Verantwoording (3)
1987-10-02
bij de principiële uitspraak van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Eindhoven dat de toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten op bijbelse gronden in principe verantwoord en gewenst is.- Jaargang 31
- nummer 37
Verschillende factoren zijn daarvoor aan te wijzen
1. De maatschappelijke omgeving
Om te beginnen: Paulus moet rekening houden met de maatschappelijke verhoudingen in zijn tijd - het evangelie gaat niet revolutionair te werk. Ondanks de vervulling van Joëls profetie kon hij geen vrijlating van alle slaven bevelen, noch in zijn brief aan Philemon, noch in zijn andere brieven. Evenmin als Petrus trouwens (1 Petr. 2: 18vv). Afschaffing van de slavernij op dat moment zou een economische ontwrichting hebben betekend. Evenmin kon hij, in de toenmalige verhoudingen, vrouwen gelijke rechten (b.v. handelingsbekwaamheid) toekennen als de (haar) mannen. Petrus noemt de vrouwen "brozer vaatwerk" - zij zijn "de zwakkeren": gelet op haar maatschappelijke en juridische positie in die tijd en op de economie die bij de gratie van lichaamlijke arbeid gedijde.
Paulus legt aan de vrouw beperkingen op. Die hangen samen met de toen geldende normen voor fatsoen bij optreden in het openbaar. Zowel Paulus als Petrus brengen "de 'tooi" (c.q. hoofdtooi) der vrouwen ter sprake (1 Tim. 2:9-15); 1 Kor. 11:2-16; 1 Petr. 3:1-6). Paulus vraagt de vrouw aan haar man onderdanig te zijn (zich te voegen naar de onderlinge orde) met verwijzing naar Adam en Eva, Petrus verwijst daarbij zelfs ,naar Sara, die "Abraham gehoorzaamde én hem heer (kurios) noemde" (1 Petr. 3:6).
2. Tijdelijke beperkingen vanuit "de wet
Toch is noch Paulus, noch Petrus vergeten, dat in de nieuwe bedeling de oude beperkingen naar geslacht, leeftijd en maatschappelijke positie verleden tijd zijn. Philemon krijgt zijn slaaf terug, maar "nu niet meer als slaaf, maar als meer dan een slaaf, als een geliefde broeder" (Philemon:16). En mannen krijgen te horen: "hebt u vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad, en zich voor haar overgegeven heeft.." (Ef. 5:25). Petrus wijst de mannen erop, dat hun vrouwen "mede-erfgenamen .des levens" zijn, aan wie zij "eer" moeten bewijzen (1 Petr. 3:7); net zoals hij van ieder vraagt eer te bewijzen aan de keizer, de stadhouders, kortom alle menselijke instellingen waaraan men zich moet onderwerpen, onderdanig moet zijn (1 Petr. 2:13-17).
Beide apostelen verwijzen naar "de wet" (de boeken van Mozes of ook het hele O.T.) bij het opleggen van beperkingen.
Maar het zijn door de toenmalige situatie vereiste beperkingen, evenals dat het geval was bij het apostelconvent in Jeruzalem. Daar heet het: "Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht." (Hand. 15:28). De Heilige Geest zelf stond achter die beperkingen - toch is ieder het er over eens, dat zij van tijdelijke aard waren. Wij meten, terecht, de verhouding tussen Jood en Griek (niet-Jood, heiden) naar het programma van de Geest in Hand. 2. Maar waarom zouden wij dat niet doen, wanneer het gaat om de verhouding manvrouw, met het oog op de gelijkberechtigdheid in de gemeente?
3. Hiërarchie in de oude kerk.
Er is nog een andere factor te noemen.
Het blijkt dat vrouwen uiteenlopende diensten in de gemeente hebben verricht, zoals het N.T. laat zien. Maar deze Schriftgegevens zijn in de kerk geaccepteerd zonder meer. D.w.z. zonder daaraan, in het licht van Hand. 2, enige consequenties te verbinden. Ze werden en worden tot uitzonderingen op de regel verklaard. Die regel is dan blijkbaar: alleen mannen verrichten (geordende) diensten. En dat ondanks het programma van de Geest, door Petrus verkondigd als het werkelijkheid geworden, evangelie (Hand. 2: 14-21), de vervulling (!) van Joëls profetie.
Deze gang van zaken is te verklaren uit de geschiedenis van de kerk. Al vrij snel werd het leven der vroeg-christelijke gemeenten overwoekerd door wat wij nu kennen als de rooms-katholieke organisatie.
Tussen de plaatselijke kerken en bisschoppen ontstond een strijd nota bene over de vraag wie de meeste, de eerste was (vgl. Marc. 9:34; Luc.9:46; 22:24). Deze strijd werd gewonnen door de bisschop en de kerk van Rome. Die bisschop was echter niet de eerste onder zijn gelijken. Nee, hij werd, sinds de negende eeuw, in onderscheiding van alle andere bisschoppen Papa, vader, paus. De kerk wordt patriarchaal gestempeld. Lang daarvoor' al werd ook "het oudtestamentisch begrip van het priesterschap overgebracht -op de ambtsdragers. Die ambtsdragers werden gezien als nieuwtestamentische . opvolgers van de oudtestamentische priesters en levieten. Zij zijn (als vroeger de stam van Levi) uitgenomen uit het volk en gewijd tot 's Heren dienst in zijn heiligdom, de tabernakel, thans de heilige katholieke kerk." En dat, terwijl de kwalificatie priesters en priesterschap in het N. T. nooit slaat op de "ambtsdragers" maar op de hele gemeente, alle gelovigen - als vervulling van Gods eigen belofte bij de sluiting van het oude verbond op de Sinaï (zie hiervoor resp. Openb. 1:6; 1 Petr. 2:5' en 9; Ex. 19:6).
Daarmee deed opnieuw 'haar intrede wat nu juist op Goede Vrijdag tot voltooid verleden tijd was verklaard: de 'hiërarchie. Door de overname van dit oudtestamentische model waren de vrouwen tegelijk volledig uitgeschakeld voor enige dienst: het O.T. kende geen priesteressen! De eis, dat geestelijken ongehuwd zouden blijven (het celibaat) versterkte deze tendens nog eens.
Het is nauwelijks te peilen, hoezeer deze ontwikkelingen hun stempel hebben gezet op de verhouding man-vrouw.
Dat kon des te gemakkelijker, omdat in de oude klassieke wereld de vrouw toch al als minderwaardige t.o.v. de man werd gezien. In plaats van dat de kerk zich ging ontwikkelen naar het evangelie van Hand. 2 en een voorbeeld ging geven van het heil, zoals God zich dat had voorgenomen, werden maatschappelijke misstanden gelegaliseerd. Ja, ze werden als Gods eigen wil en wet aan Christus' gemeente opgelegd. De toch al bestaande ongelijkwaardigheid werd versterkt. De patriarchale verhouding binnen het huwelijk en in de maatschappij kreeg vrij spel.
4. Geen herstel van de verhoudingen in de kerken van de Reformatie
De tijd van de reformatie bracht op dit punt weinig hervormingen. De kerk schrok pas wakker toen de beweging van de vrouwen-emancipatie allang op gang was gekomen. Sociale hervormingen kondigden zich aan (arbeiders, kinder- en vrouwenarbeid). De beginselen hiervoor werden geput uit de Franse Revolutie en de werken van Karl Marx.
Geen wonder, dat de kerk zich hier fel tegen verzette. Maar tegelijk zag zij (uitzonderingen daargelaten) op deze punten het evangelie over het hoofd. De Schrift moest dienen als bewijs, dat de arbeiders aan hun bazen en de vrouwen aan hun mannen ondergeschikt waren en dienden te blijven. De vrouw diende zich te houden bij de drie k's: de keuken, de kinderen en de kerk, daar was haar plaats. Een universitaire studie viel buiten het gezichtsveld. Zich bekwamen in de wetenschap lag niet op haar weg, nog daargelaten of zij er de capaciteiten voor had (maar zou zij minder geschikt zijn dan een man, bijv. voor .....vrouwenarts?).
De aversie van de kerk was begrijpelijk, maar het maatschappelijk bewustwordingsproces bleek niet te keren.
Met wantrouwen en argwaan zag de kerk die ontwikkelingen aan. Het proces van de gewenning deed zijn werk, maar een principiële positiebepaling ontbrak veelal. De argwaan was terecht: de beginselen van de Franse Revolutie (Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap) en de leer van Karl Marx (o.a. de klassestrijd) leiden tot verwording en ontaarding van het leven. De excessen openbaren zich steeds duidelijker op alle levensgebieden - ook in het gezin, ook in de verhouding kind-ouder, ook in de verhouding man-vrouw, ook in de verhouding werkgever-
werknemer, overheid-onderdaan enz., enz. Maar wantrouwen, passief verzet en verontwaardiging brengen geen enkele verbetering tot stand. Zij worden meewarig bezien als symbolen van dom conservatisme.
Velen zeggen: je mag de maatschappelijke verhoudingen niet als norm nemen en de bijbel daaraan aanpassen.
Maar dat is nu juist wat van het begin af aan gebeurd is - zelfs met behulp van het N.T., waarop men zich dan (zij het ter goeder trouw) ten onrechte, willekeurig en zonder zicht op de geleidelijke ontplooiïng van het heil, beriep.
Roeping van de gemeente: vervulling van het heilsplan
Op Christus' gemeente rust echter de taak aan de wereld voor te leven wat Gods heilswil is, hoede onderlinge verhoudingen in zijn Koninkrijk zijn geregeld.
Christenen zijn Gods medearbeiders.
Zij vinden hun program niet in de Franse Revolutie of in de werken van Karl Marx, Hun program staat voluit uitgeschreven - met name - in Hand. 2, maar je kunt ook zeggen in heel de Schrift. Wanneer Christenen zich daardoor laten gezeggen, leiden zij een "voorbeeldig" leven en zijn zij leesbare brieven van Christus in een veelal onchristelijke, godloze maatschappij.
Grond van de conclusie van de kerkeraad
De conclus ie van de kerkeraad is gebaseerd op de doorgaande lijn in de Heilige Schrift, niet op losse teksten of het wegwerken van losse teksten. Men moet oog hebben voor het perspectief dat de Heilige Schrift zelf biedt: de voortgang en de ontplooiïng van het heil, zoals dat God voor ogen staat en waar Hij in de Schriften van spreekt.
Op sommige punten is de kerk dat bijna "als vanzelf' gaan zien. In de tijd van de reformatie groeide het inzicht in het "alleen door geloof, alleen door genade"
op een verbazingwekkende wijze (Luther). De Geest des Heren verlichtte hart en verstand tot het verstaan van het evangelie (denk ook aan Calvijn).
Nu staan wij voor de vraag naar de plaats van de vrouw in de gemeente.
Zomin als uitspraken van Paulus verhinder( d)en na te denken over bijv. de positie van slaven, zomin belemmeren andere uitspraken het antwoord op de vraag: wat is naar Gods bedoeling de plaats van (de man en) de vrouw?