"Met open vizier" (4)
1987-10-02
Samenwerking met "anderen"- Jaargang 31
- nummer 37
Wanneer aan Prof. Kamphuis de vraag voorgelegd wordt of hij na de breuk van 1944 verwachtingheeft gehad van herstel, is het antwoord: Nee. Dat kan ik in alle oprechtheid zeggen, daar heb iknooit op gehoopt. .... de breuk lag al voor de Vrijmaking en de Vrijmaking was het herstel van de breuk. (pg 45) Hij zegt ook zonder aarzeling van de Geref. Kerk (s) in zijn eerste gemeente dat het een valse kerk was.
Eén en ander heeft gevolgen t.a.v. samenwerking met broeders en zusters met wie men kerkelijk niet één is en zo had de professor in zijn jeugd al bezwaren tegen de titel van een referaat: Hervormd en dus antirevolutionair van wijlen Prof. Severijn. In de dagen van de vrijmaking heeft hij zich verzet tegen pogingen om het studentencorps met een beroep op de gemeenschap der heiligen bijeen te houden en over de Calvinistische Studentenbeweging zegt hij dat die na 1944 niet bij elkaar mocht blijven, dat was corrupt.
Aan deze "beginselen" is Prof. K. trouw gebleven, zoals o.a. blijkt uit zijn optreden op een vergadering van verontruste G.P.V.ers, die bezwaren hadden tegen vormen van samenwerking met het R.P.F. en de S.G.P. in lijstverbindingen e.d.
Heb ik de professor goed begrepen dan is zijn bezwaar dat bij interkerkelijke samenwerking de wezenlijke vragen onder tafel kunnen gaan.
Het is een duidelijke positiekeus - wel haast uniek - maar het geeft de geïnterviewde niet het recht om anderen die de vrijmaking hebben ervaren als een noodzakelijke, maar zeer te betreuren scheiding tussen broeders en zusters van hetzelfde huis en die samenwerking met christenen, die kerkelijk gescheiden van ons leven niet bij voorbaat verwerpen een soort corruptie te verwijten.
Hoort de geboden eenheid van allen die van Christus zijn niet tot de wezenlijke zaken? Wel is mij intussen duidelijk geworden waarom broeders en zusters met andere geloofsinzichten, aanvankelijk als dom - zij zagen het niet - en later als onbetrouwbaar werden gezien.
Het is niet zo verwonderlijk dat, Prof. Kamphuis, naar hij zelf in het interview vertelt, op een gegeven moment heel scherp tegenover Prof. Schilder kwam te staan. In geding was de vraag of een chr. gereformeerd' student aan de school in Kampen lid mocht worden van het studentencorps.
Van Prof. Schilder is bekend dat hij een hartelijk voorstander was van het streven naar eenheid met de Chr. Geref. Kerken. Hij was bereid daar offers voor te brengen. Ook wezen de hoogleraren Schilder en Holwerda niet alle samenwerking met andere gelovigen af, maar Kamphuis c.s, zagen dat misschien beter.
Duidelijk is dat, wanneer Prof. Kamphuis, na het overlijden van Schilder en Holwerda, school zou maken met zijn opvattingen een polarisatie in de kerken niet te vermijden was.
Na alle conflicten die er zijn geweest liggen de vragen over kerk en samenwerking nu nog in de vrijgemaakte kerken.
Bovenschriftuurlijk of on-schriftuurlijk
Niet alleen op het punt van de §amenwerking valt bij J. Kamphuis een zekere ombuiging van de lijn van de "vaders" van de Vrijmaking op te merken.
Prof. Schilder hamerde er indertijd op dat het in de vrijmaking niet ging om een "leer", maar om een "binding" die boven de Schrift uitging. Ter verduidelijking voor hen die één en ander niet persoonlijk hebben beleefd haal ik de geschiedenis even op.
In de veertiger jaren deed de synode van de Geref. Kerken uitspraken over de' leer, die aanvankelijk weinig bezwaren ontmoetten, zelfs een gevoel van opluchting gaven, gezien beschuldigingen tegen mannen als K. Schilder, S. G. de Graaf e.a. geuit. Moeilijkheden deden zich voor na het verschijnen van een toelichting en prae-advies, waaruit kon worden geconcludeerd dat er in de leeruitspraken een binding inzake de leer van verbond en doop aan de " veronderstelde wedergeboorte" verscholen lag.
Tegen deze binding rees bezwaar; de bezwaarden vroegen geen maatregelen , tegen hen die de leeruitspraken konden aanvaarden en spraken niet van een valse leer maar van een boven-schriftuurlijke binding".
Wanneer het dus niet ging om een leer maar om een binding aan uitspraken en handelingen hebben we in feite te doen met een kerkrechtelijk conflict. Prof.
Kamphuis zegt dan ook terecht dat Schilder stelde dat de zaak van het kerkrecht alles overkoepelde; het dogmatisch conflict was secundair.
Op dit punt heeft Prof. Kamphuis altijd, wel een beetje zijn vragen gehad aan het adres van Schilder; hij is geneigd, meer dan geneigd, van het houden voor wedergeboren te zeggen: dat is onschriftuurlijk.
Deze voorzichtige kritiek op Schilder verwondert ons' niet; niet alleen bij Kamphuis vinden we de gedachte dat de leeruitspraken onschriftuurlijk waren.
Hiermee is een belangrijke zaak aan de orde gesteld.
Mijn leermeester ds S. G. de Graaf zei in de dagen van de scheuring tegen me: "Je mag je nooit alleen om kerkrechtelijke bezwaren aan de kerk onttrekken, want dan is er geen confessionele basis en vroeg of laat komt er een nieuwe binding. "
Prof. Kamphuis spreekt daarom terecht van het diffuse in de Vrijmaking: enerzijds het accentueren van Gods verbondsbelofte en anderzijds zeggen: wij hebben ons aan, niets anders gebonden dan aan de Drie Formulieren. Laten we elkander vrijlaten. Hier wordt de vinger bij een zwak punt gelegd. Het gelijk van Schilder c.s. is dat de dogmatische bezwaarden en de mensen, die alleen kerkrechtelijk bezwaard waren en geen moeiten hadden met de leeruitspraak, in vrede hebben samengeleefd en waar dan allemaal ook over getwist is: niet over de veronderstelde wedergeboorte.
Dezer dagen las ik nog een verslag van een referaat waarin (onder grote instemming) werd gezegd dat de winst van de vrijmaking is geweest dat we de kerk weer hebben ontdekt en komen we in de buurt van de nieuwe binding waar De Graaf over sprak.
In de jaren van de Vrijmaking werd door onze voorgangers dus gesteld dat de kern van het conflict lag bij art. 31 van de K.O.: het ratificatie-recht van de kerken.
Wanneer de schrijvers van het boek aan Prof. Kamphuis voorzichtig vragen of sommige buitenverbanders zich dan later niet terecht op Schilder hebben beroepen toen zij zeiden, dat Schilder toch meer accent legde op het kerkrechtelijk onrecht, dan wordt dat beroep onzerzijds persé onterecht genoemd. Dit is wel wat klein van de professor; stel je voor dat zo'n buitenverbander gelijk heeft!
Waarom mogen wij niet zeggen wat J. K. zelf verhaalt?
Als "bewijs" wordt dan de leer van "Telder" genoemd onder verwijzing naar artikelen in de Reformatie tegen de leringen van ds A. A. Leenhouts.
Als er geen betere argumenten tegen de buiten-verbanders zijn in te brengen valt het met hen wel mee.
Zou het niet beter zijn Schilder e.a. niet te betrekken in de ontwikkelingen na hun dood.
Een volgend keer tot besluit van deze reeks nog een paar opmerkingen over wat ik gemakshalve noem het historisch fundament van de vrijmaking.