief belang. De hertalers van de HSV hielden als belangrijkste vertaalprincipe voor ogen de leesregel dat de Schriften vervuld zijn in Christus. Dat leverde een betrouwbare vertaling op. Alleen al om die insteek zou de HSV een plaatsje mogen krijgen op NGK- kansels.
Drs. Kees van der Ziel is Bijbelvertaler, missioloog en lid van de NGK Ede.