Bijbelse motieven
1987-10-02
In de bijbel komen we bepaalde motieven tegen. Sommige verhalen lijken op elkaar. Niet zozeer wat de personen of gebeurtenissen betreft, maar je herkent als het ware de melodie. "Zoiets is al vaker gebeurd", denk je dan. Met andere mensen in andere omstandigheden, maar het lijkt er op. Ik herken hier iets.- Jaargang 31
- nummer 37
Een paar van die motieven, die ik herkend meen te hebben, wil ik u hier doorgeven.
Het motief van het ongelofelijke begin
Als er in de bijbel grote dingen gaan gebeuren, dan valt op hoe onopvallend, hoe bescheiden, hoe ongèlofèlijk het begin vaak is. Nu is een onopvallend begin op zichzelf genomen niet zo vreemd. We zien wel vaker in de geschiedenis dat invloedrijke mensen.
op een bescheiden plaatsje geboren worden. Toen Napoleon werd geboren heeft, behalve zijn ouders, niemand die dag als iets bijzonders ervaren. In de Bijbel is het begin van belangrijke gebeurtenissen of tijdvakken niet alleen maar bescheiden, maar op het onwaarschijnlijke af.
Veel verhalen beginnen op een wijze - als je de afloop niet wist zou je aan het begin van het verhaal zeggen: "Dat wordt nooit wat".
Abraham uit Ur
De stamvader van het volk Israël wordt geroepen uit Ur der Chaldeeën.
Die plaats van herkomst heeft al iets stekeligs. Ur der Chaldeeën. Hij kwam uit Irak! Niet zo'n gunstige' buurt. Nu niet en toen niet.
Abrahams vader is naar het noorden getrokken, naar Haran. En vandaar gaat Abraham verder naar Kanaän.
Abraham moet rotsvast overtuigd zijn geweest dat de Here God hem zelf geroepen heeft, want hij is in een kansloze situatie. Een vreemdeling, een immigrant, die er rotsvast van overtuigd is dat zijn nageslacht het land zal bezitten, terwijl hij -en dat probleem wordt van jaar tot jaar groter- geen enkele zoon heeft om de kans op nageslacht open te houden. Abraham heeft nog een neef Lot, maar ook hij verdwijnt uit de gezichtskring. Anders had Abraham, met een beetje goede wil, Lot en zijn nageslacht nog kunnen adopteren.
Maar Lot gaat zijn eigen weg. Hij blijft geen bijwoner, hij wordt inwoner van de stad van de mens.
Abraham blijft alleen achter. Met al zijn personeel weliswaar, maar zonder zoon. Ja, wij kennen de afloop, maar iemand die het verhaal voor het eerst hoort zou toch zeggen: "Dat wordt nooit wat!"
Die vertwijfeling klinkt ook door in de woorden van Abraham in Gen. 15.
De Here zegt daar tegen Abraham: "Vrees niet, Ik ben uw schild, uw loon zal zeer groot zijn." Maar Abraham antwoordt: "Wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga." Kinderloos- letterlijk staat er: ontluisterd. Ik heb geen kinderen. Hoe kan het nu ooit nog iets worden met de belofte.
Kansloos.
Abraham wilde best. Hij wilde de Here ook nog wel een handje helpen om. de belofte mogelijk te maken. Samen met Sara wordt er een reddingsoperatie op touw gezet.
Abraham neemt een bijvrouw, Hagar, en het kind zal als het van Sara gelden: Een draagmoeder dus. En Ismaël wordt geboren. Maar hij zal de erfgenaam niet zijn, want hij is niet het kind van de belofte.
En als dan eindelijk Izaäk geboren wordt, kun je een zucht van verlichting slaken, maar - hoe dun is het draadje waaraan de belofte hangt.
Izaäk - als hij een flinke kou vat is de belofte in gevaar.
Sara sterft zonder kleinkinderen gezien te hebben. En de dood van Sara stelt Abraham voor een merkwaardig probleem.
Een graf in Kirtjath Arba
De begrafenis van Sara maakt Abrahams positie nog weer eens goed duidelijk. De plaats waar Sara begraven zal worden betekent namelijk principiële keuze. Immers, begraven deed men over het algemeen waar iemand thuis hoorde.
Bij de vaderen. In het familiegraf.
Denk in dit verband aan de begrafenis van Jakob en Jozef. Het graf van Sara zal ook het graf van Abraham worden.
En waar moet dat graf gevestigd worden.
In Haran, of nog verder terug in Ur? Abraham kiest voor Kanaän.
Hier hoort hij, dit is het land der belofte.
Maar hoe weinig lijkt dat er nu nog op. Dat is ook duidelijk als de naam wordt genoemd van de plaats waar Sara stierf: Khjath Arba, dat is Hebron.
Ja dat is Hebron maar het was toen Kirjath Arba.
Een stekelige naam.
In Jozua (14: 15) wordt die naam verklaard: stad van Arba, de Enakiet.
Een vreemd land was het met oude vijandige namen.
Hebron en Juda is wel hetzelfde maar toch weer heel iets anders dan Kirjath Arba in Kanaän, een naam waarvan alle stekels overeind staan, Hoe duidelijk blijkt de uitzichtloosheid van Abraham. Hij heeft niet eens een plaats om een graf te stichten.
De Hethieten, de bezitters van het land, zijn Abraham welgezind. Ze bieden hem een plaats aan in de keur van hun eigen grafsteden. Dat is een hele eer. Een uitnodiging tot assimilatie.
Abraham krijgt het aanbod om van bijwoner inwoner te worden.
Maar Abraham bedankt voor die eer en hij blijft bij zijn oorspronkelijke verzoek. Hij wil een eigen graf. Het eerste bezit in het land der belofte.
Dat getuigt van een groot geloof van Abraham, maar als je als objectieve buitenstaander zijn kansen inschat is het toch wel erg onwaarschijnlijk dat gebeuren zal wat God belooft heeft.
Eén vreemdeling tegenover de hele samenleving van de Hethieten. De Hethieten hadden een hoge beschaving, een stedelijke beschaving.
Abraham was nog een half-nomade.
Geen onbelangrijk man - een grootvorst noemen de Hethieten hemmaar toch geen bedreiging voor de Hethieten.
En dan is er nog dat andere gevaar.
Als Izaäk groter wordt zal hij dan vreemdeling blijven. Zal hij dan weerstand kunnen blijven bieden aan de verleidingen van de Hethtietische cultuur? Zal hij niet, net als Lot, intrekken in de stad van de mens.
Een vliegende start heeft de vervulling van de verbondsbelofte aan Abraham niet gemaakt. En dat zien we bij het vervolg van de geschiedenis vaker gebeuren.