De statenvertaling in het dagelijks gebruik *)

1987-10-02
  • Jaargang 31
  • nummer 37

*) Rede van Prof. van Deursen, uitgesproken bij de herdenking van 350 jaar Statenvertaling op 19 september j.1.
Prof. van Deursen sluit in zijn voordracht aan op een voordracht van prof. dr. W. van 't Spijker.

We weten, met hoeveel zorg de statenvertaling tot stand is gekomen. We weten ook, hoeveel kwaliteit ze in zich borg, hoeveel ze waard was. Of laat ik dat nauwkeuriger zeggen: we weten hoeveel ze waard kon zijn.
Een boek op zichzelf is immers niet meer dan een dood voorwerp. Er bestaan prachtige boeken, die in onze hedendaagse cultuur geen waarde meer hebben, en voor niemand iets betekenen, omdat ze door niemand gelezen worden. Ze vormen een dood kapitaal, hoeveel ze ook waard zouden kunnen zijn.

Zo kan het ook met de bijbel zijn. Een bijbel in de boekenkast, een bijbel in het schoollokaal, een bijbel op de preekstoel, dat betekent allemaal niets, als die bijbel niet wordt gebruikt en gelezen.
Een goede bijbelvertaling is beter dan een slechte: Maar een slechte bijbel vertaling die dagelijks lezers vindt, is beter dan een goede die nooit wordt opengeslagen. De synode van Dordrecht en de bijbelvertalers wilden het allebei: hun werk moest goed zijn en het moest gelezen worden. We hebben gehoord, dat het eerste is gelukt. We stellen ons nu dus de tweede vraag: hoe vond deze bijbel lezers en gebruikers?
Hoe gingen de mensen van de zeventiende eeuw met de bijbel om?
Als we op zo'n vraag een antwoord zoeken, moeten we ons goed bewust zijn van een belangrijk verschil tussen de zeventiende eeuwen onze tijd. In onze samenleving nemen boeken een belangrijke plaats in. In de zeventiende eeuw was die plaats beperkt. Nu zijn er velen, die zich een boek aanschaffen als een luxe voorwerp - niet ter wille van het praktische nut, maar ter wille van het genot. Dat gebeurde natuurlijk ook wel in de zeventiende eeuw, maar dan betrof het toch een veel kleinere groep, een culturele élite, die vooral in de steden woonde. De grote meerderheid van de mensen had met boeken in het algemeen weinig omgang. We kunnen dat waarnemen, als we eens een Hollands dorp van de zeventiende eeuw van dichtbij beschouwen. Er zijn wel middelen om te weten te komen wat een doorsnee dorpeling aan goederen in huis had, bij voorbeeld met behulp van testamenten, inventarissen en publieke verkopingen.
Letten we dan eens speciaal op boekenbezit, dan kunnen we drie groepen onderscheiden.
Ten eerste zijn er huishoudens.
waarin je geen enkel boek aantreft. Ten tweede is er een groep, waarbij geen andere boeken worden gevonden dan een bijbel of een kerkboek.
Ten derde is er nog een kleine groep van mensen, die een paar boeken in huis hebben. Het zijn er doorgaans weinig we moeten eerder denken aan twee of drie dan aan tien of twaalf: en ze hebben steeds een duidelijk aanwijsbaar nut: een atlas, een kroniek, een prekenbundel, een kruidenboek. Buiten de kleine culturele élite is het boek een puur gebruiksvoorwerp.
Maar als we dan in zoveel gezinnen een bijbel vinden als enig Doek, dan mogen we denken, dat die bijbel ook in zo'n huishouden zonder boeken een onmisbaar gebruiksvoorwerp is geweest. Je kon niet zonder bijbel, net zo min als je borden en bedden en .kleren .kon missen.
Maar aan welk gebruik moeten we dan in de eerste plaats denken? Wie een statenbijbel bezit, zal weten dat daar voorin is afgedrukt de approbatie van Hare Hoog Mogenden, de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden. En wie deze approbatie gelezen heeft, zal misschien net als ik getroffen zijn door de wens, die de Staten hier uitspreken, namelijk dat de nieuwe vertaling zal mogen gebruikt worden "in de kerken en publieke scholen... en dat diensvolgens alle kerkelijke vergaderingen, kerkedienaren, professoren en doctoren in de heilige theologie ... in het uitvoeren van hun diensten zich daarnaar mogen reguleren".
Waarom treft ons dat? Omdat we hier iets missen. De Staten spreken over kerken, scholen, predikanten, theologische faculteitenmaar ze zeggen geen woord over de gezinnen.
Werd dan thuis niet in de bijbel gelezen? Jawel. Maar toch hoeft het ons niet te verbazen, dat in de approbatie wel gesproken wordt over gemeenschappelijk bijbelgebruik in kerk en school, maarniet over persoonlijk gebruik.
Die nadruk op het gemeenschappelijke is wat we kunnen verwachten in het geestelijk klimaat, waarin de bijbelvertalers geleefd hebben. Bogerman.
Baudartius, Hommius en Walaeus zijn calvinisten geweest.
Nu gaan we tegenwoordig met het woord calvinist nogal slordig om. Als ik zou moeten proberen de betekenis af te leiden uit het moderne spraakgebruik dan zou ik zeggen: een calvinist is iemand, die andere mensen vertelt wat ze behoren te doen. Of dat een juist gebruik van de term is laat ik voor rekening van de media. Maar het is in elk geval een omschrijving, die niet opgaat voor het Dordtse calvinisme van de zeventiende eeuw. Dordtse calvinisten zijn mensen, die niet anderen, maar elkaar vertellen wat ze horen te doen, anders gezegd, mensen die het zichzelf vertellen. Want dat zijn twee kanten van éénzelfde zaak: het aan elkaar, of het aan zichzelf vertellen. Er is geen wezenlijk verschil tussen. Want kenmerkend voor het Dordtse calvinisme is het denken vanuit de gemeenschap, of om een kerkelijke term te kiezen; denken vanuit de gemeente. Heel dwingend is dat uitgedrukt in het oude avondmaalsformulier, als het brood en de wijn vergeleken worden met de eenheid van de gemeente: "gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet, "en zich ondereen vermengt", zo is ook de gemeente één en ondeelbaar. Het individu gaat op in het ene lichaam. Van zijn eigen persoon is niets overgebleven. dan de lege dop en . de uitgeperste schil, die weggeworpen worden. Hij is een nieuw leven begonnen.
Hij leeft nu alleen nog maar in de gemeente.
Voor deze gemeente is de nieuwe bijbelvertaling.
De bijbel is de gids, die haar in dat nieuwe leven begeleidt.
Daarom kan ze niet zonder bijbel. En het is de taak van de kerk, die gids tot de gemeente te laten spreken. Nu spreekt de bijbel geen Nederlands, maar Grieks en Hebreeuws. De gemeente kent die talen niet. De' Nederlandse vertaling moet voor haar het oorspronkelijke geheel kunnen vervangen. Ze moet, zoals de Dordtse synode het zei. tot Nederlandse
hoorders spreken in de eigen taal van de Heilige Geest ("ipsissimus Spiritus Sancti sermo"). Dat is niet alleen een wetenschappelijke opgave, van zuiverheid en correctheid.
Het ging er ook om, het oor van de gemeente te vinden. Zij moest die taal kunnen verstaan. Elke Nederlander die de nieuwe statenvertaling las, moest die taal als de zijne herkennen, en begrijpen wat er stond. De tekst moest zo eenvoudig, zo duidelijk mogelijk zijn.
Een voorbeeld van dat streven naar eenvoud kennen we allemaal, uit het eerste hoofdstuk van Genesis: op de tweede dag schiep God het uitspansel.
De oude vertaling van de zestiende eeuw schreef daar: het firmament. Een ander voorbeeld is Exodus 15, Mirjam nam een trommel ter hand. De oude vertaling had: een tamboerijn, en dat heeft het Nederlands Bijbelgenootschap ook weer gekozen. Uitspansel bleef gehandhaafd. maar is niet meer een erg gebruikelijk woord. Er zit nu eenmaal leven in een taal. en voor moderne oren is de taal van 1637 niet altijd op het eerste horen duidelijk. Maar we zouden ons vergissen als we meenden dat de statenvertaling van meet af iets plechtigs gehad heeft dat afstand schiep van de levende. taal. Wie dat denkt. moet maar eens ambtelijke stukken uit die tijd lezen, met hun overvloedig gebruik van Franse en Latijnse bastaardwoorden.
Daar hebben wij het nu moeilijk mee, maar dat soort Haags Nederlands was ook toen al een beproeving voor eenvoudige dorps secretarissen en plattelandsschouten, die het al flink te kwaad konden hebben met de spelling van woorden als februari en privilege. Daarom kunnen we niet anders zeggen dan dat de statenvertaling, zonder in gemeenzaamheid te vervallen, toch de levende taal van de zeventiende eeuw heeft willen spreken.
Deze nieuwe statenvertaling is snel in de kerken ingevoerd; en bereikte de gemeente over de kansel en de lessenaar van de voorlezer. Het duurde wat langer voor ze ook de huiskamers bereikt had. Daarvoor zijn twee redenen te noemen. Ten eerste was een bijbel vrij duur. Zelfs een tweedehands bijbel in goede staat kan op veilingen nog wel een gulden of twee opbrengen, dat is dus ongeveer het loon van twee dagen arbeid. Voor een nieuwe betaalde men meer, ook omdat veel kerkgangers, vooral vrouwen, prijs stelden op een luxe uitvoering van hun kerkboek. Vaak vermelden testamenten en inventarissen de kerkbijbel met zilverbeslag als één van de kostbaarste stukken in het familiebezit. Dat is dan tevens de tweede reden, waarom de oude vertaling zich in de gezinnen vrij lang handhaafde.
Ze ging als erfstuk over in handen van de volgende generatie. Voor één Hollands dorp kan ik het nauwkeurig aangeven. In het Noordhollandse dorp Graft, destijds een heel groot dorp met een bloeiende gereformeerde gemeente, vinden we voor het eerst in 1657 in een inventaris melding gemaakt van "een bijbel in de nieuwe overzetting".
Twintig jaren waren er toen verlopen, en nog altijd was de statenvertaling in de huisgezinnen lang niet algemeen. Ze heeft het echter gewonnen, daar in Graft, en in Ureterp, en in Ermelo, omdat ze duidelijk en herkenbaar voor gewone mensen in gewone dorpen bestemd was. Soms kan ons dat nog opvallen in die statenvertaling, met name in de kanttekeningen, dat ze ons verplaatsen in het Nederlandse wereldje van de' zeventiende eeuw. Zo is denk ik typisch Noordnederlands de vertaling van Jozua 2:7, "die mannen joegen hen na op de weg der Jordaan, tot aan de veren". Daarmee wordt bedoeld, zeggen de kanttekeningen, "het veer of de veren, waar men over de Jordaan pleegt te varen, opdat men hen daar niet zoudeoverlaten". De nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap spreekt hier niet van veren, maar van doorwaadbare plaatsen. Zo stond het in 1637 ook al in de Engelse en Duitse vertalingen. Maar de statenvertalers vonden het zo normaal, datje een water overstak per veerboot, dat volgens hen ook de verspieders in Jozua's tijd van de diensten van een veerman gebruik moesten maken. Daar spreekt de levenservaring van een Noordnederlander.
Zo zou het ook wel eens kunnen teruggaan op ervaringen van Hollandse matrozen, als de kanttekeningen bij Openbaring 7 spreken van "Arabieren, Agarenen, Mooren, Saracenen en andere wrede volken". Waarom werden juist deze volken wreed genoemd? Ik denk omdat heel wat Nederlandse zeelui aan de Noordafrikaanse kust in harde slavernij leefden of geleefd hadden, en "peryckel van Turcken" ongeveer het ergste gevaar was, waaraan de zeeman was bloot gesteld.
En een laatste voorbeeld: als de kanttekenaren uitleggen, wat richteren zijn geweest, zeggen zij dat we die niet moeten beschouwen als "landsheren of koningen... maar die het publieke recht van Gods volk tegen hun verdrukkers en vijanden uitvoerden en hen uit hun hand verlosten, de godsdienst zuiverden en in reinheid behielden, en de republiek' van Israël bij hare vrijheid beschermden en in gemene zaken met hun dienst en goede raad bijstonden". Of de richteren dat allemaal precies zo deden betwijfel ik, maar het is een niet oninteressante omschrijving van het Hollandse stadhouderschap, zeker zoals het volgens de calvinisten vervuld zou moeten worden.
Maar al is ze dan herkenbaar Noordnederlands, de statenvertaling is allerminst klein en provinciaal. Daarvoor wisten de vertalers te goed, dat hun Noordnederlandse gemeenten waren opgenomen in een veel groter en wijder verband. "Al de particuliere kerken op aarde, die rechtzinnig zijn", zeggen ze bij Hooglied 6:9, "maken te zamen niet meer dan één lichaam". Er zijn niet vele kerken, er is maar één kerk. Die kerk overschrijdt ver de grenzen van het vaderland. Als de kanttekeningen bij Openbaring 11 moeten verklaren, wat we hebben te verstaan onder de twee getuigen, dan leggen zij dat uit als: al degenen, die ook in duistere tijden voor de waarheid van het evangelie zijn opgekomen.
Ze noemen ook hun namen: Petrus Waldus, John Wycliffe, Johannes Hus, Luther, Melanchton, Zwingli, Oecolampadius, Farel en Calvijn.
Anderen nog zijn daarop gevolgd, tot heden toe: "in Duitsland, Frankrijk, Engeland, Schotland, Zwitserland, Nederland en andere kwartieren der wereld" In die traditie wilden ook de statenvertalers staan. En zo is een boek tot stand gekomen dat naast de Lutherbijbel of de authorized King James version zijn plaats verworven heeft te midden van de grote, klassieke bijbelvertalingen van het Europese protestantisme.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief